Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10966

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
18-10-2019
Zaaknummer
NL 19.13726
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inreisverbod voor de duur van tien jaren opgelegd wegens drugsdelict. Eiser vormt een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde, zoals bedoeld in het arrest Zzh en I.O. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.13726

V-nummer: 285.046.9532


uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

geboren op [geboortedag] 1992, van Albanese nationaliteit.

(gemachtigde: mr. S. Petkovic),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Mačkić).


Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De zaak is op 19 september 2019 ter zitting aan de orde gesteld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is op 6 juni 2018 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden wegens het vervoeren en aanwezig hebben van cocaïne. Dit vonnis is op 26 september 2018 onherroepelijk geworden. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een voornemen kenbaar gemaakt om een inreisverbod op te leggen voor de duur van 10 jaren. Voorafgaand hieraan is eiser, met behulp van een tolk in de Albanese taal, gehoord.

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder op grond van artikel 62, tweede lid, onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn uitgevaardigd, omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Nu eiser het grondgebied onmiddellijk moet verlaten vanwege gevaar voor de openbare orde, heeft verweerder op grond van artikel 66a, zevende lid onder c van de Vw een inreisverbod voor de duur van tien jaren opgelegd. Volgens verweerder vormt eiser een gevaar voor de openbare orde als bedoeld in het arrest Z.Zh. en I.O.1

3. Eiser voert aan dat op grond van voornoemd arrest Z.Zh en I.O. voor een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar gemotiveerd moet worden dat een vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Volgens eiser is geen sprake van een actuele bedreiging. Het ging om een eenmalige misstap en er is geen recidiverisico. Ook is eiser ‘first offender’. Daarnaast moet verweerder bij het bepalen van de duur van het inreisverbod de individuele omstandigheden van eiser in beschouwing nemen. Eiser stelt dat hij een opleiding heeft afgerond, heeft gewerkt en in de toekomst in Nederland wil werken. Nu er een inreisverbod ligt van tien jaren, kan dat niet en tevens niet in een andere lidstaat. Ook heeft eiser een serieuze relatie met een vrouw die in Italië woont. Door het inreisverbod kan hij haar niet meer bezoeken. Eiser heeft in zijn aanvullende gronden een werkgeversverklaring toegezonden en een onvertaald arbeidscontract. Voor zijn werk zal hij in de toekomst naar het buitenland moeten reizen. Door het inreisverbod wordt hij daarin belemmerd.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser veroordeeld is voor het vervoeren en aanwezig hebben van cocaïne. Dit is naar zijn aard een ernstig feit. Dergelijke Opiumwetfeiten gaan ook gepaard met veel andere vormen van criminaliteit. Bovendien ondervindt de samenleving ernstige overlast ten gevolge van handel in harddrugs. Eiser heeft door zich schuldig te maken aan bovengenoemde drugsfeiten de maatschappij bewust aan risico’s blootgesteld en zich daarbij enkel laten leiden door het oogmerk van financieel gewin. Verweerder heeft kunnen concluderen dat het gedrag van eiser een negatieve invloed heeft op het algemene veiligheidsgevoel van de Nederlandse maatschappij. Verder heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat het gevaar dat eiser vormt voor de openbare orde, ook blijkt uit de hoogte van de opgelegde straf. De strafrechter is met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden ten nadele van eiser afgeweken van de strafeis van de officier van justitie. Verder heeft verweerder van belang kunnen achten dat er sprake is van een gering tijdsverloop sinds het gepleegde delict, waarbij eiser grotendeels ook in detentie heeft verbleven. Daarmee heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het gevaar nog altijd actueel is. Om die reden heeft verweerder beperkt gewicht kunnen hechten aan het feit dat eiser niet eerder is veroordeeld voor een misdrijf. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat verweerder had moeten afzien van het opleggen van het inreisverbod vanwege zijn vriendin die in Italië woont, doet dit niet af aan bovenstaande. Niet is gebleken dat eiser en zijn (gestelde) vriendin elkaar niet buiten Europa kunnen zien. De wens van eiser om in Nederland te werken, vormt evenmin een omstandigheid om af te zien van het inreisverbod. Dat eiser in de toekomst voor zijn werk naar de Europese Unie moet reizen, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Uit de werkgeversverklaring blijkt enkel dat hij in Albanië werk heeft gevonden als ‘corporate account’. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt in welk opzicht het inreisverbod gevolgen heeft voor die werkzaamheden. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van
mr. T. Pourjalili, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van 11 juni 2015 inzake Z.Zh. en I. O tegen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (C-554/13).