Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:11114

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
23-10-2019
Zaaknummer
C/09/578397 / JE RK 19-1984 en C/09/577401 / JE RK 19-1766
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. Verzoek geschillenregeling. Aanvaardbare termijn is verstreken. Nu het perspectief van de kinderen is bepaald, vormt dat geen beletsel meer voor uitbreiding van de omgang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd & Bopz

Zaaksgegevens I : C/09/578397 / JE RK 19-1984

Zaaksgegevens II : C/09/577401 / JE RK 19-1766

Datum uitspraak : 25 september 2019

Beschikking van de meervoudige kamer

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Geschillenregeling ex artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek

in de zaak naar aanleiding van het op 8 augustus 2019 ingekomen verzoekschrift (I) van:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

en in de zaak naar aanleiding van het op 19 juli 2019 ingekomen verzoekschrift (II) van:

[de vrouw]

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A.A. Tahavol, gevestigd te Rotterdam,

welke betrekking hebben op:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2016 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

zijnde het minderjarige kind van de moeder en:

[de man] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. R.W. de Gruijl, gevestigd te Rotterdam.

De rechtbank merkt ten aanzien van verzoekschrift I als belanghebbenden aan:

  • -

    De vader;

  • -

    De moeder.

De rechtbank merkt ten aanzien van verzoekschrift II als belanghebbenden aan:

  • -

    De vader;

  • -

    De gecertificeerde instelling.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift van de gecertificeerde instelling met bijlagen;

  • -

    het verzoekschrift van de moeder met producties 1-8;

  • -

    het advies van de Raad voor de Kinderbescherming als bedoeld in artikel 1:265j, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek;

  • -

    het verweer op verzoekschrift I met producties 1-14 van de zijde van de moeder, ingekomen op 24 september 2019.

Op 25 september 2019 heeft de meervoudige kamer de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de vader, bijgestaan door waarnemend advocaat mr. L.H.E.M Berendse-de Gruijl;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    [vertegenwoordigers van de GI] namens de gecertificeerde instelling.

De zaak is met instemming van de aanwezigen gelijktijdig behandeld met de inhoud van de verzoekschriften betreffende [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), de halfzus van [minderjarige 1] . De verzoeken zijn gevoegd onder dezelfde zaaknummers.

Na de zitting heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:

- de e-mail van 26 september 2019 met bijlagen van de zijde van de moeder.

Feiten

  • -

    [minderjarige 1] is erkend door de vader.

  • -

    De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .

  • -

    [minderjarige 1] verblijft feitelijk in een gezinshuis.

  • -

    De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 november 2018 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd van 28 november 2018 tot 28 september 2019.

  • -

    De meervoudige kamer in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 februari 2019, welke bij beschikking van 11 juni 2019 is verbeterd, de verleende machtiging om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening verlengd van 28 februari 2019 tot 28 september 2019.

Verzoeken

Ten aanzien van verzoekschrift I

Het verzoek I strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van één jaar, alsmede tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Ten aanzien van verzoekschrift II

Het op de zitting gewijzigde verzoek II strekt primair tot vervallenverklaring van een fictieve schriftelijke aanwijzing en het vaststellen van een zorgregeling. Subsidiair is verzocht dit verzoek te behandelen als een geschil met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Op de zitting heeft de moeder verzoek II ten aanzien van [minderjarige 2] ingetrokken. Na de zitting heeft de moeder een e-mail met bijlagen aan de rechtbank gestuurd waarin staat dat zij verzoek II geheel had gewenst in te trekken.

Behandeling van de verzoeken

Ten aanzien van verzoekschrift I

Aan het verzoek ligt, blijkens de ingebrachte stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, het volgende ten grondslag. Bij [minderjarige 1] is sprake van een ontwikkelingsachterstand op verschillende gebieden en van hechtingsproblematiek. De ontwikkelingsachterstand komt voort uit de spanningsvolle situaties die [minderjarige 1] op jonge leeftijd al heeft meegemaakt. In de thuissituatie bij de ouders is [minderjarige 1] getuige geweest van huiselijk geweld. Nadien heeft hij verschillende overplaatsingen meegemaakt tot hij in oktober 2018 is geplaatst in zijn huidige gezinshuis. Deze gebeurtenissen hebben gezorgd voor een verstoord hechtingsproces. Sinds de plaatsing in het gezinshuis ontwikkelt [minderjarige 1] zich positief. Hij maakt goede stappen in zijn spraak- en taalontwikkeling, zijn motorische achterstand is ingelopen met behulp van fysiotherapie en de hechtingsrelatie met de gezinshuisouders wordt steeds sterker. [minderjarige 1] is nog niet zindelijk en er zijn zorgen over zijn eetgedrag, waarin hij begrensd moet worden. Het is gebleken dat [minderjarige 1] veel baat heeft bij een grote mate van duidelijkheid, voorspelbaarheid en structuur. Als hem dit onvoldoende geboden wordt, dan is hij ontregeld en dit komt tot uiting in zeer opstandig gedrag. De verlenging van de ondertoezichtstelling is noodzakelijk om de huidige hulpverlening te continueren, zodat [minderjarige 1] passende begeleiding krijgt om zijn ontwikkelingsachterstand te verminderen en hij gezond kan opgroeien.

