Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:11032

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2019
Datum publicatie
07-11-2019
Zaaknummer
C/09/559371 / HA ZA 18-953
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsfout advocaat bij opstellen echtscheidingsconvenant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/559371 / HA ZA 18-953

Vonnis van 9 oktober 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat: mr. M.M. Klink te Waddinxveen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats 2] ,

gedaagde,

advocaat: mr. R. Kossen te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 augustus 2018, met producties 1 tot en met 20;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;

  • -

    het tussenvonnis van 21 november 2018, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 26 maart 2019.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Bij brief van 2 april 2019 heeft de [gedaagde] om een aantal wijzigingen en aanvullingen van het proces-verbaal verzocht. Bij brief van 5 april 2019 heeft [eiser] hetzelfde gedaan. Het proces-verbaal wordt gelezen met inachtneming van de opmerkingen van partijen.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] drijft een advocatenkantoor in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [handelsnaam gedaagde] . In dienst van dit advocatenkantoor is advocaat [de advocaat] (hierna: [de advocaat] ).

2.2.

[eiser] was in gemeenschap van goederen gehuwd met [A] (hierna: [A] ), tot de ontbinding van dat huwelijk op 21 februari 2014 (zie 2.11). [eiser] en [A] hebben twee minderjarige kinderen.

2.3.

[eiser] en [A] waren gezamenlijk eigenaar van een woning in [plaats 1] (hierna: de woning). De woning was belast met een hypotheek op naam van beide partijen.

2.4.

Een e-mail van 24 augustus 2013 van [eiser] aan [de advocaat] luidt voor zover relevant als volgt:

‘Graag informeer ik bij uw kantoor naar de kosten van de formele juridische afhandeling, het indienen van het verzoekschrift, tbv een echtscheidingsprocedure. Mijn vrouw en ik dragen zelf in overeenstemming zorg voor het echtscheidingsconvenant evenals het ouderschapsplan.’

2.5.

Een e-mail van 26 augustus 2013 van [de advocaat] aan [eiser] luidt onder andere als volgt:

‘Uit Uw e-mailbericht maak ik op dat U en Uw echtgenote voornemens zijn zelf een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan op te stellen en dat jullie een advocaat zoeken voor de formele afhandeling van het echtscheidingsverzoek. Ik ben U en Uw echtgenote graag van dienst.

Ervan uitgaand dat Uw echtgenote en U een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan opstellen en mijn werkzaamheden zien op de formele afhandeling van het echtscheidingsverzoek, kan ik mijn werkzaamheden voor jullie verrichten op basis van een all-in prijs van € 750,00. Daarbij kan ik U en Uw echtgenote ter kennismaking een vrijblijvend gesprek van een half uur aanbieden.’

2.6.

Een e-mail van 30 december 2013 van [eiser] aan [de advocaat] luidt onder andere als volgt:

‘[..] Inmiddels zijn wij op het moment aangekomen dat wij ook daadwerkelijk het verzoek willen indienen. Graag zouden wij van uw diensten gebruik maken.

Ik heb de documenten, het ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant, in de bijlage bijgesloten. Op dit moment ben ik bezig om alle uittreksels en afschriften op te vragen zodat alles compleet is om in te dienen. [..]

2.7.

Het echtscheidingsconvenant dat [eiser] als bijlage bij de hiervoor genoemde

e-mail aan [de advocaat] heeft gestuurd (hierna: het aanvankelijke echtscheidingsconvenant) luidt onder andere als volgt:

‘Artikel 5. Schulden

1. De aanwezige schulden in de vorm van het gezamenlijk afgesloten flexibel krediet ter waarde van € 17.000,00 zoals afgesloten bij de ABN Amro [..], zal worden overgesloten in twee gescheiden leningen op naam van de afzonderlijke partijen. Het totaal van de schulden zal in overleg en naar rato verdeeld worden.

