Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:11074

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-10-2019
Datum publicatie
22-10-2019
Zaaknummer
AWB 18/3136
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenrecht: Visum kort verblijf. Verweerder heeft zich onbevoegd verklaard omdat – kort samengevat – toepassing is gegeven aan visumvertegenwoordiging verzoeker niet bij verweerder maar bij de Zwitserse autoriteiten bezwaar moet maken tegen de weigering om een visum kort verblijf te verlenen. Verweerder verwijst hierbij naar de bilaterale regeling tussen Nederland en Zwitserland van 19 september 2014 en in zijn verweerschrift naar het arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2019 (Vethanayagam e.a. tegen Nederland (ECLI:EU:C:2019:627).

Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld en voert aan dat visumvertegenwoordiging, waarbij bezwaar moet worden ingesteld bij de vertegenwoordigende lidstaat, in strijd is het met recht op een effectief rechtsmiddel en het recht op effectieve rechtsbescherming, zoals beschermd in artikel 47 van het Handvest.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2019 volgt dat Zwitserland, als vertegenwoordigende lidstaat, dient te beslissen over het bezwaar van eiseres tegen het besluit tot weigering van een visum. Verder is de bilaterale vertegenwoordigingsregeling tussen Zwitserland en Nederland verenigbaar met het recht op een effectief rechtsmiddel, in tegenstelling tot wat eiseres heeft gesteld. Dit betekent dat de beroepsgrond niet slaagt en het beroep ongegrond is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/3136

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer [nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2018 (het primaire besluit) heeft de Zwitserse ambassade negatief beslist op de aanvraag tot verlening van een visum kort verblijf in Nederland.

Bij besluit van 16 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder zich onbevoegd verklaard om op het bezwaar te beslissen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

2. In deze zaak heeft verweerder zich onbevoegd verklaard omdat - kort samengevat - toepassing is gegeven aan visumvertegenwoordiging verzoeker niet bij verweerder maar bij de Zwitserse autoriteiten bezwaar moet maken tegen de weigering om een visum kort verblijf te verlenen. Verweerder verwijst hierbij naar de bilaterale regeling tussen Nederland en Zwitserland van 19 september 2014 en in zijn verweerschrift naar het arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 20191.

3. De Visumcode biedt in artikel 8 en artikel 32, derde lid, de mogelijkheid om de afgifte van visa onder volledige vertegenwoordigingsbevoegdheid over te dragen aan de vertegenwoordiging van een andere lidstaat, welke bevoegdheid tevens omvat de bevoegdheid om te beslissen in procedures waarin de besluitvorming wordt aangevochten. Uit de bilaterale regeling tussen Nederland en Zwitserland blijkt dat Zwitserland bevoegd is om namens Nederland visumaanvragen te onderzoeken. Verder bevat de bilaterale regeling een machtiging op grond waarvan Zwitserland gemachtigd is om visumaanvragen te weigeren.

Visumvertegenwoordiging

4. Eiseres stelt dat geen grond bestaat voor visumvertegenwoordiging. Visumvertegenwoordiging is slechts mogelijk wanneer een lidstaat in een bepaalde regio geen eigen consulaat heeft om te voorkomen dat visumaanvragers onevenredige moeite moeten doen om toegang te krijgen tot het consulaat. Echter, totdat visumvertegenwoordiging van kracht werd, konden de visumaanvragers in Colombo bij de Nederlandse ambassade terecht, in het Nederlands procederen en kwamen zij in aanmerking voor gefinancierde rechtsbijstand.

4.1.

Zoals onder 3 is overwogen biedt de Visumcode de mogelijkheid tot volledige visumvertegenwoordiging. De Visumcode beperkt deze mogelijkheid niet tot de situatie wanner een lidstaat in een bepaalde regio geen eigen consulaat heeft. De enkele stelling dat de situatie voor visumaanvragers is veranderd na de bilaterale regeling leidt niet tot het oordeel dat in het onderhavige geval geen grond is voor visumvertegenwoordiging. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Recht op een effectieve rechtsbescherming

5. Eiseres voert aan dat visumvertegenwoordiging, waarbij bezwaar moet worden ingesteld bij de vertegenwoordigende lidstaat, in strijd is het met recht op een effectief rechtsmiddel en het recht op effectieve rechtsbescherming, zoals beschermd in artikel 47 van het Handvest.

5.1.

Het Hof van Justitie heeft in het arrest van 29 juli 2019 geoordeeld over de in deze beroepsgrond aan de orde gestelde vraag en voor recht verklaard:

“2) Artikel 8, lid 4, onder d), en artikel 32, lid 3, van verordening nr. 810/2009, zoals

gewijzigd bij verordening (EU) nr. 610/2013, moeten aldus worden uitgelegd dat, wanneer er een bilaterale vertegenwoordigingsregeling is getroffen waarin is bepaald dat de consulaire autoriteiten van de vertegenwoordigende lidstaat bevoegd zijn om de besluiten tot weigering van een visum te nemen, het aan de bevoegde autoriteiten van die lidstaat staat om te beslissen over beroepen tegen een besluit tot weigering van een visum.

3) Een gecombineerde uitlegging van artikel 8, lid 4, onder d), en artikel 32, lid 3, van verordening nr. 810/2009, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 610/2013, op grond waarvan beroep tegen een besluit tot weigering van een visum moet worden ingesteld tegen de vertegenwoordigende staat, is verenigbaar met het fundamentele recht op effectieve rechterlijke bescherming.”

5.2.

Uit dit arrest volgt dat Zwitserland, als vertegenwoordigende lidstaat, dient te beslissen over het bezwaar van eiseres tegen het besluit tot weigering van een visum. Verder is de bilaterale vertegenwoordigingsregeling tussen Zwitserland en Nederland verenigbaar met het recht op een effectief rechtsmiddel, in tegenstelling tot wat eiseres heeft gesteld. Dit betekent dat de beroepsgrond niet slaagt.

Beperkte motivering

6. Daarnaast stelt eiseres dat de beperkte motivering in het primaire besluit een obstakel is voor het uitoefenen van een effectief rechtsmiddel, omdat de aanvrager meestal niet weet op welke gronden hem of haar een visum is geweigerd.

6.1.

Onder 5.2 is overwogen dat de Zwitserland dient te beslissen op het bezwaar. De Nederlandse autoriteiten zijn daartoe niet bevoegd. Verweerder mocht daarom de bezwaren tegen de inhoudelijke beoordeling van de visumaanvraag niet beoordelen. Dat betekent dat ook de rechtbank niet aan een inhoudelijke beoordeling kan toekomen. Eiseres had voor die beoordeling een rechtsmiddel in Zwitserland moeten instellen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.M. van den Assem, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken en bekendgemaakt op 18 oktober 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

1 Vethanayagam e.a. tegen Nederland (ECLI:EU:C:2019:627).