Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:11086

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-10-2019
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
C/09/574237 / FA RK 19-3936
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verklaring voor recht dat de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de minderjarige zijn belast. Door Turkse rechter getroffen gezagsmaatregel is niet gebaseerd op één van de in hoofdstuk II van Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. Nu de Turkse rechter op grond van voornoemd Verdrag niet bevoegd was om een gezagsmaatregel te treffen en de door de Turkse rechter getroffen gezagsmaatregel niet in het belang van de minderjarige wordt geoordeeld, erkent de rechtbank de gezagsmaatregel niet. Dit betekent dat het gezamenlijk gezag van de ouders over de minderjarige in stand is gebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 19-3936

Zaaknummer: C/09/574237

Datum beschikking: 23 oktober 2019

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 16 mei 2019 ingekomen verzoek van:

[X] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. H. Polat te ‘s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[Y]

de vader,

wonende te [woonplaats] .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het F9-formulier van 13 juni 2019, met bijlage, van de zijde van de moeder;

  • -

    de instemmingsverklaring van de vader van 27 juni 2019.

De minderjarige [minderjarige] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Op 25 september 2019 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn de vader en namens de Raad voor de Kinderbescherming de heer [medewerker RvdK] verschenen.

De moeder en haar advocaat zijn, hoewel op de juiste wijze opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Na telefonisch contact met de advocaat van de moeder tijdens de zitting, is gebleken dat de advocaat van de moeder een onjuiste zittingsdatum had genoteerd in haar agenda. Na de zitting heeft de rechtbank de advocaat van de moeder medegedeeld dat het niet nodig is om de zitting op een later tijdstip voort te zetten, omdat de vader tijdens de zitting geen verweer heeft gevoerd.

Verzoek

Het verzoekschrift van de moeder strekt ertoe dat de rechtbank:

  • -

    voor recht verklaart dat de ouders gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] belast zijn;

  • -

    bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder wordt vastgesteld;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Blijkens de op 27 juni 2019 overgelegde instemmingverklaring is de vader het eens met het door de moeder verzochte.

Feiten

- De vader en de moeder zijn gehuwd geweest tot 4 december 2018.

- Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] .

- [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vader.

- Blijkens de uittreksels uit het systeem ingevolge de Wet basisregistratie personen heeft de vader de Nederlandse nationaliteit en de moeder de Turkse nationaliteit.

- Bij vonnis van de rechtbank te [plaatsnaam] (Turkije) van [datum] 2018 is de echtscheiding tussen de vader en de moeder uitgesproken en is – voor zover hier van belang – de ouderlijke macht over [minderjarige] aan de vader toegekend. Dit vonnis is volgens gemelde rechtbank op [datum] 2018 onherroepelijk geworden.

Beoordeling

Erkenning Turks echtscheidingsvonnis met nevenvoorzieningen

De eerste vraag die voorligt is of het vonnis van de Turkse rechter van 4 december 2018 voor erkenning in aanmerking komt.

De moeder heeft gesteld dat de beslissingen van de Turkse rechtbank op de nevenvoorzieningen niet voor erkenning vatbaar zijn. De vader heeft hierop geen verweer gevoerd.

De rechtbank overweegt als volgt. Turkije en Nederland zijn beiden partij bij het CIEC-Verdrag van Luxemburg inzake de erkenning van beslissingen betreffende de huwelijksband van 8 september 1967, Trb. 1979, nr. 130 (verder te noemen: het Luxemburgse verdrag). Nu echter uit artikel 13 van dit verdrag blijkt dat het de verdragsluitende partijen vrij staat om gunstigere nationale erkenningsregels te formuleren en toe te passen en de in de artikelen 10:57 en 10:58 van het Burgerlijk Wetboek (BW) neergelegde erkenningsregels soepeler zijn dan dit verdrag, kan met toepassing van die regels worden volstaan. In artikel 10:57 BW is bepaald dat een in het buitenland na een behoorlijke rechtspleging verkregen ontbinding van het huwelijk in Nederland wordt erkend, indien zij tot stand is gekomen door de beslissing van een rechter of andere autoriteit en indien aan de rechter of andere autoriteit rechtsmacht toekwam.

Gebleken is dat de Turkse rechter het huwelijk heeft ontbonden. Gesteld noch gebleken is dat hierbij geen sprake zou zijn geweest van een behoorlijke rechtspleging en nu de moeder de Turkse nationaliteit had en de vader naar de rechtbank aanneemt naast de Nederlandse nationaliteit ook de Turkse nationaliteit had, kwam de Turkse rechter op die grond rechtsmacht toe. Gelet hierop komt de ontbinding van het huwelijk voor erkenning in aanmerking. Uit het verdrag blijkt echter dat het verdrag en ook het bepaalde in artikel 10:57 BW alleen betrekking heeft op de ontbinding van het huwelijk en niet op de bij het vonnis getroffen nevenvoorzieningen, waaronder de voorziening in het gezag over de minderjarige.