Artikel 6. Echtelijke woning

1. De man zal de echtelijke woning [..] te [plaats 1] blijven bewonen.

2. Daar beide partijen niet financieel bij machte zijn de hypothecaire schulden zelfstandig te dragen zal de echtelijke woning tot aan de verkoop op beide namen blijven staan.

3. De man zal de hypothecaire lasten tot aan de verkoop volledig dragen.

4. [..]

5. De vrouw zal verder worden ontslagen uit bijdragen aan de hypothecaire verplichtingen.

6. De woning [..] zal zo spoedig mogelijk worden verkocht [..].

7. De overwaarde of restschuld zal door partijen naar rato worden gedeeld onder aftrek van eventuele kosten verbonden aan verkoop. [..]

8. De verdeling naar rato zal bij het moment van daadwerkelijke verkoop berekend worden op basis van de op dat moment geldende inkomens van de man en de vrouw.’

2.8.

Op 16 januari 2014 heeft op het kantoor van [de advocaat] een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] , [A] en [de advocaat] .

2.9.

Een brief van 16 januari 2014 van [de advocaat] aan [eiser] en [A] luidt onder andere als volgt:

‘In aansluiting op onze bespreking van hedenochtend bevestig ik U hierbij voor de goede orde nog dat ik U gaarne zal assisteren bij het formaliseren van Uw echtscheiding.

Wij spraken af dat ik namens U een verzoekschrift tot echtscheiding zal indienen bij de Rechtbank Den Haag, in welk verzoekschrift zal worden verzocht de echtscheiding tussen U uit te spreken en de door U in onderling overleg gemaakte afspraken in de beschikking op te nemen. [..]

In verband met mijn werkzaamheden voor U ontvang ik zoals besproken graag een exemplaar van de definitieve versie van het echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan van U. Wij spraken af dat ik deze overeenkomsten niet inhoudelijk zal beoordelen. [..]’

2.10.

Na dit gesprek heeft [eiser] het aanvankelijke echtscheidingsconvenant aangepast en naar [de advocaat] verzonden. Deze versie is uiteindelijk bijgevoegd bij het door [de advocaat] ingediende verzoekschrift tot echtscheiding. Het echtscheidingsconvenant (hierna: het echtscheidingsconvenant) luidt onder andere – voor zover anders dan het aanvankelijke echtscheidingsconvenant (zie 2.7) – als volgt:

‘Artikel 5. Schulden

1. [..] Het totaal van de schulden zal evenredig verdeeld worden.

Artikel 6. Echtelijke woning

[..]

7. De overwaarde of restschuld zal door partijen evenredig worden verdeeld onder aftrek van eventuele kosten verbonden aan verkoop. [..]

Lid 8 uit het aanvankelijke echtscheidingsconvenant komt in deze versie niet meer terug.

2.11.

Bij beschikking van 21 februari 2014 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen [eiser] en [A] uitgesproken. Deze beschikking is op 14 maart 2014 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het echtscheidingsconvenant maakt deel uit van de beschikking.

2.12.

Op 4 oktober 2016 is de woning verkocht en op 16 januari 2017 is deze geleverd aan een derde. Na verkoop resteerde een hypotheekschuld van € 54.891,96 (hierna: de hypotheekschuld).

2.13.

[eiser] heeft dit bedrag betaald. Voor de betaling van dit bedrag heeft [eiser] een lening afgesloten ten bedrage van € 55.000,--

2.14.

[eiser] heeft op 22 mei 2017 loonbeslag gelegd onder de werkgever van [A] om betaling van de helft van de hypotheekschuld te verkrijgen. Bij vonnis in kort geding van 4 augustus 2017 is het verzoek van [A] om opheffing van het loonbeslag afgewezen. Na aftrek van executiekosten heeft [eiser] € 1.826,75 ontvangen.

2.15.

Op 17 augustus 2017 heeft [eiser] een klacht bij de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de Deken) over [de advocaat] ingediend.

2.16.

Bij brief van 31 augustus 2017 en per e-mail van 12 oktober 2017 heeft [eiser] [de advocaat] en [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade die hij zegt te hebben geleden.

