Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:11345

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
11-11-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2447
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

herziening en terugvordering van bijstand i.v.m. vezwegen inkomsten uit persoonsgebonden budget ingevolge de AWBZ

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/2447

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , te Den Haag, eisers

(gemachtigde: mr. H. Oldenhof),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: L. Catakli).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 4 oktober 2017 heeft verweerder het recht van eisers op bijstand ingevolge de Participatiewet (Pw) met ingang van 1 januari 2009 herzien en van hen een bedrag van € 57.440,47 teruggevorderd (primair besluit I), respectievelijk het recht op bijstand van 23 november 2012 tot en met 31 december 2014 herzien en een bedrag van € 31.685,53 van eisers teruggevorderd (primair besluit II).

Bij correctiebesluit van 13 oktober 2017 (primair besluit III) heeft verweerder de hoogte van de in de besluiten van 4 oktober 2017 genoemde terugvorderingsbedragen naar beneden bijgesteld op € 29.481,74, respectievelijk € 57.125,68.


Bij besluit van 26 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de tegen de hiervoor genoemde besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2019. Eisers zijn niet ter zitting verschenen, maar hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1 Eisers ontvangen sinds 1 maart 1999 bijstand van verweerder. Meest recent kregen zij een Pw-uitkering. Verweerder heeft in 2016 een signaal ontvangen van het Inlichtingenbureau (IB) van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dat is een bureau dat bestanden van diverse overheidsorganisaties koppelt en vergelijkt. Verweerder heeft naar aanleiding van dat signaal in 2016 bijzonder onderzoek laten doen naar de besteding van het door [eiser] (eiser) in de periode van 2009 tot en met 2014 ontvangen persoonsgebonden budget ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), hierna: het PGB. Verweerder heeft eiser, eiseres en hun zoon [A] in dat kader toen nader ondervraagd. Zij hebben verklaringen afgelegd en ondertekend die zijn opgenomen als bijlage 15 tot en met 17 bij het proces-verbaal van bevindingen van 18 oktober 2017. De resultaten van het onderzoek zijn voor verweerder aanleiding geweest om het recht van eisers op bijstand ingevolge de Pw te herzien en van hen een bedrag van aanvankelijk € 89.126,- terug te vorderen. Verweerder heeft naderhand het terugvorderingsbedrag gecorrigeerd en vastgesteld op € 86.607,42. Verweerder heeft het besluit tot herziening en de terugvordering van de bijstand na heroverweging in bezwaar gehandhaafd.
2. Verweerder is van mening dat eiseres in de periode van 1 januari 2009 tot en met 25 oktober 2012, respectievelijk van 23 november 2012 tot en met 31 december 2014 aan eiser zorg heeft verleend waarvoor zij van eiser uit het PGB geld heeft ontvangen. Eisers hebben verweerder hiervan niet uit eigen beweging op de hoogte gesteld, aldus verweerder.
3. Eisers betwisten dat zij met betrekking tot het PGB de inlichtingenplicht hebben geschonden. Zij hebben van begin af aan bankafschriften laten zien en daarmee openheid van zaken gegeven over hun financiële situatie. Eiser ontving het PGB altijd op zijn bankrekening. Verweerder heeft die bankafschriften kunnen inzien. Verweerder heeft in 2015 ook een onderzoek uitgevoerd. Toen zijn de ontvangen belastingtoeslagen en de PGB-betalingen aan eiser niet aangemerkt als inkomen. Daarmee is, aldus eisers, het vertrouwen gewekt dat het PGB niet als inkomen in aanmerking zou worden genomen.
4. Het in dit beroep door de rechtbank te beoordelen tijdvak is de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2014. Voor zover het gaat om de herziening en terugvordering van bijstand past de rechtbank op dit beroep de Pw toe. Wat betreft de rechten en de verplichtingen die zien op de periode vóór 1 januari 2015, is naast de Pw ook de Wet werk en bijstand (Wwb) van toepassing.
4.1 Het besluit tot herziening en terugvordering van bijstand is een voor eisers belastend besluit. Verweerder moet daarom aannemelijk maken dat in het geval van eisers aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering van de bijstand is voldaan. Dat betekent dat verweerder aannemelijk moet maken dat eisers ten tijde van belang de inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat zij daardoor te veel bijstand hebben ontvangen.
4.2 De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarin is geslaagd en overweegt daartoe het volgende. Eiser heeft in de hier te beoordelen periode het PGB ontvangen. Met dat PGB heeft hij zorg ingekocht bij zijn echtgenote [eiseres] (eiseres). Het geld dat eiseres uit het PGB van eiser heeft ontvangen, is gelet op artikel 31, eerste lid, en artikel 32, eerste lid, van de Pw inkomen, waarmee bij de vaststelling van de hoogte van het recht op bijstand rekening gehouden moet worden.
4.3 De rechtbank is van oordeel dat eisers verweerder uit eigen beweging van de inkomsten van eiseres op de hoogte hadden moeten stellen. Dat volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Pw.

