Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:11222

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-10-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
NL19.19324
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Stukken SFH/OSAR. Kwetsbaarheid. Interim measures. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.19324


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Ceylan),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.19325, plaatsgevonden op 27 september 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.

2. Eiser betoogt dat hij vanwege zijn medische problematiek kwetsbaar is en dat verweerder daarom aan de Italiaanse autoriteiten aanvullende garanties moet vragen dat hij na overdracht zal worden geplaatst in een adequate opvangvoorziening. Omdat verweerder dit niet heeft gedaan en ook niet toezegt dit te zullen gaan doen, betoogt eiser dat het besluit onzorgvuldig is.

2.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser medische klachten heeft, waarvoor hij onder behandeling staat. Eiser heeft echter met de door hem overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat hij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, in Italië geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen. Bovendien heeft verweerder in het bestreden besluit toegezegd, in overeenstemming met artikel 32 van de Dublinverordening, relevante informatie over de bijzondere (medische) behoeften van eiser uit te wisselen met de Italiaanse autoriteiten indien eiser hiervoor toestemming geeft, waarmee wordt gewaarborgd dat eiser ook na zijn overdracht de door hem benodigde voorzieningen zal ontvangen. Ook heeft verweerder toegezegd dat de feitelijke overdracht wordt opgeschort indien de Italiaanse autoriteiten verweerder informeren dat zij op dat moment niet aan deze (medische) behoeften kunnen voldoen (p. 14, bestreden besluit). Gelet hierop zijn in het geval van eiser, anders dan voor de vreemdelingen in de zaak Tarakhel, geen aanvullende garanties van de Italiaanse autoriteiten nodig. Het betoog van eiser slaagt daarom niet.

3. Op de zitting heeft eiser een beroep gedaan op een ‘interim measure’ van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 17 september 2019.1 De gemachtigde van eiser heeft toegelicht dat die zaak betrekking heeft op een kwetsbare vreemdeling en dat het EHRM heeft bepaald dat garanties verkregen moeten worden voordat tot overdracht aan Italië kan worden overgegaan. Eiser verzoekt om aanhouding in afwachting van de uitspraak van het EHRM.

3.1.

De rechtbank overweegt dat het EHRM in de interim measure heeft besloten om de overdracht van de betrokkene op te schorten en dat het EHRM vragen aan de Nederlandse autoriteiten heeft gesteld met betrekking tot de overdracht aan Italië en de informatie die in dat verband is uitgewisseld met de Italiaanse autoriteiten.

3.2.

Deze interim measure ziet op een andere zaak en eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij verkeert in omstandigheden waarop de interim measure betrekking heeft. Eiser is een alleenstaande man terwijl aangenomen moet worden dat de interim measure ziet op een zwangere vreemdeling. Eiser betoogt dat het EHRM (voorlopig) heeft geoordeeld over een zaak van een kwetsbare asielzoeker, terwijl hierboven onder 2.1 al is geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zelf dusdanig kwetsbaar is dat een aanvullende garantie van Italië nodig is. In de interim measure is ook nog geen oordeel gegeven over de toelaatbaarheid van overdracht met of zonder aanvullende garanties. Deze interim measure kan daarom in het algemeen niet de conclusie dragen dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat specifiek voor eiser garanties dienen te worden verkregen voordat tot overdracht kan worden overgegaan. De rechtbank wijst het verzoek om aanhouding in afwachting van de uitspraak van het EHRM daarom af.

4. Eiser verwijst naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 7 augustus 2019.2 In deze zaak is de voorlopige voorziening toegewezen aan een zwangere vreemdeling omdat zij een kwetsbaar persoon is zoals bedoeld in de Opvangrichtlijn en in afwachting van vragen die door deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, zijn gesteld aan de UNHCR die ook relevant kunnen zijn voor deze zwangere vreemdeling. Gelet op de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 juni 2019, waarbij vragen zijn gesteld aan de UNHCR, kan bovendien niet langer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.3

4.1.

Omdat de situatie van eiser niet vergelijkbaar is met de situatie van een zwangere vreemdeling en ook niet met de situatie van een gezin met minderjarige kinderen, slaagt het beroep van eiser op de uitspraken van de rechtbank Haarlem en ’s-Hertogenbosch alleen al daarom niet. Eiser heeft immers niet aangetoond vanwege zijn medische situatie kwetsbaar te zijn en ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij in Italië geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen. Het beroep van eiser op deze uitspraken slaagt daarom niet.

4.2.

De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn betoog dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de raad van State (Afdeling) in haar uitspraken van 19 december 2018 en 12 juni 2019 onlangs nog heeft bevestigd, mag verweerder ten aanzien van Italië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan.4 In de uitspraak van 4 juli 2019 van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2019, ook geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Italië uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.5 Het is dus aan eiser om aannemelijk te maken dat ten aanzien van hem een uitzondering moet worden gemaakt. Op de zitting heeft eiser een beroep gedaan op het rapport van de SFH/OSAR van 8 mei 2019 en een artikel van SFH/OSAR van 23 september 2019. Deze stukken van de SFH/OSAR geven geen aanleiding om anders te oordelen dan de Afdeling heeft gedaan omdat hieruit geen wezenlijk ander beeld naar voren komt met betrekking tot de opvangomstandigheden in Italië. In het rapport staat onder meer dat ten aanzien van het verlies van het recht op opvang nog steeds de regels gelden uit het Salvini-decreet, dat wil zeggen, als een persoon zonder melding het centrum verlaat, van een vrijwillig vertrek wordt uitgegaan en die persoon de aanspraak op opvang verliest. In eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 19 december 2018 is al geoordeeld dat het Salvini-decreet niet tot gevolg heeft dat Dublinclaimanten geen opvang meer krijgen. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.M.P. Hermsen, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

1 48397/19.

2 NL19.16061 en NL19.16063.

3 ECLI:NL:RBDHA:2019:6493.

4 ECLI:NL:RVS:2018:4131 en ECLI:NL:RVS:2019:1861.

5 ECLI:NL:RBDHA:2019:6736.