2.17.

Bij beslissing van 21 december 2017 heeft de Deken, nadat hij erop heeft gewezen dat de klacht van [eiser] te laat is ingediend, ten overvloede het volgende overwogen:

‘Het is niet zo dat het een advocaat in de regel niet vrijstaat voor twee partijen op te treden. Naar vaste rechtspraak van het Hof van Discipline staat echter voorop dat voor een advocaat, die als enige advocaat van twee partijen optreedt in een echtscheidingsprocedure, een zware zorgplicht geldt, die onder meer met zich meebrengt dat de advocaat beide partijen goed voorlicht over hun marges en mogelijkheden en zich ervan vergewist dat beide partijen de te treffen regeling begrijpen.

Op basis van de tegenstrijdige verklaringen van u [ [eiser] – rechtbank] en [de advocaat] is mij niet gebleken dat [de advocaat] jegens u en uw ex-echtgenote aan die zorgplicht, althans voldoende heeft voldaan. Hoewel ik uit het verweer van [de advocaat] enerzijds afleid dat zij aan uw uitdrukkelijke wens, inhoudende een uitsluitend formele bijstand bij uw echtscheiding, tegemoet heeft willen komen en anderzijds u tijdens een bespreking op 14 [de rechtbank begrijpt: 16] januari 2014 met betrekking tot de door u opgestelde concepten inhoudelijk heeft geadviseerd, kan ik bij gebreke van schriftelijke stukken waaruit een en ander blijkt de inhoud van dat advies niet vaststellen. In het bijzonder kan ik niet vaststellen of zij u geïnformeerd heeft over uw beider rechtspositie en de inhoud van het door u beiden opgestelde convenant en de gevolgen daarvan, en of u de betekenis van het woord ‘evenredig’ in een aantal bepalingen van het echtscheidingsconvenant heeft begrepen. Deze onduidelijkheid had kunnen en moeten worden voorkomen door een en ander met u te bespreken en schriftelijk vastlegging van de door [de advocaat] gegeven informatie en adviezen. Het ontbreken van de vereiste schriftelijke vastlegging acht ik – ondanks uw uitdrukkelijke verzoek aan haar slechts formeel voor u op te treden – tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dit geldt ook voor de inhoud van de met u gesloten overeenkomst van opdracht, ook al is die op uw uitdrukkelijke wens gerealiseerd. Mijn overweging daarbij is dat de advocaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de zaak, ongeacht de wensen van zijn cliënt.

In zoverre acht ik uw klacht gegrond. [..]’

2.18.

Bij beslissing van 16 juli 2018 heeft de Raad van Discipline in het ressort Den Haag de klacht van [eiser] wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 90.090,99, te vermeerderen met de wettelijke kosten, alsook veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd – kort gezegd – dat het echtscheidingsconvenant onduidelijk, onjuist en onvolledig is en dat dit aan het nalaten van [de advocaat] te wijten is. Hierdoor is er na de echtscheiding een geschil tussen [eiser] en [A] ontstaan (onder andere) over de verkoop van de woning en de verdeling van schulden. [eiser] heeft daardoor schade geleden: de verkoop van de woning duurde langer dan voorzien, terwijl [eiser] (nagenoeg) de gehele hypotheekschuld voor zijn rekening heeft genomen, alsook het flexibel krediet. Verder heeft [eiser] kosten voor juridisch advies en bijstand moeten maken. In totaal bedraagt de schade € 90.090,99. Als werkgever van [de advocaat] is [gedaagde] verantwoordelijk voor deze schade, aldus [eiser] .

3.3.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat de overeenkomst tussen [eiser] en [de advocaat] – bevestigd in de onder 2.9 aangehaalde brief van 16 januari 2014 – een overeenkomst van opdracht is, in de zin van artikel 7:400 BW.

4.2.

In geschil is nu of [de advocaat] , zoals [eiser] stelt, toerekenbaar tekortgeschoten is in de naleving van deze overeenkomst van opdracht.

