Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:11275

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-10-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
09/857131-18 & 09/837394-18 & 09/757006-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft vandaag een 42-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar vanwege het tot ontploffing brengen van twee handgranaten in het centrum van Delft en verboden wapenbezit.

Op 17 mei 2018 heeft de man midden in de nacht samen met een ander kort na elkaar bij twee coffeeshops in Delft een handgranaat laten ontploffen. De explosies hebben een enorme schade veroorzaakt. Ook is een toevallige voorbijganger gewond geraakt. De rechtbank vindt het bijzonder zorgwekkend dat oorlogswapens als handgranaten in een dichtbevolkte stad worden ingezet. Waarom de man dit heeft gedaan, is niet duidelijk geworden. Vermoedelijk gaat het om een ruzie in het criminele milieu.

De man is vaker aangehouden met wapens. Want op 20 maart 2018 reed hij in een auto met een geladen revolver en op 12 juni 2018 met een semiautomatisch wapen, een jachtgeweer en weer een handgraat. Bij hem thuis werd nog een handgranaat aangetroffen.

Door zijn gedrag heeft de man op een indringende manier inbreuk gemaakt op de gevoelens van veiligheid in de stad Delft en zeker ook in de gehele samenleving. Om deze redenen en ook vanwege zijn gewelddadig verleden krijgt hij een gevangenisstraf van 10 jaar opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/857131-18 (dagvaarding I); 09/837394-18 (dagvaarding II) en 09/765006-19 (dagvaarding III) (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 25 oktober 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum] 1977 [geboorteplaats] ,

[adres 1]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 24 september 2018,

18 december 2018, 11 maart 2019, 27 mei 2019 en 20 augustus 2019 (steeds pro forma) en op de terechtzitting van 10 en 11 oktober 2019 (de inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. W. Bos en van wat de verdachte en zijn raadsman mr. D. Bektesevic naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van wat door de benadeelde partij [naam 1] naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen I, II en III. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat:

ten aanzien van dagvaarding I

Feit 1: de verdachte zich op 17 mei 2018 in Delft schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging tot ontploffing brengen van twee handgranaten door een pin uit een handgranaat te trekken, waardoor gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was;

Feit 2: hij op 17 mei 2018 in Delft in vereniging twee handgranaten voorhanden heeft gehad;

Feit 3: hij op 12 juni 2018 in Noordwijk in vereniging een handgranaat voorhanden heeft gehad;

Feit 4: hij op 12 juni 2018 in Noordwijk in vereniging voorhanden heeft gehad twee semi automatische pistolen en een (ingekort) vuurwapen;

ten aanzien van dagvaarding II

Feit 1: de verdachte op 12 juni 2018 in Rijswijk (in een woning gelegen aan het Mr. [adres 2] 294 ) in vereniging een handgranaat voorhanden heeft gehad;

Feit 2: hij zich in de periode van 20 april 2018 tot en met 25 oktober 2018 in Den Haag en/of Eindhoven in vereniging schuldig heeft gemaakt aan het verduisteren van een Audi ( [kenteken] ), een kentekenbewijs (deel I en/of deel II) toebehorende aan [naam 1] en een Peugeot ( [kenteken] ) met een daarbij behorende GPS-tracker en/of instructieboekje toebehorende aan [naam bedrijf] ;

ten aanzien van dagvaarding III

de verdachte op 20 maart 2018 in Den Haag een revolver en zes kogelpatronen voorhanden heeft gehad.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

De volgende feiten en omstandigheden hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen dienen als uitgangspunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Aanleiding onderzoek

Op donderdag 17 mei 2018 omstreeks 05.15 uur werden verbalisanten gestuurd naar de [adres 3] te Delft waar een ontploffing had plaatsgevonden. Ter plaatse zagen zij zwarte schroeiplekken in het wegdek, ter hoogte van [naam coffeeshop] . Daarnaast zagen zij dat in de ruit van [naam coffeeshop] diverse gaten zaten en dat in ruiten en gevels van omliggende panden diverse inslagpunten zaten.2 Vlak daarna kwam de melding dat in de [adres 4] te Delft, ter hoogte van coffeeshop [naam 3] , ook een knal was gehoord. Ter plaatse zagen verbalisanten dat de [adres 4] bezaaid lag met glas en plastic. Daarnaast zagen zij zwarte stukjes rubber op het wegdek liggen.3Als gevolg van de ontploffing bij [naam coffeeshop] is een voetganger, genaamd [aangever] , in zijn gezicht geraakt en heeft daarbij letsel opgelopen.4 Daarnaast hebben diverse panden, bedrijven en omliggende woningen in zowel de [adres 3] als de [adres 4] forse schade (onder meer kapotte ruiten en beschadigde gevels) opgelopen.5

Camerabeelden

[adres 3]

Op de camerabeelden van 17 mei 2018 van horecagelegenheid [naam 2] , gevestigd op de hoek van de [adres 3] en de [adres 5] in Delft, is te zien dat rond 05.10 uur een scooter met daarop twee personen vrijwel recht onder de camera van voornoemde horecagelegenheid stopt. De bijrijder stapt af en pakt een tas die bij de bestuurder tussen zijn voeten ligt. De bijrijder legt de tas op de grond, stopt zijn hand in de tas en pakt er ten minste twee voorwerpen uit; één voorwerp stopt hij in zijn jaszak, het andere voorwerp houdt hij in zijn hand. Ook is te zien dat het gezicht van de bijrijder is bedekt. De bijrijder loopt vervolgens de [adres 3] in, terwijl de bestuurder zijn jas omhoog trekt, zodat ook zijn gezicht bedekt is. De bestuurder blijft staan op de [adres 5] . De bijrijder loopt naar de gevel van [naam coffeeshop] . Hij steekt het zwarte langwerpige voorwerp onder zijn oksel en haalt een voorwerp uit zijn zak. Hij bukt en verricht handelingen bij de brievenbus. Vervolgens legt hij een voorwerp op de beugel die uit de gevel steekt en rent weg. Kort hierna is een grote flits te zien. Ongeveer dertig seconden nadat de bijrijder de [adres 3] in is gelopen, komen twee personen met hun rolkoffers vanaf de [adres 10] ook de [adres 3] in gelopen, op de voet gevolgd door een fietser. Ongeveer vijf seconden nadat de voetgangers en de fietser de [adres 3] in zijn gegaan, wordt het camerabeeld opgelicht door een lichtflits. Enkele seconden later is te zien dat de bijrijder weer terug komt rennen vanuit de [adres 3] en achterop de scooter springt. De scooter rijdt weg over de [adres 5] .6 De politie relateert dat verder op de camerabeelden (gericht op de voordeur) van [naam coffeeshop] te zien is dat de persoon die een handgranaat naar de coffeeshop gooit een masker draagt dat sterk lijkt op de kaak van een skelet.7

