Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10967

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2019
Datum publicatie
23-10-2019
Zaaknummer
AWB 18/9440
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

8 EVRM/nareis, zusje van AMV, toestemmingsverklaring achterblijvende ouder, bewijsnood, belang van het kind, onderzoeksplicht, beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/9440

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 november 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 25 september 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens waren aanwezig [naam 2] , referent, en A. Solomon, tolk. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

  1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Eritrese nationaliteit. Op 28 oktober 2016 heeft referent, de broer van eiseres, een verblijfsvergunning asiel gekregen. Op 20 december 2016 heeft hij voor eiseres een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’. Deze aanvraag heeft referent tegelijkertijd ingediend met de mvv-aanvraag in het kader van nareis voor zijn moeder. De aanvraag van eiseres is op 11 december 2017 afgewezen. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.

  2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft haar identiteit en de gezinsband met referent niet aangetoond, maar verkeert in bewijsnood. Verder is er geen toestemmingsverklaring van de vader van eiseres overgelegd en is ook de identiteit van de gestelde vader en zijn familierechtelijke relatie met eiseres niet vast komen te staan. Verweerder heeft aangeboden DNA-onderzoek te verrichten naar de relatie tussen eiseres en haar (gestelde) vader. Dat de vader hier niet aan wenst mee te werken omdat hij daarvoor – illegaal – Eritrea zou moeten uitreizen, komt voor rekening en risico van eiseres. Er kan daarom geen mvv aan eiseres worden verleend, omdat verweerder dan het risico loopt dat eiseres aan het ouderlijk gezag wordt onttrokken.

  3. Eiseres heeft in beroep verwezen naar de door haar overgelegde uitspraak van een Eritrese rechtbank van 12 januari 2018, waaruit blijkt dat na de echtscheiding van haar ouders het – eenhoofdig – ouderlijk gezag aan haar moeder is toegekend. Zij stelt daarom dat er geen toestemmingsverklaring van haar vader nodig is. Verweerder had ook voor haar een DNA-onderzoek moeten starten. Verder stelt zij dat van een kennelijk ongegrond bezwaar geen sprake was, zodat zij op haar bezwaar had moeten worden gehoord.
    Ter zitting is gebleken dat de moeder van eiseres en referent inmiddels in Nederland is. Er is een DNA-onderzoek gedaan en naar aanleiding daarvan is aan haar een mvv verleend. Dit betekent dat eiseres – thans slechts 17 jaar oud – alleen is achtergebleven in Khartoem. Namens eiseres is ter zitting betoogd dat verweerder, gelet op de belangen van het kind, meer moeite had moeten doen.
    De rechtbank oordeelt als volgt.

  4. Bij de beoordeling van dit type zaken hanteert verweerder een vaste gedragslijn. Volgens deze gedragslijn betrekt verweerder alle verklaringen en bewijsmiddelen – zowel officieel als onofficieel – in onderlinge samenhang bij zijn beoordeling en houdt hij rekening met de persoon van de betrokkenen. Om aan een afweging van de belangen van betrokken minderjarigen toe te kunnen komen, moet er in ieder geval voldoende duidelijkheid bestaan over de identiteit van het desbetreffende kind en de gestelde ouders en hun onderlinge familierelatie. Anders is immers niet vast te stellen wat de belangen van het kind zijn. Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 maart 20191 heeft verweerder zijn gedragslijn als volgt gewijzigd. Anders dan voorheen, zal hij aanvullend onderzoek aanbieden als hij de identiteit van een meereizende of achterblijvende ouder van een minderjarige vreemdeling niet kan vaststellen en aannemelijk is dat die vreemdeling als gevolg van een afwijzing van zijn aanvraag om die reden, in schrijnende omstandigheden alleen achterblijft in het land van herkomst of een derde land.2

5. Eiseres heeft een (kopie van een) uitspraak van een Eritrese rechtbank van 12 januari 2018 overgelegd. Uit deze uitspraak blijkt dat de heer [naam 3] en mevrouw [naam 4] twee minderjarige kinderen hebben, te weten [naam 5] en [naam] . Verder blijkt daaruit dat de vader en de moeder gescheiden zijn, dat de kinderen bij de moeder leven en dat het ouderlijk gezag aan haar is toegekend. Verder heeft eiseres kopieën van de identiteitskaarten van haar gestelde ouders overgelegd waarop de namen [naam 3] en [naam 4] staan. Tot slot heeft zij een kopie van haar schoolpas overgelegd, waarop als naam vermeld staat [naam] .

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met de hiervoor genoemde documenten in ieder geval een begin van bewijs geleverd van de identiteit van haar gestelde vader en hun familierelatie. Zoals eiseres terecht heeft aangevoerd, stemt de namenreeks van eiseres overeen met die van haar gestelde vader. Nu inmiddels ook nog is gebleken dat eiseres alleen in Khartoem is achtergebleven, had het op de weg van verweerder gelegen om aanvullend onderzoek aan te bieden. Verweerder heeft weliswaar aangeboden een DNA-onderzoek te doen naar de familierelatie tussen eiseres en haar gestelde vader, maar dat is niet mogelijk gebleken. Anders dan verweerder, is de rechtbank van oordeel dat eiseres een plausibele verklaring heeft gegeven voor het feit dat haar vader niet in staat is mee te werken aan het DNA-onderzoek. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat illegale uitreis uit Eritrea zwaar wordt bestraft. Bovendien is het gelet op de overgelegde kopie-uitspraak van de Eritrese rechtbank van 12 januari 2018 de vraag of er wel een toestemmingsverklaring van de vader nodig is en dus of het nodig is om zijn identiteit vast te stellen. Uit die uitspraak zou immers blijken dat slechts haar moeder het gezag over eiseres heeft. Zowel eerder schriftelijk alsook desgevraagd ter zitting is namens eiseres opgemerkt dat het originele document voor onderzoek beschikbaar is. Verweerder heeft dit document echter niet op echtheid laten onderzoeken, zodat de rechtbank er (nog) geen conclusies aan kan verbinden.

7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet voldaan aan zijn onderzoeksplicht en heeft hij onvoldoende rekening gehouden met het belang van het kind. Het bezwaar van eiseres was niet kennelijk ongegrond, zodat er ook sprake is van een schending van de hoorplicht. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt daarvoor een termijn van acht weken.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1). Ook moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- (honderdzeventig euro) aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1.024,- (duizendvierentwintig euro) te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2019.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 C-635/17, E. t. Nederland, ECLI:EU:C:2019:192.

2 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3147.