4.3.

De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 7:401 BW de opdrachtnemer – [de advocaat] in dit geval – bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht dient te nemen. Bij de beoordeling van de vraag of een advocaat aan deze zorgplicht heeft voldaan, dient – zo is vaste rechtspraak – uitgegaan te worden van de zorgvuldigheid die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht, hetgeen mede afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval (HR 7 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1304). In gevallen – zoals deze – waarin een advocaat in een echtscheidingsprocedure op gemeenschappelijk verzoek voor beide partijen optreedt, rust er op die advocaat een zware zorgplicht voor beide partijen.

4.4.

De rechtbank stelt vast dat [eiser] en [A] aan de [de advocaat] de opdracht hadden gegeven om enkel de formele afhandeling van het echtscheidingsverzoek te verzorgen: zelf zouden [eiser] en [A] het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan opstellen, zo blijkt uit de onder 2.4 en 2.5 weergegeven e-mails.

4.5.

[de advocaat] heeft verklaard dat zij [eiser] en [A] heeft verteld dat zij – conform de opdracht – bij het indienen van het echtsscheidingsverzoek niet zou tekenen voor de juistheid en de volledigheid van het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan. Ter zitting heeft [de advocaat] toegelicht ‘niet mijn handtekening [te] zetten voor iets wat ik niet inhoudelijk heb behandeld’.

4.6.

Voor zover [de advocaat] hiermee heeft willen betogen dat zij, vanwege de beperkte omvang van de opdracht, niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de gestelde schade, faalt dat betoog. Het is immers vaste rechtspraak dat de verplichting van een advocaat om een hem opgedragen zaak met zorg te behandelen met zich meebrengt dat hij zich niet beperkt tot de verrichtingen waarom zijn cliënt uitdrukkelijk heeft gevraagd, maar dat hij zelfstandig beoordeelt wat voor de zaak van nut kan zijn en daarna handelt (vgl. HR 28 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0303). Zoals de Deken het uitdrukte: de advocaat is verantwoordelijk voor de behandeling van de zaak, ongeacht de wensen van zijn cliënt. Dat [de advocaat] niet haar handtekening heeft gezet onder het echtscheidingsconvenant, ontslaat haar dus niet van haar zorgplicht.

4.7.

[eiser] verwijt [de advocaat] allereerst dat zij onvoldoende aandacht heeft gehad voor de woonsituatie van [eiser] en [A] en dat het convenant als gevolg daarvan onjuistheden bevat. In artikel 6, eerste lid van het echtscheidingsconvenant staat dat [eiser] in de woning ‘zal blijven wonen’, terwijl [eiser] ten tijde van het opstellen van het convenant elders woonde: het was enkel [A] die in de woning verbleef. Hoewel dat [de advocaat] bekend was, heeft zij nagelaten partijen erop te wijzen dat de tekst van het convenant niet overeenkwam met de feitelijke situatie en nagelaten de inhoud van het echtscheidingsconvenant hierop aan te passen, bijvoorbeeld door het opnemen van een voorlopige regeling, aldus [eiser] .

4.8.

Dit verwijt treft geen doel. Zoals [de advocaat] terecht heeft aangevoerd duidde de tekst van het aanvankelijke echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan erop dat [eiser] in de woning verbleef. Zij mocht er dan ook vanuit gaan, nu deze stukken door [eiser] waren aangeleverd, dat de daarin genoemde woonsituatie de feitelijke situatie weerspiegelde en dat het uitganspunt van de verdeling was dat [eiser] in de woning zou blijven en dat [A] de woning zou verlaten. Dat dit laatste het uitgangspunt was, is tijdens het kennismakingsgesprek ook zo gezegd – zo heeft [de advocaat] ter zitting onweersproken verklaard – en komt ook overeen met de door [eiser] overgelegde draagkrachtberekening, waarin staat dat [eiser] de hypotheeklasten draagt en [A] huur betaalt. Het voorgenomen ontslag van [A] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek sluit daar ook bij aan. De rechtbank is van oordeel dat het aan [eiser] en [A] was – mede gelet op de beperkte reikwijdte van hun opdracht – om duidelijk te maken dat de feitelijke woonsituatie afweek van de situatie zoals die uit de stukken kon worden opgemaakt. Er kan niet worden vastgesteld dat dit is gebeurd: de stelling van [eiser] dat hij tijdens het gesprek ‘heeft aangegeven’ dat hij elders woonde is door [de advocaat] weersproken en vervolgens door [eiser] niet nader toegelicht: dat [eiser] ‘geen reden had om dat niet te zeggen’ is onvoldoende specifiek.