[adres 4]

Op de camerabeelden van [naam 3] van 17 mei 2018 is om 05.13 uur te zien dat de scooter met de twee personen vanaf de [adres 5] de [adres 4] komt inrijden. De scooter stopt in de [adres 4] , waarna de bijrijder afstapt en richting [naam 3] loopt. De bijrijder gooit een voorwerp tegen de gevel van [naam 3] en rent weer terug naar de scooter. Kort daarop zijn een flits en rook te zien. De scooter rijdt de hoek om in de richting van het Achterom. Op de hoek van de [adres 4] met het Achterom is te zien dat de bestuurder van de scooter wacht op de aanrennende bijrijder, om vervolgens weg te rijden verder het Achterom op. Vervolgens is te zien dat de scooter uit de richting van de [adres 4] komt aanrijden en de [adres 6] oversteekt.8

Forensisch onderzoek

Tijdens het onderzoek op 17 mei 2018 in de [adres 3] in Delft is bij de voordeur van [naam coffeeshop] een beugel van een handgranaat met opschrift “8124” aangetroffen. Op de [adres 5] , ter hoogte van de [adres 3] , lag een pin van een handgranaat.9 Tijdens het onderzoek in de [adres 4] in Delft is ook een beugel van een handgranaat met opschrift “8817” aangetroffen.10 De aangetroffen restanten zijn inbeslaggenomen en onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

Bij de bespreking van de onderzoeksresultaten van het NFI zal de rechtbank voor de leesbaarheid volstaan met de mededeling dat op meerdere veiliggestelde sporen/sporendragers DNA-materiaal van de verdachte (hierna: [verdachte] ) is aangetroffen (en in de meeste gevallen ook DNA-materiaal van ten minste één ander persoon of meerdere personen), ondanks dat in de onderzoeksresultaten wordt beschreven dat het aangetroffen DNA op de bemonstering afkomstig kan zijn van [verdachte] .

DNA-onderzoek

Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat op de in de [adres 3] aangetroffen beugel ( ['''] ) DNA-materiaal van de verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) is aangetroffen en daarnaast het DNA-materiaal van minimaal één ander persoon (mengspoor). Daarnaast is gebleken dat zich op de aangetroffen pin van een handgranaat in de [adres 3] ( ['''] ) DNA-materiaal van [verdachte] (enkelvoudig profiel) bevond.11 Bij dit laatste spoor is wel de opmerking geplaatst dat er ook enkele pieken zichtbaar zijn waarvan niet duidelijk is of het DNA-kenmerken van minimaal één andere persoon of technische artefacten zijn.

Ten aanzien van de in beslag genomen beugel in de [adres 4] , is ter zitting discussie ontstaan over de wijze waarop voornoemd spoor/sporendrager (beugel) is veiliggesteld. De rechtbank zal hier onder punt 3.4.1 van het vonnis nader op ingaan.

Observatie en aanhouding op 12 juni 2018

Naar aanleiding van de hierboven genoemde onderzoeksbevindingen is [verdachte] als verdachte aangemerkt en is op 12 juni 2018 een observatieteam van politie Eenheid Den Haag ingezet om zijn woon- of verblijfplaats te achterhalen. Uit deze observatie bleek dat [verdachte] , een andere man (die later bleek te zijn: de [medeverdachte] , hierna te noemen: [medeverdachte] ) en een vrouw (die later bleek te zijn: [vriendin] van [verdachte] ) de woning Mr. [adres 2] 294 te Rijswijk verlieten en in een Suzuki Alto voorzien van het [kenteken] wegreden. Vastgesteld is dat [verdachte] de bestuurder was van genoemde auto, dat [vriendin] voorin als bijrijder zat en [medeverdachte] op de achterbank zat. Op enig moment is door het observatieteam waargenomen dat [verdachte] de woning aan het [adres 7] te Den Haag is binnengegaan en voornoemde woning korte tijd later met een grijze tas verliet. Vervolgens is gezien dat [vriendin] op een adres in Amsterdam werd afgezet, waarna [verdachte] en [medeverdachte] terugreden via Noordwijk. Het observatieteam heeft op enig moment gezien dat de Suzuki Alto zonder inzittenden geparkeerd stond op de Rynestein in Noordwijk en dat bij de Suzuki politie in uniform te zien was.12 In Noordwijk zijn [verdachte] en [medeverdachte] in verband met een aldaar geldende noodverordening gecontroleerd. In genoemde auto werden door de verbalisanten diverse goederen gezien die in verband met de noodverordening strafbaar zijn gesteld. Zo lagen er op de achterbank van de Suzuki kledingstukken in het zicht, waarmee vermommingen mogelijk konden zijn. Ook was te zien dat er tasjes in de auto lagen waarin meerdere voorwerpen aanwezig zouden kunnen zijn voor het verstoren van de openbare orde. Zowel [verdachte] als [medeverdachte] konden zich niet legitimeren met een geldig identiteitsbewijs. Ook hadden zij geen geldige reden om in het gebied waar de noodverordening van kracht was, te zijn. Hierop zijn [verdachte] en [medeverdachte] aangehouden op verdenking van het overtreden van de bepalingen als bedoeld in de noodverordening.13

Doorzoeking Suzuki Alto

Op grond van voornoemde noodverordening werd de bevoegdheid verkregen genoemde Suzuki Alto te doorzoeken. Tijdens deze doorzoeking werden meerdere goederen aangetroffen en in beslag genomen. Op de vloer, tussen de bestuurderstoel en de achterbank, werd een zwarte etui aangetroffen met daarin een doosje met scherpe munitie.

Onder de bestuurderstoel werd een zwart tasje met daarin een vuurwapen (merk Zastava, model M57) aangetroffen. In de kofferbak van voornoemde auto lag een grijze tas waarin werd aangetroffen: een jachtgeweer met verkorte loop, een handgranaat, een vuurwapen (merk Glock, model 17) en een masker.14

Genoemde voorwerpen zijn vervolgens nader beschreven, onderzocht en gecategoriseerd door een materiedeskundige van het Team Forensische Opsporing, Wapens Munitie en Explosieven. Het semi automatische pistool (van het merk Zastava, model M57, kaliber 7.62mm) betreft een wapen van categorie III (sub 1), waarvan het (onbevoegd) voorhanden hebben verboden is op grond van de Wet Wapens en Munitie (WWM).15 Het gewijzigde (ingekorte) vuurwapen (merk onbekend, model onbekend, kaliber 16) dat is aangetroffen, betreft een wapen van categorie II (sub 3), waarvan het voorhanden hebben verboden is op grond van de WWM.16 Daarnaast betreft de aangetroffen handgranaat een wapen van categorie II (sub 7), waarvan het voorhanden hebben verboden is op grond van de WWM.17