Ten aanzien van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is de gecertificeerde instelling van mening dat het perspectief van [minderjarige 1] niet bij (een van) de ouders ligt. De visie van de gecertificeerde instelling is dat de ouders onvoldoende in staat zijn om [minderjarige 1] te bieden wat hij nodig heeft. Terugplaatsing van [minderjarige 1] bij de moeder is daarom volgens de gecertificeerde instelling niet meer aan de orde. De gecertificeerde instelling is tot deze visie gekomen op basis van de NIFP-rapportage van 31 oktober 2018, de resultaten van de behandeling van de moeder en de eigen ervaringen in de samenwerking met de moeder. Bij de moeder is sprake van psychiatrische problematiek (borderline). Er is informatie opgevraagd bij de behandelend psychiater over het effect van de door de moeder gevolgde dialectische gedragstherapie op de emotionele stabiliteit, emotieregulatie, stressbestendigheid en belastbaarheid van de moeder. Op basis van deze informatie is geconcludeerd dat de behandeling en de afgenomen druk bij de moeder een positief effect hebben gehad. Het is echter onvoldoende duidelijk geworden of haar dagelijks functioneren én haar functioneren onder toenemende druk, als opvoeder van een of twee kinderen, voldoende is verbeterd. Nu [minderjarige 1] een bovengemiddelde opvoeding nodig heeft als het gaat om sensitiviteit, responsiviteit en stabiliteit, is de gecertificeerde instelling van mening dat de moeder niet de nodige zekerheid en absolute (emotionele) stabiliteit kan bieden. De zorgen over de emotionele stabiliteit van de moeder zijn onvoldoende afgenomen, hetgeen blijkt uit de moeizame samenwerking met de moeder waarbij emoties de overhand blijven houden en uit het feit dat zij haar behandeling bij de GGZ op eigen initiatief heeft stopgezet. De gecertificeerde instelling komt tot de conclusie dat de moeder onvoldoende in staat is om binnen een voor [minderjarige 1] aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging te dragen. Derhalve wordt verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De moeder heeft ter zitting aangegeven dat zij de perspectiefbepaling van [minderjarige 1] begrijpt. Zij wil niet forceren dat [minderjarige 1] bij haar wordt teruggeplaatst, maar zij is wel van mening dat het proces tot nu toe anders had kunnen en moeten verlopen. Ten aanzien van haar psychiatrische behandeling heeft zij gesteld dat de behandeling op haar initiatief is afgerond. Zij heeft de behandeling gevolgd zoals werd geadviseerd in door het NIFP, maar zij heeft het een aantal weken eerder afgerond in verband met een wisseling van de behandelaar. Zij ontvangt nu geen (psychiatrische) hulp meer. Namens de moeder heeft de advocaat aangevoerd dat er feitelijk weinig is gebeurd om toe te werken naar terugplaatsing. Nu de moeder voldoende stabiel is, zo blijkt uit de resultaten van de behandeling, en zij voldoet aan de gestelde bodemeisen, zou de mogelijkheid tot terugplaatsing nader moeten worden onderzocht. De moeder verzoekt derhalve om de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen, dan wel voor kortere duur toe te wijzen zodat met een duidelijk plan kan worden toegewerkt naar thuisplaatsing.

De vader heeft zich niet tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling verzet, maar verweer gevoerd tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Volgens de vader ligt het perspectief van [minderjarige 1] bij de moeder. Daarom moet er worden toegewerkt naar terugplaatsing van [minderjarige 1] bij de moeder, met de juiste begeleiding. De moeder en hij hebben meermaals om hulp gevraagd om de opvoedsituatie te verbeteren. Zij staan dus open voor de hulpverlening en begeleiding.

Ten aanzien van verzoekschrift II

Aan het verzoek ligt, blijkens de ingebrachte stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, het volgende ten grondslag. De moeder heeft de gecertificeerde instelling verzocht de omgang tussen haar en [minderjarige 1] uit te breiden en schriftelijk vast te leggen. Dat verzoek heeft de gecertificeerde instelling, volgens de moeder ten onrechte, afgewezen. De moeder voldoet namelijk aan de bodemeisen voor uitbreiding van de omgang.

De gecertificeerde instelling is het er niet mee eens dat de omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] kan worden uitgebreid en dat de moeder voldoet aan de bodemeisen. Bovendien is er geen consensus over het doel en de begeleiding van de omgang, omdat de gecertificeerde instelling van mening is dat terugplaatsing van [minderjarige 1] niet meer aan de orde is. De omgang heeft volgens de gecertificeerde instelling tot doel om de band met de biologische ouder te behouden, en de rol van de moeder als niet zijnde de opvoeder, vorm te geven.

De vader vindt het in het belang van [minderjarige 1] dat de omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] wordt uitgebreid.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank een e-mail met bijlagen van de moeder ontvangen waarin zij aangeeft dat zij een aantal weken voor de zitting bij zowel haar advocaat als de gecertificeerde instelling heeft aangegeven dat zij dit verzoek wilde intrekken.

