Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10958

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
18-10-2019
Zaaknummer
7271995 CV EXPL 18-4510
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ambtshalve toetsing bij Bulkgas & Tankovereenkomst. Kwalificatie van de overeenkomst en bewijsopdracht. In deze zaak staan tussen partijen voldoende feiten vast om te komen tot het oordeel dat hier wel degelijk sprake is van een overeenkomst als bedoeld in artikel 6:236 aanhef en onder j BW. Gedaagde partij is consument en eisende partij heeft zich jegens gedaagde partij verplicht tot het leveren van zaken, waaronder ook propaangas en het verrichten van diensten. Niet valt in te zien dat het door eisende partij benadrukte verschil dat niet alleen de distributie maar ook het onderhoud van de installaties door haar geschiedt, tot een ander oordeel moet leiden. Na de privatisering van de openbare netwerken voor aardgas en elektriciteit is er nog wel een onderscheid tussen distributeurs en leveranciers van aardgas of elektra, maar er is geen principieel onderscheid meer, omdat distributie en leverantie beide onderworpen zijn aan marktwerking en ook de distributie geëxploiteerd worden door private commerciële rechtspersonen, waarbij consumenten daarvoor een prijs betalen aan die private rechtspersonen.

Eisende partij zal worden toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden, die de gevolgtrekking rechtvaardigen dat de bedingen H14 en H15 sub f leiden tot een redelijke vergoeding van de schade die eisende partij lijdt bij tussentijdse opzegging van Bulkgas & Tankovereenkomsten als de onderhavige overeenkomst, daar die bedingen leiden tot een zodanige vergoeding dat eisende partij wordt gecompenseerd voor de verliezen die zij lijdt, omdat zij haar investeringen niet kan terugverdienen vanwege de tussentijdse opzegging. Gedaagde partij kan daarna tegenbewijs leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Leiden

HvB

Rolnr. : 7271995 \ CV EXPL 18-4510

Datum: 25 september 2019

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap

[eiser]

gevestigd en kantoorhoudende te [plaats]

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. A.M.M. Deneer,

tegen

[gedaagde]

wonende te [plaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. R.D. Rischen.

Partijen worden aangeduid als “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ”.

1 De procedure in conventie en reconventie

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 3 oktober 2018 met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie.

1.2.

Na conclusie van antwoord is een inlichtingen- en schikkingscomparitie gelast. De comparitie is gehouden op 14 februari 2019 en daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Voorafgaande aan en ter voorbereiding van de comparitie heeft [eiser] nog een conclusie van antwoord in reconventie overgelegd.

1.3.

De zaak is ter comparitie verwezen naar de rol, waarna [eiser] een akte na comparitie in conventie en reconventie heeft genomen en [gedaagde] vervolgens een antwoordakte na comparitie in conventie en in reconventie met producties heeft genomen.

1.4.

Daarna is in conventie en reconventie vonnis bepaald op heden.

2 De feiten in conventie en reconventie

Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken staan de navolgende feiten tussen partijen vast.

2.1.

Op 30 april 2014 hebben partijen een Bulkgas & Tankovereenkomst (hierna aan te duiden als: de overeenkomst) gesloten, waarop de Algemene Verkoop en Leveringsvoorwaarden en de Huurvoorwaarden van [eiser] van toepassing zijn verklaard.

De einddatum van de overeenkomst is door partijen bepaald op 29 april 2019.

De hokjes voor ‘ja’ of ‘nee’ achter de vermelding “Stilzwijgende verlenging” zijn geen van beide aangekruist.

2.2.

Artikel H4 van de Huurvoorwaarden van [eiser] luidt als volgt:

“Exclusiviteit. Klant verbindt zich ertoe de tank uitsluitend te laten vullen door [eiser] .”

Artikel H14 van de Huurvoorwaarden van [eiser] luidt als volgt:

“In geval van ontbinding van de overeenkomst is Klant aan [eiser] ook de restwaarde van alle commerciële voordelen verschuldigd die door [eiser] werden toegestaan bij de ondertekening van deze BULKGAS & TANKOVEREENKOMST. De Restwaarde Commerciële Voordelen wordt berekend volgens de verhouding tussen enerzijds het contractueel bepaalde totale gasverbruik van de Klant, zijnde het contractueel geschat jaarverbruik vermenigvuldigd met de totale duur van de overeenkomst in jaren, en anderzijds het volume gas dat effectief door [eiser] aan Klant geleverd werd. Dit geeft de volgende formule, waarbij

A = Aanvangswaarde Commerciële Voordelen (€, excl. BTW)

T = Contractueel Bepaalde Totale Verbruik van Klant (liter)

E = Effectieve door [eiser] geleverde gas aan Klant (liter)