Uit NFI-onderzoek aan de handgranaat is gebleken dat scherfhandgranaten van het type ['''] , zoals de handgranaat in dit onderzoek, gezien de opbouw, werking en verwachte uitwerking zijn aan te merken als 'voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing', zoals vermeld in de Wet wapens en munitie, artikel 2, lid l, categorie II onder 7.18

DNA-onderzoek

Op het inbeslaggenomen gewijzigde (ingekorte) vuurwapen (hagelgeweer) is na onderzoek een handpalmafdruk ( ['''] ) aangetroffen. Uit onderzoek bleek dat voornoemd dactyloscopisch spoor een hit opleverde op [verdachte] .19 Daarnaast is uit DNA-onderzoek gebleken dat op de bemonstering van voornoemd hagelgeweer ( ['''] ) DNA-materiaal van [verdachte] is aangetroffen.20

Ook op (het lichaam van) de handgranaat ( ['''] is DNA van [verdachte] aangetroffen, alsmede DNA van minimaal één onbekende persoon.21

Ook het masker ['''] ) dat werd aangetroffen in de grijze tas is door het NFI onderzocht. Gebleken is dat zich aan de binnenkant van het masker DNA-materiaal van [verdachte] bevond (DNA-hoofdprofiel) en DNA-materiaal van minimaal één ander persoon (mengprofiel).22

Doorzoeking [adres 2] in Rijswijk

Op woensdag 13 juni 2018 werd de woning aan het [adres 2] te Rijswijk doorzocht, waarbij onder andere een handgranaat, doosjes munitie en amfetamine werden aangetroffen. De handgranaat werd aangetroffen op de eerste etage, in een kamer, die was ingericht als kledingkamer. In deze kamer werd op de bovenste plank van een inloopkast een doos aangetroffen, waarin zich een handgranaat in een blauwe etui bevond.23

De aangetroffen handgranaat betreft een wapen van categorie II (sub 7), waarvan het voorhanden hebben verboden is op grond van de WWM.24 Uit NFI-onderzoek aan de handgranaat is gebleken dat scherfhandgranaten van het type M85, zoals de handgranaat in dit onderzoek, gezien de opbouw, werking en verwachte uitwerking zijn aan te merken als 'voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing', zoals vermeld in de Wet wapens en munitie, artikel 2, lid l, categorie II onder 7.25Het lichaam ( ['''] ) en de ontsteker ( ['''] ) van de handgranaat zijn door het NFI onderzocht op aanwezigheid van DNA-sporen. Hieruit bleek dat op het lichaam van de handgranaat een DNA-mengprofiel van [verdachte] is aangetroffen en op de ontsteker een DNA-hoofdprofiel van [verdachte] .26

Schouw

Op de camerabeelden van 17 mei 2018 van [naam 2] zijn bij de twee personen op de scooter diverse goederen te zien: een tas, schoenen en een zwart langwerpig voorwerp. Zoals hiervoor is beschreven, zijn soortgelijke goederen op 12 juni 2018 in de auto in Noordwijk en op 13 juni 2018 in de woning aan het [adres 2] 294 in Rijswijk aangetroffen en in beslag genomen. De schouw is op 5 november 2018 uitgevoerd om inzicht te krijgen in hoeverre de aangetroffen grijze sporttas, de schoenen en het donkerkleurige jachtgeweer met de eerder genoemde goederen overeenkomen die te zien zijn op de beveiligingsbeelden van 17 mei 2018 van horecagelegenheid [naam 2] .

De schouw vond plaats op exact dezelfde locatie als het incident op 17 mei 2018. De volledige scène werd enkele keren 'nagespeeld' door de stand-ins. Daarnaast werden bepaalde stilstaande beelden (hierna: stills) uit de scene nagebootst. Dit hield in dat aan de hand van de stills uit de beveiligingsbeelden van 17 mei 2018 de stand-ins en de goederen zo werden gepositioneerd dat de nagebootste stills van 5 november 2018 overeenkomstig waren met de stills van 17 mei 2018 om zo de tas, schoenen en het donker langwerpige voorwerp met de in de auto aangetroffen jachtgeweer en tas en de in de woning inbeslaggenomen schoenen te kunnen vergelijken. Hieronder worden de resultaten van de schouw vergeleken.

Het jachtgeweer met verkorte / afgezaagde loop heeft twee opvallende kenmerken: een gewijzigde loop en een gewijzigde kolf.

De grijze sporttas vertoont naast de grootte en de vorm de volgende overeenkomende details (bij infrarode belichting): de oplichtende reflectiestreep (1), de zwarte/donkere vlakken, niet waarneembaar (2), de zwarte hengsels, wel waarneembaar (3), het “Nike”-logo, niet waarneembaar (4) en het lusje aan de zijkant van de tas (5).

De zwart-groene Asics sportschoenen vertonen de volgende overeenkomsten: het oplichtend accent op de zijkant van de neus (1), het donkere gedeelte bij de veters (2), de donkere neus (3), de donkere hak (4), de Asics-strepen (4) en de inkeping in de zool (4).27

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle bij dagvaarding I tenlastegelegde feiten (met uitzondering van het onder 3 tenlastegelegde pistool, merk Glock), de bij dagvaarding II onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten (met uitzondering van de verduistering van de Audi A6) en het bij dagvaarding III tenlastegelegde feit.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, zoals verwoord in zijn pleitnota, ten aanzien van de bij dagvaarding I onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten en de bij dagvaarding II onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten integrale vrijspraak bepleit. Voor wat betreft de bij dagvaarding I onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten en het onder dagvaarding III tenlastegelegde feit heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze feiten bewezen kunnen worden verklaard, gelet op de bekennende verklaring van zijn cliënt.

Op de specifieke (bewijs)verweren van de verdediging zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bespreking van de tenlastegelegde gedragingen gaat de rechtbank uit van de feiten en omstandigheden die in de inleiding zijn besproken.

ten aanzien van dagvaarding I

3.4.1

Feiten 1 en 2 (het laten ontploffen van twee handgranaten en het bezit daarvan)

Bewijsuitsluitingsverweer

Ter terechtzitting heeft de raadsman betoogd dat de in de [adres 4] aangetroffen beugel, waarop DNA-materiaal van [verdachte] zou zijn aangetroffen, alsmede het daarop volgende onderzoek, moet worden uitgesloten van het bewijs, omdat op onzorgvuldige wijze is gehandeld bij het veiligstellen van deze beugel en daarmee niet is voldaan aan de vereiste betrouwbaarheid. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden gaat de rechtbank ervan uit dat de daders die te zien zijn op de scooter in de [adres 4] en ter hoogte van [naam 3] een handgranaat tot ontploffing hebben gebracht dezelfde personen zijn die kort daarvoor op de [adres 3] ter hoogte van [naam coffeeshop] ook al een handgranaat tot ontploffing hebben gebracht. De rechtbank acht het daarom niet noodzakelijk om mogelijk DNA-materiaal op de in de [adres 4] aangetroffen beugel te gebruiken voor bewijs.