Beoordeling van de verzoeken

Ten aanzien van verzoekschrift I

De rechtbank is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling te verlengen als verzocht.

Volgens de rechtbank zijn er nog steeds ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] . Als gevolg van de gebeurtenissen in de thuissituatie, de persoonlijke problematiek van de ouders en de wisselingen in verblijfplaats en primaire verzorgers, is er bij [minderjarige 1] sprake van een ontwikkelingsachterstand op meerdere gebieden en een verstoorde gehechtheidsontwikkeling. De rechtbank vindt het van belang dat de gecertificeerde instelling betrokken blijft om zicht te houden op de ontwikkeling van [minderjarige 1] en om te waarborgen dat de huidige hulpverlening wordt voortgezet, dan wel dat andere passende hulpverlening wordt ingezet, zodat [minderjarige 1] zijn achterstand kan inhalen en veilig kan opgroeien.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat voor hem duidelijk wordt waar hij zal opgroeien. Dit zal hem de rust en stabiliteit bieden die hij nodig heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanvaardbare termijn, waarbinnen de ouders in staat worden geacht om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] weer op zich te nemen, verstreken. De terugplaatsing van [minderjarige 1] bij de moeder is daarom niet meer aan de orde. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

[minderjarige 1] is op jonge leeftijd uit huis geplaatst omdat het in de thuissituatie niet goed ging. [minderjarige 1] verblijft nu meer dan twee jaar, het grootste deel van zijn leven, niet meer bij de ouders. De moeder heeft in die periode weliswaar aan zichzelf gewerkt, maar dat zij psychisch voldoende stabiel is, en ook in staat is om te voldoen aan de bovengemiddelde opvoedingsbehoeften van [minderjarige 1] , is niet aannemelijk geworden. [minderjarige 1] verblijft nu bijna een jaar in het gezinshuis en daar ontwikkelt hij zich positief. Op zijn eigen tempo durft hij zijn omgeving te vertrouwen en zich veilig te hechten aan zijn opvoeders. Ook de ontwikkelingsachterstand is op verschillende gebieden verminderd. Gelet op de jonge leeftijd, de ernst van de problematiek en de kwetsbare ontwikkeling van [minderjarige 1] , vindt de rechtbank het van belang dat hij nu de continuïteit en stabiliteit die hij nodig heeft blijft houden. De rechtbank zal daarom het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing toewijzen zoals verzocht.

Ten aanzien van verzoekschrift II

Bij de beoordeling van dit verzoek gaat de rechtbank uit van hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, zijnde de handhaving van het verzoek met betrekking tot de omgang met [minderjarige 1] en de intrekking van het verzoek met betrekking tot [minderjarige 2] . Hiertoe overweegt de rechtbank dat de moeder weliswaar in haar e-mail van 26 september 2019 aangeeft dat zij het verzoek eerder had gewenst in te trekken, doch dat zij dit bij de rechtbank niet (expliciet) heeft gedaan. De advocaat heeft ter zitting namens de moeder aangevoerd dat zij persisteert bij het verzoek met betrekking tot [minderjarige 1] , waarna het verzoek is toegelicht en behandeld.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek niet kan worden behandeld als een verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing, omdat een rechtsgrond daarvoor ontbreekt. De rechtbank zal het verzoek behandelen als een geschil in de uitvoering van de ondertoezichtstelling op grond van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek.

De moeder en de gecertificeerde instelling hebben een geschil over de uitbreiding van de omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] . De omgang is nu wekelijks een half uur per ouder, waarbij de ouders een gezamenlijk opstart- en overgangsmoment hebben. Het geschil komt voort uit de verschillende visie die de moeder en de gecertificeerde instelling hebben

op de uitvoering van de ondertoezichtstelling en het doel van de uithuisplaatsing.

Omdat de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat het perspectief van [minderjarige 1] niet meer bij de moeder maar bij het gezinshuis ligt, kan dit – naar het oordeel van de rechtbank – geen beletsel meer zijn voor uitbreiding van de omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] . Uitgaande van het bij het gezinshuis bepaalde perspectief dient de gecertificeerde instelling verdere stappen te ondernemen om te bepalen hoe de omgang met de moeder kan worden vormgegeven, waarbij het belang van [minderjarige 1] altijd leidend dient te zijn. Het is van belang voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige 1] dat de moeder een rol krijgt in zijn leven. De moeder zal deze ouderrol, niet zijnde de opvoedersrol, moeten accepteren om de band tussen haar en [minderjarige 1] uiteindelijk te versterken.

Daarom zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] van 28 september 2019 tot 28 september 2020 met behoud van de Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland als gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling;

verlengt de aan Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland verleende machtiging om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening van

28 september 2019 tot 28 september 2020, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2019 door mrs. H.J.M. Smid-Verhage, M.F. Baaij en E.C.M. Bouman, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. S.T. Viezee als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 17 oktober 2019.

Tegen de beslissing met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.

Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen de beslissing met betrekking tot het verzoek ex artikel 1:262b BW geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.