4.9.

[eiser] verwijt [de advocaat] verder dat in het echtscheidingsconvenant uiteindelijk een verdelingswijze is neergelegd die meerduidig is en niet voor elk van de partijen goed te begrijpen.

4.10.

Dat verwijt is wel terecht. De rechtbank stelt vast dat in de versie van het echtscheidingsconvenant die [eiser] aanvankelijk aan [de advocaat] had toegestuurd, was opgenomen dat het totaal van schulden ‘naar rato’ verdeeld zou worden, ‘op basis van de op dat moment geldende inkomens van de man en de vrouw’ (artikel 5 en artikel 6, zevende en achtste lid). Tussen partijen is in geschil of tijdens het gesprek [de advocaat] [eiser] en [A] erop heeft gewezen dat deze voorziene verdelingsmaatstaf afweek van de wettelijke regeling van artikel 1:100 BW. [eiser] stelt zich op het standpunt dat [de advocaat] bij het doornemen van het convenant bij het bespreken van artikel 6, zevende en achtste lid, heeft gezegd dat ‘naar rato’ niet goed was, en dat dat ‘in evenredigheid’ moet zijn. Zij heeft volgens [eiser] niet uitgelegd waarom ‘naar rato’ niet goed was en wat de achtergrond van de voorgestelde wijziging was. [de advocaat] stelt zich op het standpunt dat zij heeft uitgelegd dat aangezien er sprake was van een gemeenschap van goederen de schulden op grond van de wet bij helfte moeten worden gedeeld, en dat een verdeling naar rato van inkomens rechtens niet juist is en ook fiscale gevolgen kan hebben. Zij stelt dat zij niet heeft gesproken over wijziging van de formulering naar ‘verdeling in evenredigheid’ maar over verdeling ‘bij helfte’. Zij heeft verder aangevoerd dat partijen naar aanleiding van haar uitleg hebben aangegeven dat zij de tekst zouden aanpassen en dat zij dat vervolgens ook hebben gedaan. In de definitieve versie staat immers inderdaad een aanpassing. Daar staat nu ‘evenredig’ in plaats van ‘naar rato’, aldus [de advocaat] . Zij heeft tot slot gesteld dat het gelet op die aanpassing voor haar duidelijk was dat partijen de door haar voorgestelde aanpassing hadden opgevolgd.

4.11.

Vast staat dat in de uiteindelijke versie van het echtscheidingsconvenant is neergelegd dat de aanwezige schulden en de overwaarde of de restschuld van de woning ‘evenredig verdeeld’ zullen worden, en dat het oorspronkelijke achtste lid van artikel 6, waarin werd verwezen naar de inkomens van de man en de vrouw, is komen te vervallen. Over de uitleg van het begrip ‘evenredig’ is na de echtscheiding onenigheid ontstaan tussen [eiser] en [A] : volgens [eiser] betekent het ‘bij helfte’, terwijl het volgens [A] betekent ‘naar draagkracht’ of ‘naar inkomen’.

4.12.