Is [verdachte] de bijrijder van de scooter die betrokken is bij de explosies in de [adres 3] en de [adres 4] op 17 mei 2018?

Vaststaande feiten

Op grond van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de op 12 juni 2018 in de auto aangetroffen sporttas, waarin zich onder andere vuurwapens, een handgranaat en een masker bevonden, op basis van specifieke overeenkomende details gelijkenissen vertoont met de tas die op de camerabeelden van 17 mei 2018 te zien is. [verdachte] heeft ter zitting verklaard dat de op 12 juni 2018 aangetroffen sporttas van hemzelf was.28Ook is vast komen te staan dat de gewijzigde loop en kolf van het aangetroffen jachtgeweer met een afgekorte loop opvallende overeenkomsten vertonen met het langwerpige voorwerp dat op de camerabeelden van 17 mei 2018 te zien is. Daarnaast is op het jachtgeweer zowel een handpalmafdruk als DNA-materiaal van [verdachte] aangetroffen.

Uit de beelden, die door de rechtbank ter terechtzitting zijn vertoond, heeft de rechtbank geconstateerd dat de persoon op de camerabeelden een masker/monddoek draagt met daarop een afbeelding van een skeletkaak, waarbij tanden zichtbaar zijn.29 In de sporttas werd een masker met daarop eveneens een afbeelding van een skeletkaak met tanden aangetroffen. Aan de binnenkant van dit masker is DNA-materiaal van [verdachte] aangetroffen.

Op grond van deze voor de rechtbank vaststaande feiten zou de conclusie getrokken kunnen worden dat [verdachte] degene was die achterop de scooter zat en die de handgranaten tot ontploffing heeft gebracht.

Alternatief scenario

Ter terechtzitting heeft de verdediging een alternatief scenario naar voren gebracht. Aangevoerd is dat het aantreffen van het DNA van [verdachte] op de (onderdelen van) handgranaten, het jachtgeweer en het masker onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van een daderspoor. Het betreffen immers verplaatsbare objecten en daarnaast bevond zich ook DNA van anderen op voornoemde objecten. Daar komt bij dat [verdachte] een verklaring heeft afgelegd over hoe het kan dat zijn DNA op de handgranaten, het jachtgeweer en het masker terecht is gekomen. Zo heeft hij verklaard dat hij in opdracht van anderen, van wie hij de namen niet wil noemen, meerdere malen een tas met wapens heeft bewaard en vervoerd, zo ook op 12 juni 2018. Hij kreeg die wapens vaak in een tas geleverd, waarna hij vervolgens de wapens in een andere tas moest stoppen. Als tegenprestatie kreeg hij per keer een vergoeding van een paar honderd euro. [verdachte] heeft ter zitting over het aantreffen van zijn DNA in het masker verklaard dat hij tijdens seks weleens een masker draagt. Overigens bevonden zich meerdere spullen van hem in de tas (zoals een handdoek), wat de aanwezigheid van zijn DNA ook kan verklaren. Tot slot is het tijdsverloop tussen het aantreffen van de sporttas en het incident dat op 17 mei 2018 heeft plaatsgevonden relatief groot.

Beoordeling van de rechtbank

De rechtbank hecht geen geloof aan het door [verdachte] geschetste alternatieve scenario. De rechtbank neemt daarbij allereerst de omstandigheid in aanmerking dat het alternatieve scenario pas in een zeer laat stadium naar voren is gebracht, te weten voor het eerst op 2 juli 2019 door middel van een op schrift gestelde verklaring, terwijl er vanuit het perspectief van [verdachte] alle aanleiding was geweest om die verklaring al direct bij de politie, dan wel bij de rechter-commissaris af te leggen. Hij werd immers al bij zijn politieverhoren vorig jaar en tijdens het verhoor inbewaringstelling geconfronteerd met de bovenstaande (voor hem belastende) feiten en omstandigheden en daarmee zijn mogelijke betrokkenheid bij de explosies. Hij heeft het alternatieve scenario pas aangevoerd nadat het gehele dossier, inclusief het forensisch technisch onderzoek, gereed was en heeft aldus de gelegenheid gehad om zijn verklaring daarop af te stemmen. Daarnaast is het geschetste alternatieve scenario onvoldoende concreet en niet verifieerbaar.

De rechtbank is van oordeel dat het aantreffen van het DNA van [verdachte] op de ontplofte handgranaat, het jachtgeweer en aan de binnenkant van het masker niet zonder meer betekent dat sprake is van een daderspoor. Het gaat immers om verplaatsbare objecten en op de ter terechtzitting getoonde camerabeelden is te zien dat de bijrijder handschoenen draagt. Deze omstandigheid zou op zichzelf dan ook onvoldoende redengevend zijn om [verdachte] voor het laten ontploffen van twee handgranaten op 17 mei 2018 verantwoordelijk te houden. Dat de rechtbank [verdachte] hier evenwel toch verantwoordelijk voor houdt, is dan ook gelegen in de combinatie van zijn op de handgranaat aangetroffen DNA met de overige relevante feiten en omstandigheden. De rechtbank overweegt hiertoe, resumerend, als volgt.

In een auto die op 12 juni 2018 door [verdachte] werd bestuurd, werd in zijn grijze sporttas - die aanzienlijke overeenkomsten vertoont met de door de bijrijder van de scooter op 17 mei 2018 gebruikte sporttas - een specifieke, opvallende combinatie van goederen aangetroffen: een verkort jachtgeweer, een handgranaat en een masker met daarop de afbeelding van een skeletkaak. Op al deze goederen is DNA-materiaal van [verdachte] aangetroffen, terwijl (gelet op de camerabeelden van 17 mei 2018) juist deze specifieke combinatie van overeenkomstige goederen door de bijrijder op 17 mei 2018 werd gebruikt. Gelet op al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] als de bijrijder van de scooter tot tweemaal toe een handgranaat tot ontploffing heeft gebracht op 17 mei 2018.

Is sprake van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichtelijk letsel voor een ander te duchten geweest?

Door de verdediging is aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat als gevolg van de explosies zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar voor personen te duchten was. Of en in hoeverre die explosies gevaar voor anderen met zich hebben gebracht, is namelijk niet duidelijk geworden. Het enkele feit dat een voorbijganger bij de explosie licht gewond is geraakt, maakt nog niet dat levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel te duchten was.