Dat zij het moeilijk vinden om te beoordelen welke gegevens relevant zijn voor het recht op bijstand en de inlichtingenverplichting daardoor als te zwaar ervaren, maakt dat niet anders. Eisers hadden veiligheidshalve verweerder van de betalingen van eiser aan eiseres op de hoogte kunnen stellen, waarna verweerder had kunnen beoordelen of die voor hun recht op bijstand relevant waren, of niet.

4.4

Eisers hebben niet uit eigen beweging gemeld dat eiseres in de van belang zijnde periode een inkomen ontving voor de zorg die zij aan eiser verleende. Uit de resultaten van het in 2016 uitgevoerde bijzonder onderzoek komt dat voldoende duidelijk naar voren. Eisers zijn weliswaar van mening dat zij over hun financiële situatie voldoende openheid van zaken hebben gegeven, maar dat betekent nog niet dat zij daarmee ook de inlichtingenverplichting naar behoren zijn nagekomen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan de hand van de in het dossier aanwezige bankafschriften van de ING-rekening van eiseres eindigend op de cijfers 431 niet zelf heeft kunnen vaststellen dat eiseres van eiser geld ontving voor door haar aan hem verleende zorg. Verweerder heeft bij de vaststelling van de hoogte van het recht op bijstand in de bewuste periode dus geen rekening kunnen houden met die inkomsten van eiseres. Eisers hebben hiermee de inlichtingenverplichting geschonden, waardoor verweerder hen te veel bijstand heeft verstrekt.

4.5

Eisers hebben betoogd dat verweerder in 2015 ook onderzoek heeft gedaan en dat hij toen de betalingen van het Zorgkantoor aan eiser niet heeft aangemerkt als inkomen. De rechtbank ziet daarin geen reden dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Eiser heeft immers het PGB ontvangen om daarmee zorg in te kopen. Dat geld was voor hem geen inkomen waarmee in het kader van de Pw rekening had moeten worden gehouden, zodat verweerder dat dus ook terecht niet heeft gedaan. De besteding van dat PGB door zorg in te kopen bij eiseres had eiser moeten melden bij verweerder. Daarmee is het PGB immers inkomen voor het gezin geworden. Dat inkomen had verweerder in het kader van de Pw moeten betrekken bij de vaststelling van de hoogte van het recht op bijstand van eisers.

4.6

Voor zover eisers nog hebben bedoeld te stellen dat verweerder vanwege opgewekt vertrouwen de betalingen van eiser aan eiseres als inkomen buiten beschouwing had moeten laten, overweegt de rechtbank dat daarvoor geen grond bestaat. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat verweerder uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen heeft gedaan, die bij eisers gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Gesteld noch gebleken is dat verweerder zo'n toezegging aan eisers heeft gedaan. Van gerechtvaardigde verwachtingen is dan ook geen sprake.

4.7

Nu verweerder als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting te veel bijstand aan eisers heeft verstrekt, is daarmee aan de voorwaarde voldaan om het recht op bijstand in de te beoordelen periode te herzien en de te veel betaalde bijstand van eisers terug te vorderen. Verweerder was ingevolge artikel 54, derde lid, van de Pw en artikel 58, eerste lid, van de Pw ook daartoe verplicht.
4.8 Niet is gebleken van dringende redenen op grond waarvan verweerder van terugvordering had moeten afzien. Zulke redenen kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene.

Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Eisers hebben niets aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat zij als gevolg van de terugvordering in een onaanvaardbare sociale of financiële situatie zullen terechtgekomen. Sterker nog, ter zitting is gebleken dat eisers nog steeds een PGB ontvangen en dat zij inmiddels op de vordering van verweerder aflossen.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzitter, en mr. F.X. Cozijn en mr. M. Tjepkema, leden, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.