De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat [de advocaat] tijdens de bespreking heeft geadviseerd dat een verdeling ‘naar rato van inkomen’ niet juist was en dat dit gewijzigd diende te worden en dat het convenant vervolgens ook daadwerkelijk is aangepast, waarbij ook de verwijzing naar de inkomens van partijen is geschrapt in het achtste lid van artikel 6. Naar [eiser] ter comparitie heeft verklaard is hij er ook van uitgegaan dat met ‘evenredig’ werd bedoeld ‘bij helfte’. Hoewel dit er op wijst dat [de advocaat] inderdaad, zoals zij stelt, partijen heeft voorgelicht over hun rechtspositie op dit punt, is de rechtbank van oordeel dat [de advocaat] de aangepaste versie van het convenant niet zonder nader commentaar heeft mogen accepteren, nu partijen hebben gekozen voor de term ‘evenredig’ in plaats van ‘bij helfte. De term ‘evenredig’ is immers voor meer dan één uitleg vatbaar. Het kan ‘in onderling gelijke verhouding’ betekenen, zoals [eiser] voorstaat en zoals in de wettelijke verdelingsregeling van artikel 1:100 BW is voorzien. Het kan echter ook ‘in verhouding tot een andere grootheid zodanig als gewenst of gepast is’ betekenen, waarbij de andere grootheid het inkomen van partijen is, zoals [A] de term uitlegt en zoals in het aanvankelijke echtscheidingsconvenant ook was opgeschreven. Daar komt bij dat het gebruikelijk is om in een situatie als de onderhavige te spreken over een verdeling ‘bij helfte’, en niet over een ‘evenredige verdeling’.

4.13.

De rechtbank is van oordeel dat vanwege die dubbele betekenis en vanwege de grote (financiële) gevolgen die een verschillende uitleg met zich kunnen brengen, [de advocaat] zich er terdege van had moeten vergewissen dat beide partijen met de term ‘evenredig’ hetzelfde bedoelden: dat [eiser] en [A] ‘de intentie’ hadden de verdelingsmaatstaf aan te passen aan die uit de wet, en de constatering dat ‘ze het eens leken’, zoals [de advocaat] ter zitting heeft gezegd, is daartoe onvoldoende. In die zin heeft [de advocaat] niet voldaan aan de op haar rustende (zware) zorgplicht. Dit tekortschieten kan haar worden toegerekend

4.14.

De vraag is vervolgens of dit toerekenbaar tekortschieten van [de advocaat] in de nakoming van de op haar uit hoofde van de overeenkomst van opdracht rustende zorgplicht de oorzaak is van de door [eiser] gestelde schade en zo ja, in hoeverre die aan [de advocaat] toegerekend kan worden.

4.15.

De schade zou volgens [eiser] onder andere bestaan uit de helft van de hypotheekschuld (€ 27.445,98) en de helft van het flexibel krediet (€ 9.750,--). [eiser] heeft daartoe gesteld dat de onduidelijkheid in het echtscheidingsconvenant er de oorzaak van is dat er tussen hem en [A] onenigheid is ontstaan en dat ‘zonder deze ellende’, die aan [de advocaat] te wijten is, [A] de helft van de hypotheekschuld en de helft van het krediet had voldaan.

4.16.

Dat oorzakelijk verband is door [de advocaat] terecht betwist. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet zonder meer aannemelijk dat in het geval [de advocaat] wel aan haar zorgplicht had voldaan en was nagegaan wat elk van partijen met ‘evenredig’ bedoelde, het tot een verdeling van de schulden bij helfte was gekomen, waarbij [A] de helft van de hypotheekschuld en de helft van de kredietschuld ook daadwerkelijk voor haar rekening had genomen. [A] heeft zich immers steeds op het standpunt gesteld – zo blijkt bijvoorbeeld uit [A] ’ dagvaarding in kort geding waarnaar [eiser] heeft verwezen – dat zij een verdeling naar draagkracht wilde, mede omdat zij over onvoldoende financiële middelen beschikte om de helft van de schulden te voldoen. Bovendien stond ook [eiser] oorspronkelijk een dergelijke verdeling voor, zo blijkt uit het aanvankelijke echtscheidingsconvenant. Het causaal verband tussen de tekortkoming en de gestelde schade is dan ook niet vast komen te staan.