Anders dan de raadsman, acht de rechtbank naast het gemeen gevaar voor goederen ook het tenlastegelegde levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander bewezen. Het is een feit van algemene bekendheid dat de ontploffing van een handgranaat een zodanige kracht heeft dat gemakkelijk ernstig letsel of zelfs de dood tot gevolg kan hebben, dit geldt te meer indien dit plaatsvindt in het centrum van een drukbevolkte stad zoals Delft.

In het onderhavige geval is ook een voetganger daadwerkelijk gewond geraakt in zijn gezicht doordat een uit de handgranaat afkomstig kogeltje in zijn gezicht is geschoten. Dat de ontploffingen niet tot erger letsel hebben geleid, is zeker niet aan [verdachte] te danken geweest.

Conclusie

Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat [verdachte] op 17 mei 2018 samen met een ander tot tweemaal toe een handgranaat heeft laten ontploffen, een bij [naam coffeeshop] en de ander bij coffeeshop [naam 3] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.

3.4.2

Feiten 3 en 4 (het bezit van (vuur)wapens in Noordwijk)

[verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij ten tijde van zijn aanhouding de enige was die de beschikking had over de grijze tas waarin diverse vuurwapens en een handgranaat werden aangetroffen. Datzelfde geldt ook voor het vuurwapen dat onder de bestuurdersstoel werd aangetroffen.30 Gelet op deze bekennende verklaring en de onder 3.1 vaststaande feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat de bij dagvaarding I onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten (kort gezegd: het bezit van (vuur)wapens) wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, met uitzondering van het onklaar gemaakte pistool (merk Glock). Uit onderzoek is immers gebleken dat dit pistool niet geschikt is voor het afvuren van munitie waardoor, gelet op hetgeen ten laste is gelegd, niet (meer) van een vuurwapen in bedoelde zin van de WWM kan worden gesproken. Nu de rechtbank in de strafzaak tegen [medeverdachte] heeft geoordeeld dat [medeverdachte] eveneens wetenschap heeft gehad van het semiautomatisch vuurwapen (merk Zastava ['''] ) kan het tenlastegelegde medeplegen ten aanzien van dit wapen worden bewezen.

ten aanzien van dagvaarding II

3.4.3

Feit 1 (het bezit van een handgranaat in Rijswijk)

De verdediging heeft betoogd dat niet kan worden bewezen dat [verdachte] de handgranaat in de woning aan het [adres 2] 294 in Rijswijk voorhanden heeft gehad, zodat vrijspraak van dit feit dient te volgen. [verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij deze granaat heeft aangeraakt of gezien. Daar komt bij dat niet alleen DNA van hem is aangetroffen op de handgranaat, maar ook DNA van een ander persoon.

De rechtbank constateert dat op de handgranaat DNA-materiaal van [verdachte] is aangetroffen waarvoor hij geen aannemelijke verklaring heeft gegeven. Op grond hiervan en op grond van het feit dat de handgranaat is aangetroffen in de woning waar [verdachte] al enige tijd verbleef en waar hij op 12 juni 2018 nog door het observatieteam van de politie is waargenomen, komt de rechtbank tot de conclusie dat hij degene is geweest die de handgranaat op 12 juni 2018 in de woning voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen. Niet bewezen kan worden dat [verdachte] de handgranaat samen met een ander in zijn bezit heeft gehad, zodat hij moet worden vrijgesproken van het ‘medeplegen’.

3.4.4

Vrijspraak feit 2

Op 16 mei 2018 heeft [naam 1] aangifte gedaan van verduistering van zijn auto. Hij is eigenaar van een personenauto, merk Audi A6, Avant, kleur blauw, [kenteken] . Deze Audi heeft hij op 20 april 2018 via Snappcar verhuurd aan een persoon die opgaf te zijn genaamd [naam 4] met [telefoonnummer] . [naam 4] had hem de voorzijde van een rijbewijs getoond met daarop zijn foto. De Audi is op 20 april 2018 om 18.20 uur opgehaald en zou op zaterdag 21 april 2018 omstreeks 14.30 uur worden teruggebracht. Na telefonisch contact met de huurder bleek dat de Audi stuk was gegaan en naar een garage was versleept. Na twee weken ontdekte [naam 1] dat het kentekenbewijs deel I en II niet meer in de auto lagen.

Het [telefoonnummer] en het [rekeningnummer] die gebruikt werden bij het huren van de auto bij [naam 1] bleken beide op naam te staan van: [naam 5] [vriendin] .

Op 16 mei 2018 deed [onderzoeker] bij [naam bv] en gemachtigd door [naam bedrijf] te Zwolle, aangifte van verduistering van een Peugeot 208, [kenteken] door [vriendin] en [naam 4] . Op 21 april 2018 is tussen hen en [naam bedrijf] een huurovereenkomst gesloten. De Peugeot 208 zou op 23 april 2018 weer worden ingeleverd, hetgeen niet is gebeurd. Het voertuig was voorzien van track & trace maar zo goed als zeker is dit systeem ontkoppeld omdat al geruime tijd [adres 9] te Leidschendam de laatst gepeilde locatie is.

In de woning Mr. [adres 2] 294 te Rijswijk hadden [verdachte] en [vriendin] de zolderkamer in gebruik als slaapkamer. Bij de doorzoeking van de woning werden op de zolder aangetroffen de huurovereenkomst en het instructieboekje van de Peugeot [kenteken] .

Op 14 juni 2018 werd vanuit de in beslag genomen Suzuki alto een VILOC GPS tracker in beslag genomen.

[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de Audi en Peugeot heeft gehuurd en dat hij daarbij gebruik heeft gemaakt van het rijbewijs van [naam 5] omdat hij zelf niet over een rijbewijs beschikte. Het kentekenbewijs van de Audi is uiteindelijk teruggeven en over de Viloc GPS-tracker en het instructieboekje kan hij zich niets herinneren.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit omdat [verdachte] voornoemde goederen juist onder zich had gekregen door een misdrijf.

De rechtbank stelt vast dat [verdachte] bij het huren van beide auto’s gebruik heeft gemaakt van een rijbewijs van iemand anders en dat hij daarbij niet zijn eigen telefoonnummer heeft achtergelaten. Gelet op het feit dat [verdachte] niet zelf over een rijbewijs beschikte had hij, indien hij onder zijn eigen naam had willen huren, de auto’s niet meegekregen van de aangevers. Door deze handelwijze heeft hij aangevers bewogen tot de afgifte van de goederen die zij, bij een juiste voorstelling van zaken, niet zouden hebben meegegeven. Dat zou te kwalificeren zijn als oplichting. Nu ten laste is gelegd dat [verdachte] de goederen onder zich heeft gekregen anders dan door misdrijf kan dat bestanddeel van de tenlastelegging niet bewezen worden verklaard, zodat vrijspraak dient te volgen.

ten aanzien van dagvaarding III

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, kan worden volstaan, omdat [verdachte] het hierna bewezenverklaarde heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit.