In dit geval is, mede gelet op artikel 10:113 BW, op de gezagsvoorziening het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, verder te noemen: het verdrag) van toepassing. Zowel Turkije als Nederland heeft dit verdrag geratificeerd.

Op grond van artikel 23 van dit verdrag worden gezagsmaatregelen genomen door de autoriteiten van een verdragsluitende staat erkend in alle andere verdragsstaten.

De erkenning van de door de autoriteiten van een verdragsluitende staat genomen maatregelen kan worden geweigerd, indien sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van het verdrag. Op grond van onderdeel a van voornoemd artikel kan de erkenning van een maatregel worden geweigerd indien de maatregel is genomen door een autoriteit wiens bevoegdheid niet was gebaseerd op één van de in hoofdstuk II van het verdrag genoemde bevoegdheidsgronden.

Nu de moeder heeft gesteld dat de Turkse rechter niet bevoegd was een gezagsmaatregel te nemen, dient de rechtbank op basis van voormeld artikel te beoordelen of de Turkse rechter hiertoe bevoegd was. Artikel 5 van het verdrag bepaalt dat de rechter van de Verdragsstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft bevoegd is maatregelen te nemen die strekken tot de bescherming van zijn persoon of vermogen. De rechtbank stelt vast dat [minderjarige] sinds zijn geboorte in Nederland woont en dat hij nooit in Turkije heeft gewoond. Gelet hierop had [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats ten tijde van het wijzen van het vonnis door de rechtbank in [plaatsnaam] op [datum] 2018 in Nederland. Op basis hiervan komt de rechtbank tot het oordeel dat de Turkse rechter niet bevoegd was een maatregel omtrent het gezag over [minderjarige] te nemen, omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht toe kwam op basis van artikel 5 van het verdrag. De rechtbank is ook niet gebleken dat de Turkse rechter voorafgaand aan het nemen van de beslissing de Nederlandse autoriteiten heeft verzocht hem te machtigen de bevoegdheid uit te oefenen om de gezagsmaatregel te nemen conform het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van het verdrag. Evenmin is de rechtbank gebleken dat sprake is van een forumkeuze zoals neergelegd in artikel 10 van het verdrag, nu niet is gebleken dat partijen de bevoegdheid van de Turkse rechter om de maatregel omtrent het gezag te nemen hebben aanvaard.

Gelet op het voorgaande is de maatregel over het gezag door de Turkse rechter niet gebaseerd op één van de in hoofdstuk II van het verdrag genoemde bevoegdheidsgronden. De Nederlandse rechter is dan ook niet gehouden de gegeven maatregel over het gezag te erkennen. De rechtbank acht het in de gegeven omstandigheden van belang dat de Nederlandse rechter als rechter van de gewone verblijfplaats van [minderjarige] voorziet in het gezag. Daarnaast acht zij het in het belang van [minderjarige] dat, zoals naar Nederlands recht gebruikelijk, gezamenlijk gezag in beginsel in stand blijft na de echtscheiding. Nu de Turkse rechter op grond van het verdrag niet bevoegd was om een gezagsmaatregel te treffen en de door de Turkse rechter getroffen gezagsmaatregel, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet in het belang van [minderjarige] wordt geoordeeld, zal de rechtbank de gezagsmaatregel niet erkennen. Dit betekent dat het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] in stand is gebleven.

Gezag en hoofdverblijfplaats

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken over het gezag en de hoofdverblijfplaats.

Inhoudelijke beoordeling

Gelet op de instemmingsverklaring van de vader en gegeven het feit dat hij tijdens de zitting geen verweer heeft gevoerd tegen het door de moeder verzochte, zal de rechtbank de verzoeken van de moeder als onweersproken, op de wet gegrond en in het belang van [minderjarige] toewijzen.

Nu tijdens de zitting is gebleken dat de moeder verwacht op korte termijn terug te keren naar Nederland maar op dit moment nog in Turkije verblijft, terwijl [minderjarige] in Nederland woont, zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder bepalen met ingang van de datum waarop de moeder in het systeem ingevolge de Wet basisregistratie personen weer ingeschreven staat in Nederland.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart voor recht dat de vader en de moeder gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats]

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder zal zijn met ingang van de datum waarop de moeder in het systeem ingevolge de Wet basisregistratie personen ingeschreven staat in Nederland;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.T.W. van Ravenstein, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.I. Noordegraaf als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 oktober 2019.