Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10975

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-10-2019
Datum publicatie
23-10-2019
Zaaknummer
NL19.20777
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Gestelde seksuele gerichtheid en bekering tot het christendom niet geloofwaardig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.20777


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).


Procesverloop
Bij besluit van 28 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond1. Verder is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL19.20778, plaatsgevonden op 26 september 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Iraanse nationaliteit te bezitten en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Eiser verbleef vanaf 2000 tot en met maart 2013 in Nederland. Aan eiser is op grond van de ‘Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet’ een verblijfsvergunning verleend, geldig van 15 juni 2007 tot 15 juni 2008. Vervolgens is deze verblijfsvergunning verlengd tot 15 juni 2013. Eiser stelt in maart 2013 vanuit Nederland te zijn teruggekeerd naar Iran om voor zijn zieke ouders te zorgen. Op 20 maart 2018 is hij naar zijn zeggen teruggekeerd naar Nederland en op 3 mei 2018 heeft hij deze asielaanvraag ingediend.

3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in maart 2018 uit Iran is gevlucht vanwege zijn homoseksuele gerichtheid en omdat de Iraanse autoriteiten op de hoogte waren van zijn bekering tot het christendom in Nederland.

4. Verweerder volgt eisers gestelde nationaliteit, identiteit en herkomst. Verweerder acht eisers gestelde seksuele gerichtheid, zijn bekering tot het christendom in Nederland en de gestelde problemen die hij hierdoor in Iran heeft ondervonden ongeloofwaardig. Daarom heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.

5. Eiser betoogt over zijn seksuele gerichtheid dat hij wel degelijk een worsteling beschrijft en dat hij ook heeft beschreven wat het met hem deed om in Iran homoseksueel te zijn. Eiser stelt dat hij over zijn leven in Iran als homoseksueel chronologisch en niet tegenstrijdig heeft verklaard. Ook heeft eiser afdoende verklaard over zijn relatie met zijn neef [naam 2] . Dat eiser weinig kan verklaren over relaties die hij in Nederland heeft gehad, heeft te maken met de vraag die bij hem rees of hij zijn homoseksuele gerichtheid kon verenigen met zijn bekering tot het christendom. Eiser stelt dat zijn seksuele gerichtheid wel degelijk geloofwaardig is en dat hij hierdoor bij terugkeer naar Iran een gevangenisstraf of doodstraf riskeert. In beroep heeft eiser voor het eerst aangevoerd dat hij een relatie heeft met [naam 3] en dat zijn partner een verblijfsvergunning heeft gekregen vanwege zijn homoseksuele gerichtheid.

Over de bekering tot het christendom en de problemen die hij als gevolg daarvan in Iran heeft ondervonden, voert eiser aan dat het niet vreemd is dat eiser zich in Nederland heeft verdiept in het geloof, terwijl dit hem in Iran niet interesseerde. Dat hij rust zocht in het geloof, is volgens eiser niet ongeloofwaardig. Eiser heeft ook voldoende aannemelijk gemaakt dat hij is gedoopt. Als bewijs daarvan heeft hij een foto overgelegd. Verder heeft eiser toegelicht waarom het geloof samen kan gaan met zijn seksuele gerichtheid. Ook heeft hij afdoende verklaard over het geloof en beschikt hij over voldoende kennis van het christendom. Hierdoor is zijn bekering tot het christendom wel geloofwaardig.

Beoordeling door de rechtbank

Seksuele gerichtheid

6. Zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling2, moet verweerder inzichtelijk maken hoe hij de verklaringen over een gestelde seksuele gerichtheid heeft beoordeeld en gewaardeerd. Verweerder hanteert daartoe een vaste gedragslijn3. Verweerder kan bij deze beoordeling in beginsel doorslaggevende waarde toekennen aan de ontoereikende verklaringen van een vreemdeling over zijn eigen ervaringen. De omstandigheid dat een vreemdeling ontoereikend heeft verklaard over zijn eigen ervaringen zonder dat hiervoor een rechtvaardiging bestaat, hoeft echter niet in alle gevallen ertoe te leiden dat verweerder de door die vreemdeling gestelde seksuele gerichtheid ongeloofwaardig acht. Daarbij kan van belang zijn dat die vreemdeling over andere aspecten die verband houden met zijn seksuele gerichtheid volgens verweerder wél overtuigend kan verklaren.

7. Niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit een land waar sprake is van homofobie. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat verweerder juist dan van een aanvrager mag verwachten dat hij inzicht verschaft in zijn proces van bewustwording en de wijze waarop hij zijn seksuele gerichtheid heeft geaccepteerd.