De rechtbank heeft acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, ZD Bondy, p. 1-4;

- het proces-verbaal van het Team Forensische Opsporing, Wapens, Munitie en Explosieven, ZD Bondy, p. 113-115;

- de bekennende verklaring van [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting van 10 oktober 2019.

De rechtbank komt tot de slotsom dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie (zes kogelpatronen), zoals hierna bewezen verklaard.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

ten aanzien van dagvaarding I (09/857131-18)

1.

hij op 17 mei 2018 te Delft, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door meermalen,

- een pin uit een handgranaat te trekken en

- vervolgens die handgranaat tegen de gevel van een pand gelegen aan de [adres 3] en de [adres 4] te gooien of te leggen, terwijl daarvan telkens

- gemeen gevaar voor dat pand en in dat pand aanwezige goederen en omliggende panden en de inboedel/inrichting van omliggende panden, en

- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen die zich bevonden in dat pand en in omliggende panden en op straat;

2.

hij op 17 mei 2018 te Delft, tezamen en in vereniging met een ander, twee wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van een ontploffing, namelijk handgranaten, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 12 juni 2018 te Noordwijk, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van een ontploffing, namelijk een handgranaat, voorhanden heeft gehad;

4.

hij op 12 juni 2018 te Noordwijk, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie, te weten

- een semi automatisch pistool (merk Zastava, model M57, kaliber 7,62 mm) voorhanden heeft gehad,

en

hij op 12 juni 2018 te Noordwijk een wapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, categorie II sub 3 van de Wet wapens en munitie, te weten

- een gewijzigd (ingekort) vuurwapen (merk onbekend, model onbekend, kaliber 16) voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van dagvaarding II (09/837394-18)

1.

hij op 12 juni 2018 te Rijswijk, in een woning gelegen [adres 2] , een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van een ontploffing, namelijk een handgranaat, voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van dagvaarding III (09/765006-19)

hij op 20 maart 2018 te Den Haag een wapen van categorie III, te weten een revolver (merk Zastava, model 357 Magnum) en munitie van categorie III, te weten vijf kogelpatronen (merk Sellier & Bellot, kaliber .38 Special) en een kogelpatroon (merk Lapua, kaliber .38 Special) voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, overeenkomstig zijn pleitnota, op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde straf disproportioneel is. Een gedegen onderzoek naar strafopleggingen in soortgelijke zaken als de onderhavige is immers uitgebleven, aldus de raadsman. De officier van justitie heeft met betrekking tot het formuleren van zijn strafeis slechts één vonnis (van de rechtbank Amsterdam) als uitgangspunt genomen. Wat de verdediging betreft kan één enkel vonnis niet dienen als richtsnoer in een andere zaak. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de omstandigheid dat niemand zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur ervan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De ernst van de feiten

De stad Delft is in 2018 opgeschrikt door schietincidenten met gebruik van automatische vuurwapens en door het ontploffen van handgranaten; dit bij coffeeshops en ook bij verschillende andere bedrijven. Er hebben zich maar liefst zeven van dit soort incidenten voorgedaan. Vermoedelijk is sprake van een methode waarmee criminelen anderen onder druk zetten. Het is uitermate zorgwekkend dat vuurwapens en oorlogswapens als handgranaten op deze wijze in een dichtbevolkte stad worden ingezet.

Ook in deze zaak lijken handgranaten als pressiemiddel te worden ingezet. De verdachte is daarbij zover gegaan dat hij samen met een ander tot tweemaal toe een handgranaat heeft laten ontploffen in het centrum van Delft. Een bij [naam coffeeshop] en een bij [naam 3] . Hierdoor is direct gevaar toegebracht aan omwonenden en mogelijke voorbijgangers, waarbij personen dodelijk letsel hadden kunnen oplopen of zwaar gewond hadden kunnen raken. Een voorbijganger is ook daadwerkelijk gewond geraakt. Een uit de handgranaat afkomstig kogeltje is in zijn wang geschoten, met alle gevolgen van dien. Ook is door de ontploffingen grote materiele schade toegebracht aan de verschillende in de buurt staande panden en zelfs een krater op de openbare weg ontstaan.

De verdachte heeft hiermee op indringende wijze inbreuk gemaakt op de gevoelens van veiligheid in de stad Delft, maar zeker ook in de gehele samenleving. Hier komt bij dat de verdachte een aantal weken na de aanslagen samen met een ander in een auto reed, met in die auto een semiautomatisch vuurwapen, een ingekort jachtgeweer en wederom een handgranaat. Ook bij de verdachte thuis werd de dag erna een handgranaat aangetroffen. Ook twee maanden voor de aanslag reed de verdachte met een geladen vuurwapen in de auto rond. Het behoeft geen betoog dat het voorhanden hebben van vuurwapens, zeker op de openbare weg, tot levensbedreigende situaties en ontwrichting van de maatschappij kan leiden.

De persoon van de verdachte

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met het strafblad van de verdachte waarop te zien is dat hij in 2002 vanwege een drievoudige moord is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 jaar en TBS. De verdachte verbleef sinds 2016 weer in vrijheid.

Uit de psychiatrische rapportage van 16 september 2018 opgemaakt en ondertekend door K. Foeken, psychiater, en de psychologische rapportage van 3 september 2018 opgemaakt en ondertekend door T.’t Hoen, GZ-psycholoog, blijkt dat de verdachte iedere medewerking aan de onderzoeken heeft geweigerd.

De rechtbank heeft kennis genomen van het reclasseringsadvies d.d. 27 september 2018 opgemaakt en ondertekend door [naam 6] van GGZ ERW Novadic-Kentron. De reclassering is van mening dat, kijkend naar de historie van de verdachte, het gebruik van middelen in combinatie met een weinig gestructureerde leefwijze kan leiden tot risicovolle situaties waarbij terugval in delict gedrag niet valt uit te sluiten. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld evenals het risico op letselschade. Nu de verdachte medewerking aan de Pro Justitia rapportages heeft geweigerd en de reclassering geen zicht heeft op een structurele diagnose waarop mogelijke interventies ingezet zouden kunnen worden, is het advies de verdachte een vrijheidsstraf op te leggen.

