Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:11280

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-08-2019
Datum publicatie
21-11-2019
Zaaknummer
19.10557
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In aanmerking genomen de ruimte die de lidstaten hebben om Procedurerichtlijn in nationaal recht te implementeren ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat in asielprocedures het hanteren van de oorspronkelijke beslistermijn voor het opnieuw beslissen op de aanvraag na vernietiging strijd oplevert met het Europees recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.10557


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: M.J. Roeloffzen).

Procesverloop

Eiser heeft op 16 februari 2018 asiel gevraagd.

Op 7 mei 2019 heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag.

Verweerder heeft de stukken overgelegd en verweer gevoerd.

Op 23 juli 2019 is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:55b van de Awb doet de rechtbank uitspraak op het beroep zonder behandeling ter zitting met toepassing van artikel 8:54 van de Awb.

2. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

3. Eiser heeft op 16 februari 2018 asiel gevraagd. De beslistermijn bedraagt op grond van artikel 42 van de Vreemdelingenwet 2000 zes maanden. Verweerder heeft op 30 april 2018 een besluit op de aanvraag genomen. Het hiertegen gerichte beroep is gegrond verklaard bij uitspraak van 18 september 2018 en het besluit op de aanvraag is daarbij vernietigd – kort gezegd omdat verweerder aan zijn standpunt onvoldoende onderzoek ten grondslag heeft gelegd. Uit deze uitspraak volgt dat verweerder opnieuw op de aanvraag moet beslissen.

Bij voorlopige voorziening van 15 oktober 2018 is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaald dat verweerder geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank totdat op het hoger beroep is beslist. Gelet hierop is de termijn om opnieuw te beslissen op te aanvraag begonnen op 20 februari 2019, toen het hoger beroep ongegrond werd verklaard.

4. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat de beslistermijn na vernietiging van een besluit dezelfde is als de beslistermijn voor het oorspronkelijke besluit. Zoals hiervoor overwogen is die termijn zes maanden. Eisers ingebrekestellingen van 25 februari 2019 en 15 april 2019 zijn gelet hierop prematuur. De rechtbank ziet daarbij het opnieuw ingaan van de beslistermijn niet als een verslechtering van eisers rechtspositie ten opzichte van de situatie waarin er geen zienswijze- maar bezwaarprocedure gold. Overigens zou ook in die situatie de oorspronkelijke beslistermijn weer gelden na vernietiging van het besluit door de rechtbank.

5. Eiser stelt in beroep verder dat het gunnen van dezelfde beslistermijn als voor het eerste besluit op de aanvraag strijdig is met Europees recht, zoals blijkt uit de arresten Alheto (25 juli 2018, C-585/16, JV 2018/179) en Diallo (27 juni 2018, C-246/17) van het Hof van Justitie voor de Europese Unie. Eiser heeft dit betoog niet nader toegelicht door te verwijzen naar concrete overwegingen in de betreffende arresten. De rechtbank gaat er van uit dat eiser het oog heeft op overwegingen waarin het Hof bepaalt dat na ‘nietigverklaring’ van een besluit ‘op korte termijn’opnieuw beslist moet worden, om aldus de effectieve werking van de Procedurerichtlijn te waarborgen. In aanmerking genomen de ruimte die de lidstaten hebben om Procedurerichtlijn in nationaal recht te implementeren ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat in asielprocedures het hanteren van de oorspronkelijke beslistermijn voor het opnieuw beslissen op de aanvraag na vernietiging strijd oplevert met het Europees recht.

6. Uit het feit dat de ingebrekestellingen prematuur zijn volgt dat het beroep niet-ontvankelijk is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is in het openbaar geschied door mr. C.T.C. Wijsman, rechter, in aanwezigheid van J.F. Gommers, griffier. Deze uitspraak is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op 28 augustus 2019.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.