8. Verweerder heeft in het voornemen opgesomd welke thema’s hij heeft betrokken bij zijn geloofwaardigheidsbeoordeling.4 Verweerder heeft ook toegelicht dat de thema’s een richting geven aan de beoordeling, maar dat het wel een individuele beoordeling blijft en dat verweerder op zoek is naar het authentieke verhaal van eiser. Bij deze beoordeling heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank kunnen betrekken dat eiser over de situatie voor homoseksuelen in Iran in algemeenheden vervalt en niet in persoonlijke zin over zijn eigen situatie, gevoelens en gedachten heeft verklaard. Op de vraag wat het besef dat eiser op jongens viel met hem deed in een land als Iran, heeft eiser verklaard dat hij normaal verder ging met zijn leven en erg voorzichtig was. Verweerder heeft niet ten onrechte opgemerkt dat van eiser, die zich tussen zijn zestiende en achttiende bewust werd van zijn homoseksuele gerichtheid, terwijl hij in een streng islamitisch land woont waar dit strafbaar is, verwacht mag worden dat hij meer weet te verklaren over wat dit persoonlijk met hem deed. Ook heeft eiser wisselend verklaard over of er in Iran wel of niet iemand op de hoogte was van zijn seksuele gerichtheid. Verder heeft verweerder niet ten onrechte betrokken dat eiser weinig kan verklaren over de relaties die hij heeft gehad. Zo zou hij een langdurige relatie hebben met zijn neef [naam 2] , maar eiser kan vervolgens weinig verklaren over deze relatie. Ook heeft eiser wisselend verklaard over het aantal relaties wat hij zou hebben gehad tussen zijn dertiende en achttiende levensjaar. Over de relaties die hij in Nederland zou hebben gehad is eiser vaag. Tijdens het nader gehoor op 31 oktober 2018 heeft eiser – na aandringen van de gehoormedewerker – verklaard dat hij een relatie heeft met [naam 4] . In de aanvullende beroepsgronden heeft eiser verklaard dat hij een relatie heeft met [naam 3] , die hij halverwege 2018 heeft leren kennen. Verweerder heeft het niet ten onrechte opmerkelijk geacht dat eiser niet eerder melding heeft gemaakt van deze relatie en gesteld dat dit daarom verder afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers gestelde seksuele gerichtheid. Verder heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat dit gestelde nieuwe feit geen aanleiding geeft om het besluit te heroverwegen dan wel om een aanvullend gehoor te houden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eisers gestelde seksuele gerichtheid dan ook niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden.


Bekering tot het christendom

9. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat verweerder een vaste gedragslijn moet toepassen bij het onderzoek naar de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging. De thans door verweerder gevolgde vaste gedragslijn5 houdt in dat verweerder een vreemdeling vragen stelt die zien op drie elementen: (i) de motieven voor en het proces van bekering, (ii) de kennis van de nieuwe religie en (iii) de activiteiten die de vreemdeling ten aanzien van de nieuwe religie ontplooit. Het zwaartepunt ligt op de antwoorden van de vreemdeling over zijn eigen ervaringen en de persoonlijke beleving. De vreemdeling moet in dit kader inzichtelijk of aannemelijk maken dat sprake is van een weloverwogen keuze voor het andere geloof en een diepgewortelde overtuiging. Dit geldt temeer wanneer de vreemdeling afkomstig is uit een land waar bekering tot een andere dan de daar gangbare geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel is en kan worden bestraft. De verklaringen over deze drie elementen moeten steeds in onderling verband worden bezien, waarbij vanwege de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling rekening gehouden dient te worden met de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd van de vreemdeling.6

10. De rechtbank is van oordeel heeft verweerder eisers gestelde bekering tot het christendom niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden. Verweerder heeft onder meer kunnen betrekken dat eiser er niet in is geslaagd om de motieven voor zijn bekering en het proces van bekering inzichtelijk te maken. Verder heeft verweerder het bevreemdend kunnen achten dat eiser verklaart dat hij zich nooit in religie geïnteresseerd heeft, maar zich vervolgens zonder enig onderzoek vooraf heeft bekeerd tot het christendom. Eiser verklaart niets over het innerlijk proces tot aan zijn bekering, zijn gedachtegang en de groei en ontwikkeling in het christelijk geloof. Verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat eiser zijn beweegredenen om een nieuw geloof aan te nemen en zijn proces van bekering niet inzichtelijk heeft gemaakt. Eiser kan vervolgens niet verklaren op welke datum hij is gedoopt. Ook kan hij weinig over zijn doop verklaren en heeft hij geen doopakte overgelegd. Eiser heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat hij gedoopt is. De overgelegde foto kan niet leiden tot een ander oordeel, alleen al omdat daaruit niet kan worden opgemaakt dat eiser op die foto staat. Uit eisers verklaringen blijkt verder niet dat hij regelmatig een kerkdienst bijwoont. Tot slot heeft verweerder kunnen betrekken dat sprake is van summiere inhoudelijke kennis van het christelijk geloof, terwijl hij al ruim tien jaar bekeerd zou zijn. Eisers beroepsgronden over de bekering tot het christendom slagen derhalve niet.

Problemen in Iran door de bekering

11. Nu verweerder de bekering tot het christendom van eiser niet geloofwaardig heeft bevonden, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank eveneens de gestelde problemen in Iran door deze bekering ongeloofwaardig kunnen achten. Wat verweerder hierover nog heeft opgemerkt in het bestreden besluit, is niet gemotiveerd bestreden en behoeft daarom geen verdere bespreking.

Conclusie

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Andel, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e en h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

2 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1256.

3 Deze gedragslijn is neergelegd in Werkinstructie 2018/9.

4 Privéleven, huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van lhbt groepen, contact met lhbt’s in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie en discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst.

5 Deze gedragslijn is neergelegd in Werkinstructie 2018/10

6 De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling van 10 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1307, en 30 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1068.