De op te leggen straf

De aard en ernst van de gepleegde feiten vragen om een langdurige gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank onder meer aansluiting gezocht bij andere zaken waarin sprake was van het tot ontploffing brengen van een handgranaat. In dit geval gaat het om het laten ontploffen van twee handgranaten en is er tevens sprake van wapenbezit in de vorm van twee handgranaten (op 12 juni 2018), een semi automatisch vuurwapen (op 12 juni 2018), een revolver (op 20 maart 2018) en een ingekort jachtgeweer (op 12 juni 2018). Voor het laten ontploffen van twee handgranaten onder de hierboven geschetste omstandigheden is een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar op zijn plaats. Het bezit van een wapen wordt minimaal bestraft met een gevangenisstraf voor de duur van een half jaar, terwijl het hier vijf wapens betreft.

Gelet hierop en gelet op al het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar passend en geboden is.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen

7.1

Inleiding

[naam 7]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 17.967,-. Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade voor een bedrag van € 3.077,- bestaande uit de posten:

- ruit schade ad € 1.209,-

- kozijn/deuren ad € 368,-

- begroting herstel schade op 1e etage ad € 1500,-

en uit immateriële schade voor een bedrag van € 14.890,-.

[naam 8]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van (€ 4.528,39 - € 1.476,45 = ) € 3.051,94 aan materiële schade, bestaande uit de posten:

- schilderwerk houten kozijnen ad € 1.564,44;

- zonnescherm ad € 987,50;

- reclameverwering ad € 900,-

- eigen risico (verzekering) ad € 250,-

- reparatiekosten glas ad € 826,45,-.

Uit de ingediende vordering blijkt dat een bedrag van € 1.476,45 reeds is vergoed door de verzekeringsinstantie Nationale Nederlanden.

[naam 9]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van (€ 8.323,90 - € 2.010,90 =) € 6.313,- aan materiële schade, bestaande uit de posten:

- 2 x raambelettering ad € 685,-

- zonwering ad € 2.178,-

- ruiten ad € 2.010,90

- schilderwerk etc ad € 3.450,-

Uit de ingediende vordering blijkt dat een bedrag van € 2.010,90 reeds is vergoed door de verzekering.

[naam 1]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 3.747,51 aan materiële schade, bestaande uit de posten:

- nieuwe kentekenpapieren bij RDW ad € 31,50;

- vervanging krukaspoelie incl. Multisnaar ad 586,10

- reparatie koppeling en massavliegwiel ad € 1.972,91

- 12 dagen geen auto tot zijn beschikking ad € 307,-

- ruim 20 uur besteedt aan problemen ad € 850,-.

De benadeelde partijen hebben ten aanzien van de toegewezen vorderingen tot schadevergoeding telkens verzocht de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente op te leggen.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] , voor zover deze betrekking hebben op de gevorderde materiële schade, moeten worden toegewezen, met dien verstande dat de schadepost ‘inkomstenderving’ ad € 14.890,- (betrekking hebbend op de vordering benadeelde partij [naam 7] ) moet worden afgewezen wegens het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing.

Voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij [naam 1] acht de officier van justitie op gronden van billijkheid een bedrag van € 200,-, betrekking hebbend op de schadepost ‘ruim 20 uur besteedt aan problemen’, toewijsbaar, nu deze schade kan worden aangemerkt als rechtstreekse schade.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen, omdat uit de vorderingen niet blijkt dat de rechtspersonen eigenaren zijn van de panden waaraan schade zou zijn toegebracht. Een nadere onderbouwing zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Voorts, in het geval de vorderingen ontvankelijk worden geacht, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat voornoemde vorderingen met betrekking tot de materiële schadeposten dienen te worden afgewezen, nu deze posten onvoldoende met stukken zijn onderbouwd en geconcretiseerd.

Voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij [naam 1] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze moet worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat geen sprake is van rechtstreekse schade en de gevraagde schade bovendien grotendeels is vergoed.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

[naam 7] , [naam 8] en [naam 9]

De rechtbank zal de benadeelde partijen [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen tot schadevergoeding, omdat de vorderingen niet voldoende zijn onderbouwd. Met name is niet gebleken dat de rechtspersonen eigenaren zijn van de panden waaraan schade is toegebracht. Dat maakt dat niet kan worden vastgesteld of de benadeelde partijen daadwerkelijk schade hebben geleden als gevolg van het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde feit. Een nadere onderbouwing zou naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

[naam 1]

De rechtbank zal de benadeelde partij [naam 1] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte ten aanzien van het bij dagvaarding II onder 2 tenlastegelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.

8 Beslag

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat alle op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht) genummerde voorwerpen 1 tot en met 28 zullen worden onttrokken aan het verkeer.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot het beslag geen standpunt ingenomen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 tot en met 28 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang of de wet.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 36 b, 36c, 36d, 47, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding II met parketnummer 09/837394-18 onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I met parketnummer 09857131-18 onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten, het bij dagvaarding II met parketnummer 09/837394-18 onder 1 tenlastegelegde feit en het bij dagvaarding III met parketnummer 09/765006-19 tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I

Feit 1:

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd;

Feit 2:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd;

Feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

Feit 4:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

ten aanzien van dagvaarding II

Feit 1:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

ten aanzien van dagvaarding III

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

de vordering van de benadeelde partij [naam 7]

bepaalt dat de benadeelde partij [naam 7] niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

de vordering van de benadeelde partij [naam 8]

bepaalt dat de benadeelde partij [naam 8] niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

de vordering van de benadeelde partij [naam 9]

bepaalt dat de benadeelde partij [naam 9] niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

de vordering van de benadeelde partij [naam 1]

bepaalt dat de benadeelde partij [naam 1] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

beslag

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1 tot en met 28 genummerde voorwerpen, zoals genoemd in bijlage II.

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.F.H. van Eijk, voorzitter,

mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, rechter,

mr. A.P. Sno, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. van den Hoek, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 oktober 2019.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

ten aanzien van dagvaarding I (09/857131-18)

1.

hij op of omstreeks 17 mei 2018 te Delft, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door meermalen, althans eenmaal,

- een pin uit een handgranaat te trekken, althans het ontstekingsmechanisme van een handgranaat te activeren, en/of

- ( vervolgens) die handgranaat op/tegen de gevel van een pand gelegen in/aan de [adres 3] en/of de [adres 4] te gooien en/of te leggen, terwijl daarvan (telkens)

- gemeen gevaar voor dat pand en/of in dat pand aanwezige goederen en/of een of meer omliggende panden en/of de inboedel/inrichting van een of meer omliggende panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) perso(o)n(en) die zich bevonden in dat pand en/of in omliggende pand(en) en/of op straat, althans in de directe nabijheid van die ontploffing, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 17 mei 2018 te Delft, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee, althans een of meer wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van een ontploffing, namelijk (een) handgrana(a)t(en), voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 12 juni 2018 te Noordwijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van een ontploffing, namelijk een handgranaat, voorhanden heeft gehad;

4.