4.17.

Ook om een andere reden is het causaal verband tussen de tekortkoming en de gestelde schade niet komen vast te staan. Er is immers tot op heden nooit in een familierechtelijke bodemprocedure geoordeeld dat [A] vanwege het gebruik van de term ‘evenredig’ niet gehouden is om de helft van de schulden voor haar rekening te nemen. Niet valt uit te sluiten dat in een familierechtelijke bodemprocedure geoordeeld zou worden dat gelet op de wijzigingen die in het definitieve convenant zijn aangebracht ten opzichte van het concept, en met name gelet op het schrappen van de verwijzing naar de inkomens van de man en de vrouw in relatie tot het begrip ‘naar rato’, partijen kennelijk de bedoeling hebben gehad dat de schulden bij helfte zouden worden gedragen en dat [A] dat ook had behoren te begrijpen. Daarmee is in de relatie tussen [eiser] en [A] nooit bindend vastgesteld of [A] al dan niet is gehouden de helft van de schulden voor haar rekening te nemen en staat de gestelde schade, daaruit bestaande dat [eiser] gehouden is de schulden volledig, althans naar rato van draagkracht naar inkomen, voor zijn rekening te nemen, niet vast.

4.18.

Dat is anders voor (een deel van) de advocaatkosten die [eiser] stelt te hebben gemaakt in de periode van oktober 2016 tot en met juni 2018. Had [de advocaat] wel aan haar zorgplicht voldaan, dan is het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat [eiser] de kosten voor juridische bijstand bespaard waren gebleven, althans voor zover deze betrekking hebben op het geschil over de verdeling van de schulden of daarmee rechtsreeks samenhangen.

4.19.

Deze schade is aan [de advocaat] toerekenbaar: de op een advocaat rustende zorgplicht strekt er immers toe juridische geschillen te voorkomen. Gebeurt dat niet en komt het tot een geschil, dan is het voor de hand liggend dat er kosten voor juridische advies en bijstand volgen. Deze kosten zijn, anders dan [de advocaat] dat heeft begrepen, niet opgevoerd als kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid, maar als (algemene) vermogensschade.

4.20.

Dat betekent echter niet dat alle door [eiser] opgevoerde advocaatkosten aan het nalaten van [de advocaat] kunnen worden toegerekend. [eiser] vordert de advocaatkosten over de periode van oktober 2016 tot en met juni 2018 voor ‘onder meer’ adviezen naar aanleiding van het convenant, de levering van de woning, het kort geding, (schikkings)onderhandelingen met de advocaat van [A] en de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van [de advocaat] , de zorgregeling, de kinderalimentatie en advies en bijwonen zitting in de klachtprocedures tegen [de advocaat] . Kosten die niet kunnen worden toegerekend aan het nalaten van [de advocaat] zijn de advocaatkosten die samenhangen met het geschil tussen partijen over de woning (zie onder 4.8) en de advocaatkosten die gemaakt zijn in relatie tot de zorgregeling, aangezien het nalaten van [de advocaat] betrekking heeft op de verdeling van de schulden, niet de zorg- en contactregeling uit het ouderschapsplan. Kosten die wel in zodanig verband staan met het nalaten van [de advocaat] dat zij als een gevolg daarvan kunnen worden toegerekend, zijn de advocaatkosten voor adviezen naar aanleiding van het convenant, alsmede de kosten die verband houden met het kort geding, de (schikkings)onderhandelingen en de klachtprocedures tegen [de advocaat] . Ook de advocaatkosten gerelateerd aan de kinderalimentatie (anders dan de onder 4.24 te bespreken post ‘dubbel betaalde kinderalimentatie’) zijn toerekenbaar. Het is immers niet onaannemelijk dat een geschil over de interne draagplicht voor de schulden ook leidt tot een geschil tussen partijen over de kinderalimentatie, nu de draagplicht voor de schulden gevolgen kan hebben voor de draagkracht voor kinderalimentatie.

