Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10982

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-02-2019
Datum publicatie
18-10-2019
Zaaknummer
AWB 18/4192
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VK regulier; verzoek opheffing ongewenstverklaring; niet aangetoond voldoet aan 6.6 Vb vw; ongewenstverklaring aanmerken als inreisverbod; toetsen aan openbare orde criterium; Z.Zh. en I.O.; beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/4192, V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2019 in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. S.C. van Paridon,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. E. de Jong.

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser tot opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen.

Bij besluit van 31 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2019. Verweerder is bij gemachtigde verschenen. De gemachtigde van eiser is – met bericht van verhindering – niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum eiser] en in het bezit van de Albanese nationaliteit.

2. Bij besluit van 23 februari 2012 heeft verweerder eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), wegens zijn veroordeling vanwege artikel 231, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (WvSr). Deze ongewenstverklaring staat thans in rechte vast.

3. Eiser heeft op 22 december 2017 een verzoek gedaan tot opheffing van zijn ongewenstverklaring.

4. Verweerder heeft het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard, omdat eiser niet met bewijsstukken heeft aangetoond dat hij aan de voorwaarden daarvoor voldoet, zoals neergelegd in de Vw en het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Niet is vast komen te staan dat eiser sinds zijn ongewenstverklaring 5 jaar buiten de Europese Unie heeft verbleven. Ook heeft eiser niet aangetoond dat hij zich in die periode niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven of aan strafvervolging onderworpen is geweest. Verder is niet gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden die nopen tot opheffing.

5. Eiser voert aan dat hij heeft voldaan aan artikel 6.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb, omdat hij sinds de ongewenstverklaring ten minste vijf jaren buiten Nederland heeft verbleven en niet aan strafvervolging onderworpen is geweest dan wel een misdrijf heeft gepleegd. Eiser stelt dat hij de gevraagde gegevens ter onderbouwing daarvan, niet kan overleggen. Hij bezit geen document voor grensoverschrijding, waardoor het voor hem onmogelijk is een paspoort zonder stempels over te leggen. Ook is het voor hem niet mogelijk om aan te tonen dat hij geen misdrijven heeft gepleegd en niet is onderworpen aan strafvervolging. Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.1.

Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat bij de voorbereiding van een besluit het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart.

Artikel 4:2, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de aanvrager voorts de gegevens en bescheiden verschaft die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Artikel 6.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb bepaalt dat de aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de Vw, wordt ingewilligd, indien de vreemdeling niet aan strafvervolging terzake enig misdrijf is onderworpen, en deze vreemdeling, indien hij ongewenst is verklaard wegens andere misdrijven dan bedoeld in onderdeel a, na de ongewenstverklaring tenminste vijf achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven.

Artikel 6.6, vierde lid, van het Vb bepaalt dat de gegevens, bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, van de Awb die de vreemdeling verstrekt in ieder geval zijn:

a. een schriftelijke verklaring van de vreemdeling dat hij sinds zijn vertrek uit Nederland na de ongewenstverklaring tien, onderscheidenlijk vijf achtereenvolgende jaren of één jaar buiten Nederland heeft verbleven en dat hij zich in die periode niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en dat hij niet aan strafvervolging onderworpen is;

b. een kopie van de documenten voor grensoverschrijding die de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft gehouden;

c. een overzicht van de plaatsen waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven, voorzien van bewijsstukken, en

d. een schriftelijke verklaring, afgegeven door de terzake bevoegde autoriteiten van het land of de landen waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven, dat de vreemdeling zich tijdens dat verblijf niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en niet aan strafvervolging onderworpen is.

5.2.

Niet in geschil is dat eiser niet ongewenst is verklaard vanwege een geweldsdelict, een opiumwetdelict of een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd, zodat op hem artikel 6.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb van toepassing is. Niet in geschil is verder dat eiser geen gegevens en bescheiden heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij vijf jaar buiten de Europese Unie heeft verbleven en zich in die periode niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven of aan strafvervolging onderworpen is geweest.

5.3.

Gelet op de voorgaande bepalingen stelt verweerder terecht dat het aan eiser is om te onderbouwen dat hij aan de voorwaarden voor opheffing van de ongewenstverklaring voldoet. Verweerder stelt terecht dat nu eiser geen enkel document ter onderbouwing heeft overgelegd, niet kan worden vastgesteld of eiser aan de voorwaarden uit artikel 6.6., eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb heeft voldaan. De enkele stelling dat eiser niet over documenten beschikt en het voor hem niet mogelijk is om deze te verkrijgen, kon verweerder onvoldoende achten. Van eiser kan verwacht worden dat hij redelijkerwijs beschikking kan krijgen over zijn eigen documenten ter grensoverschrijding en documenten die zien op zijn verblijf. De stelling dat eiser er voor vreest in een uitzichtloze situatie terecht te komen, waarin zijn ongewenstverklaring nooit kan worden opgeheven, treft geen doel. Het is aan eiser om een en ander aannemelijk te maken. Niet is gebleken dat hij geen nieuw paspoort of andere documenten aan kan vragen om zo (in de toekomst) aan te tonen dat hij vijf jaar buiten de Europese Unie heeft verbleven en aan de overige voorwaarden voldoet. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiser niet heeft aangetoond dat het voor hem onmogelijk is om een uittreksel uit het bevolkingsregister van zijn woonplaats te verkrijgen, of een uittreksel uit het Albanese strafregister. Gelet hierop volgt de rechtbank verweerder ten aanzien van deze beroepsgrond in zijn standpunt. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6. Verweerder stelt terecht dat ook niet is gebleken van omstandigheden die dusdanig bijzonder zijn dat de ongewenstverklaring dient te worden opgeheven, zoals bedoeld in paragraaf A4/3.6 van de Vreemdelingencirculaire. Eiser heeft dit in bezwaar of beroep evenmin onderbouwd of nog aangevoerd.