hij op of omstreeks 12 juni 2018 te Noordwijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, drie, althans een of meer, wapen(s) in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III sub 1 en sub 3 van de Wet wapens en munitie, te weten

- een semi automatisch pistool (merk Glock, model 17, kaliber 9x19mm) en/of

- een semi automatisch pistool (merk Zastava, model ['''] , kaliber 7,62 mm) en/of

- een gewijzigd (ingekort) vuurwapen (merk onbekend, model onbekend, kaliber 16) voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van dagvaarding II (09/837394-18)

1.

hij op of omstreeks 12 juni 2018 te Rijswijk, (in een woning gelegen [adres 2] ), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van een ontploffing, namelijk een handgranaat, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 april 2018 tot en met 25 oktober 2018 te Den Haag en/of Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk

- een (personen)auto (merk Audi, [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] en/of Snappcar, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of

- een (personen)auto (merk Peugeot, [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of

- een GPS-tracker en/of instructieboekje (behorende bij de (personen)auto, merk Peugeot, [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of

- een kentekenbewijs (deel I en/of deel II), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf onder zich had(den), te weten als gebruiker(s) en/of huurder(s), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

ten aanzien van dagvaarding III (09/765006-19)

hij op of omstreeks 20 maart 2018 te Den Haag, in elk geval in Nederland, een of meer wapens van categorie III, te weten een revolver (merk Zastava, model ['''] Magnum) en/of munitie van categorie III, te weten vijf kogelpatronen (merk Sellier & Bellot, kaliber .38 Special) en een kogelpatroon (merk Lapua, kaliber .38 Special), voorhanden heeft gehad.

Bijlage II

Beslaglijst

1. 37.00 STK Patroon Tokarev 7.62 x25

2. 5.00 STK Patroon FN hagel

3. 1.00 STK Munitie patroon 7.62 x 39

4. 1.00 STK Geweer - Afgezaagd dubbelloops hagelgeweer

5. 1.00 STK Pistool GLOCK 17

6. 1.00 STK Pistool ZASTAVA M57

7. 8.00 STK Patroon S&B 7.62

8. 1.00 STK Tas SPORTTAS

9. 1.00 STK Vest KOGELWEREND

10. 1.00 STK Wapen BOKSBEUGEL

11. 4.00 STK Medicijn KAMAGRA KRG100 4 pillen

12. 1.00 PR Schoenen K1: wit/blauw ASICS

13. 1.00 STK Masker K1: zwart

14 1.00 STK Masker K1: zwart

15. 1.00 STK Tas K1: groen

16. 1.00 STK Tas K1: zwart schouder

17. Geld Euro - 0,29 euro, IBG 26-06-2018 (G2016286)

18. 1.00 STK Zak K1: geel - gele papieren zak

19. 1.00 STK Mediaspeler K1: zwart, NIKKEI MP3 speler

20. 1.00 STK Sok K1: zwart

21. 1.00 STK Handschoenen K1: zwart

22. 1.00 STK Tas - transparante verpakking met opgevouwen bag

23. 5.00 STK Handschoenen

24. 1.00 STK Boxbeugel

25. 4.00 STK Handschoen K1: zwart

26. 1.00 STK Telefoontoestel APPLE Iphone 5

27. 1.00 STK Telefoontoestel APPLE Iphonw

28. 1.00 STK Lamp hand

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van zaaksdossier 17 mei 2018 (hierna: ZD 17 mei 2018), met bijlagen (doorgenummerd 1 t/m 1795), zaaksdossier Noordwijk (hierna: ZD Noordwijk), met bijlagen (doorgenummerd 1 t/m 838), zaaksdossier [adres 2] (hierna: ZD [adres 2] ), met bijlagen (doorgenummerd 1 t/m 662), zaaksdossier Bondy (hierna: ZD Bondy), met bijlagen (doorgenummerd 1 t/m 161), met het onderzoeksnummer DH5R018033 / Rio Grande, van de politie eenheid Den Haag, district Westland-Delft.

2 Proces-verbaal van bevindingen [naam coffeeshop] , ZD 17 mei 2018, p. 4-5.

3 Proces-verbaal van bevindingen [naam 3] , ZD 17 mei 2018, p. 1-3.

4 Proces-verbaal van verhoor aangever [aangever] , ZD 17 mei 2018, p. 530-537.

5 Proces-verbaal Sporenonderzoek, ZD 17 mei 2018, p. 8-10.

6 Proces-verbaal van bevindingen camerabeelden delict, ZD 17 mei 2018, p. 224-228.

7 Proces-verbaal masker zichtbaar op beelden [naam coffeeshop] , ZD 17 mei 2018, p. 511.

8 Proces-verbaal van bevindingen camerabeelden delict, ZD 17 mei 2018, p. 228-229.

9 Proces-verbaal van Sporenonderzoek, ZD 17 mei 2018, p. 8-10.

10 Idem., p. 73-75.

11 NFI-rapport van 18 mei 2018, ZD 17 mei 2018, p. 134-137.

12 Proces-verbaal van observatie d.d. 12 juni 2018, ZD Noordwijk, p. 1-4.

13 Proces-verbaal van bevindingen, ZD Noordwijk, p. 5-6.

14 Proces-verbaal van bevindingen, ZD Noordwijk, p. 5-9.

15 Proces-verbaal Team Forensische Opsporing Wapens, Munitie en Explosieven, ZD Noordwijk, p. 66-68; proces-verbaal Team Forensische Opsporing Wapens, Munitie en Explosieven, ZD Noordwijk, p. 74-75.

16 Idem., p. 72-73.

17 Idem., p. 64-65.

18 NFI-rapport van 3 augustus 2018, ZD Noordwijk, p. 102-107.

19 Rapport resultaat onderzoek dactyloscopische sporen, ZD Noordwijk, p. 134-140.

20 NFI-rapport van 27 juli 2018, ZD Noordwijk, p. 143-147.

21 NFI-rapport van 30 augustus 2018, ZD Noordwijk, p. 110-113.

22 NFI-rapport van 22 februari 2019, ZD 17 mei 2018, p. 1738-1740.

23 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres 2] , p. 1-4.

24 Proces-verbaal van het Team Forensische Opsporing, Wapens, Munitie en Explosieven, ZD [adres 2] , p. 35-36.

25 NFI-rapport van 7 augustus 2018, ZD [adres 2] , p. 37-42.

26 NFI-rapport van 30 augustus 2018, ZD [adres 2] , p. 69-76.

27 Proces-verbaal van bevindingen Schouw, ZD 17 mei 2018, p. 172-185.

28 Verklaring van [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting van 10 oktober 2019.

29 Eigen waarneming van de rechtbank, ter terechtzitting van 10 oktober 2019.

30 Verklaring van [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting van 10 oktober 2019.