4.21.

De precieze begroting van de schade wordt evenwel bemoeilijkt, doordat de facturen die [eiser] ter onderbouwing heeft overgelegd onvoldoende inzichtelijk maken waarop de in rekening gebrachte kosten zien. De facturen vermelden ‘diverse adviezen’, zonder nadere omschrijving, of verwijzen naar specificaties die niet zijn bijgevoegd. Bovendien komt het totaal van de overgelegde facturen (€ 22.244,84) niet overeen met het door [eiser] gevorderde schadebedrag (€ 24.266,54). Omdat het om die reden niet mogelijk is de omvang van deze schade nauwkeurig vast te stellen, stelt de rechtbank schattenderwijs de schade vast op € 20.000,--.

4.22.

[eiser] heeft voorts gesteld dat de schade bestaat uit ‘de helft van de rente van € 6.155,22’. De rechtbank begrijpt – een duidelijke toelichting van [eiser] ontbreekt – dat dit de helft van de hypotheekrente betreft die [eiser] heeft voldaan tot aan de verkoop van de woning en dat deze schadepost verband houdt met de omstandigheid dat [A] de woning niet wilde verlaten, hetgeen terug te voeren zou zijn op het feit dat de feitelijke woonsituatie ten tijde van het opstellen van het echtscheidingsconvenant afweek van de woonsituatie beschreven in dat convenant. Omdat dit laatste niet te wijten is aan enig nalaten van [de advocaat] – zie hiervoor onder 4.8 – bestaat er ook geen verplichting tot vergoeding van deze (gestelde) schade.

4.23.

Wat betreft de gevorderde vergoeding van immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. [de advocaat] heeft betwist dat de door [eiser] gestelde stress, somberheid en neerslachtigheid dusdanig geestelijk letsel oplevert dat er sprake is van aantasting in de persoon, zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid en onder b, BW. [eiser] heeft hierop zijn stelling niet nader toegelicht of onderbouwd, zodat de op die stelling gebaseerde vordering wordt afgewezen.

4.24.

Een heldere toelichting op de ‘vordering ter zake dubbel betaalde kinderalimentatie ad € 300’ ontbreekt, en met name een toelichting waarom deze post in causaal verband zou staan met het nalaten van [de advocaat] . Anders dan onder 4.20 is overwogen ten aanzien van de advocaatkosten gerelateerd aan een discussie tussen partijen over de kinderalimentatie, speelt bij de vraag of een bedrag aan kinderalimentatie al dan niet dubbel is betaald de draagkracht geen rol, en ontbreekt daarmee de samenhang met het nalaten van [de advocaat] ter zake van de verdeling van de schulden. Ook heeft [eiser] niet afdoende toegelicht waarom een ‘voorschot in huidige procedure’ als schadepost is opgevoerd. Hetzelfde geldt voor de ‘nog te verwachten kosten voor rechtskundige bijstand waaronder griffierecht en kosten en deurwaarders’. Deze – door [de advocaat] betwiste – schadeposten komen alleen al daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

4.25.

Samengevat betekent het voorstaande dat de gevorderde schadevergoeding tot een bedrag van € 20.000,-- toewijsbaar is. Onweersproken is dat [gedaagde] als werkgever van [de advocaat] op grond van artikel 6:170, eerste lid, BW aansprakelijk is voor het schenden van de zorgplicht door zijn werknemer. Het is dan ook [gedaagde] die veroordeeld wordt tot vergoeding van dit schadebedrag.

4.26.

Ten slotte wordt [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten zijn aan de zijde van [eiser] begroot op € 3.144,89, bestaande uit € 101,89 aan kosten dagvaarding; € 895,-- aan griffierecht; en € 2.148,-- voor salaris advocaat (2 punten à € 1.074,-- (tarief IV)), te vermeerderen, zoals gevorderd, met de wettelijke rente. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 20.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 3.144,89, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2019.