7. Eiser voert als beroepsgrond aan dat hij geen gevaar vormt voor de openbare orde in Nederland en dat zijn gedragingen geen actuele, werkelijke en ernstige bedreiging zijn voor een fundamenteel belang van de samenleving, zodat zijn ongewenstverklaring moet worden opgeheven. Zijn veroordeling voor artikel 231, eerste lid, van het WvSr is onvoldoende. Verweerder heeft dit ten onrechte niet in zijn besluitvorming meegenomen. Deze beroepsgrond slaagt.

7.1.

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2538) volgt dat een ongewenstverklaring is aan te merken als een inreisverbod voor onbepaalde tijd. Door verweerder is ter zitting ook bevestigd dat de ongewenstverklaring van eiser is aan te merken als een inreisverbod.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van

19 september 2013 in de zaak Filev en Osmani (C-297/12), blijkt dat de gevolgen hiervan in beginsel niet langer jegens de desbetreffende vreemdeling kunnen worden gehandhaafd dan vijf jaar nadat hij het grondgebied van de Europese Unie heeft verlaten, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. De rechtbank stelt vast dat deze termijn wordt genoemd in artikel 6.5a, vierde lid, van het Vb. De rechtbank stelt verder vast dat aan de ongewenstverklaring van eiser openbare orde aspecten ten grondslag zijn gelegd, nu de ongewenstverklaring is gebaseerd op een strafrechtelijke veroordeling van eiser en dit niet anders kan worden begrepen dan dat eiser volgens verweerder een gevaar vormt voor de openbare orde.

7.2.

In het arrest van het HvJEU van 11 juni 2015 in de zaak Z.Zh. en I.O. (ECLI:EU:C:2015:377) is bepaald dat de lidstaten bij het aannemen van gevaar voor de openbare orde in het kader van de Terugkeerrichtlijn, per geval moeten beoordelen of het persoonlijke gedrag van de betrokken vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Inreisverboden vinden hun grondslag in de Terugkeerrichtlijn.

7.3.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 4 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1725) in rechtsoverweging 10.2 het volgende overwogen:

omdat alle in artikel 6.5a, derde en vierde lid, van het Vb 2000 vermelde gronden verband houden met de openbare orde en de staatssecretaris dus bij de toepassing van deze bepalingen betrekt dat de desbetreffende vreemdeling een gevaar hiervoor vormt, moet hij per geval beoordelen of het persoonlijke gedrag van die vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast”. Deze verplichting geldt dus ook in het geval een lidstaat een inreisverbod uitvaardigt voor de duur van maximaal vijf jaar.

7.4.

Gelet op het voorgaande en nu verweerder ter zitting heeft bevestigd dat de ongewenstverklaring van eiser is aan te merken als een inreisverbod, is de rechtbank van oordeel dat verweerder had moeten beoordelen of het persoonlijke gedrag van eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, zoals bedoeld in het arrest Z.Zh. en I.O. Uit het besluit tot ongewenstverklaring van 23 februari 2012 blijkt niet dat verweerder destijds heeft getoetst aan dit criterium. Hoewel dit begrijpelijk is, nu dit besluit dateert van vóór de inwerkingtreding van de Terugkeerrichtlijn, was verweerder daarom gehouden om bij het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring alsnog te toetsen aan het openbare orde criterium. Verweerder heeft dit ten onrechte nagelaten. De stelling van verweerder dat de ongewenstverklaring een nationale maatregel is, zodat verweerder niet was gehouden te toetsen aan het openbare orde criterium, gaat gezien het voorgaande niet op.

Verweerders verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 21 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:622) leidt niet tot een ander oordeel. Daarin stond de vraag centraal of

de omstandigheid dat de vreemdeling meer dan vijf jaar geleden uit de Europese Unie is vertrokken, ertoe leidt dat het inreisverbod al van rechtswege was vervallen op het moment dat de vreemdeling verzocht om opheffing daarvan. Inzake ligt echter een andere vraag voor, namelijk of verweerder aan het openbare orde criterium had moeten toetsen.

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.024,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1). Omdat een toevoeging is verleend, dienen de kosten te worden voldaan aan de rechtsbijstandverlener. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. Blagrove, rechter, in aanwezigheid van

mr. T. van Driel, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 15 februari 2019.

de griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.