R = Restwaarde Commerciële Voordelen (€, excl. BTW)

Restwaarde Commerciële Voordelen: R=Ax((T-E)/T))”

Artikel H15 onder f) van de huurvoorwaarden van [eiser] luidt als volgt:

“Indien één van de partijen haar contractuele verplichtingen niet nakomt, kan deze BULKGAS & TANKOVEREENKOMST van rechtswege ontbonden worden en heeft de benadeelde partij het recht een forfaitaire schadevergoeding te eisen op basis van:

  • -

    Het gemiste gasvolume: het geschatte jaarverbruik of twee maal de waterinhoud van de tank (indien het geschatte jaarverbruik minder is dan twee maal de waterinhoud van de tank;

  • -

    het aantal jaren te rekenen tot de volgende vervaldag van deze BULKGAS & TANKOVEREENKOMST;

  • -

    0,10 €/liter (exclusief BTW).

Berekening als volgt:

(aantal jaren x het gemiste gasvolume) x 0,10 €/liter (exclusief BTW).”

2.3.

Bij e-mail van 12 februari 2018 heeft [gedaagde] de overeenkomst per direct opgezegd. Hij heeft daarbij, onder meer, het navolgende laten weten:

“(…) Volgens de “wet van Dam” zijn overeenkomsten voor consumenten maar toegestaan voor maximaal een jaar. Alleen als de consument een belangrijk voordeel heeft gekregen dan kan het voor langere tijd. Daar is bij mij geen sprake van. (…)”

2.4.

[eiser] heeft deze tussentijdse opzegging niet geaccepteerd.

2.5.

De bij [gedaagde] aanwezige tank is op 13 maart 2018 door [eiser] opgehaald.

2.6.

[eiser] heeft [gedaagde] op 16 maart 2018 een factuur gestuurd, die sluit op een bedrag van € 738,10, inclusief btw. Op die factuur komen drie posten voor te weten forfaitaire vergoeding € 300,00 exclusief btw, terugnamekosten € 200,00 exclusief BTW en Restwaarde Commerciële afspraken € 110,00 exclusief btw.

3 De vordering in conventie en de grondslag daarvan

3.1.

[eiser] heeft haar vordering in conventie onvoorwaardelijk beperkt tot € 500,00. Zij vordert [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 496,10 vanaf 3 oktober 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, waaronder het salaris gemachtigde en de nakosten.

3.2.

Aan deze vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat [gedaagde] de overeenkomst voortijdig heeft opgezegd en dat [eiser] daarom gerechtigd is de overeenkomst te ontbinden en de in artikel H 15 sub f bepaalde forfaitaire vergoeding aan [gedaagde] in rekening te brengen.

4 Het verweer in conventie, de vordering in reconventie en de grondslag daarvan

4.1.

In conventie verzoekt [gedaagde] de vorderingen van [eiser] af te wijzen onder vernietiging van de bepalingen H14 en H15 sub f, althans de vordering te matigen tot een vergoeding berekend op één maand opzeggingstermijn, te weten € 1,51. [gedaagde] beroept zich als consument op de zogenoemde Wet Van Dam en acht de bepalingen H14 en H15 sub f onredelijk bezwarend.

4.2.

In reconventie vordert [gedaagde] om [eiser] te veroordelen om aan [gedaagde] te voldoen wegens onverschuldigde betaling een bedrag van € 42,65, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 november 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, als mede -voor zover niet reeds in conventie de vernietiging van de betreffende bepalingen is uitgesproken- de bepalingen H14 en H15 sub f te vernietigen en voorts [eiser] in conventie en reconventie te veroordelen in de kosten van de procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de veertiende dag na betekening van het vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening, voor zover de proceskosten op dat moment nog niet zijn voldaan.

5 Het verweer in reconventie

Op het verweer in reconventie, voor zover van belang, wordt hierna ingegaan onder het kopje de beoordeling in conventie en reconventie.

6 De beoordeling in conventie en reconventie

6.1.

Zowel in conventie als in reconventie is voor alles aan de orde of de kantonrechter de artikelen H14 en H15 sub f (hierna ook: de bedingen) ambtshalve dient te toetsen in verband de bescherming die [gedaagde] mogelijk heeft op grond van het consumentenrecht. [gedaagde] heeft immers zowel in conventie als in reconventie op grond van artikel 6:236 aanhef en onder j van het Burgerlijk Wetboek (BW) en/of op grond van artikel 6: 237 aanhef en onder k BW aangevoerd dat die artikelen als onredelijk bezwarend nietig dan wel vernietigbaar zijn.

6.2.

Ter comparitie is daarom aan partijen opgedragen een akte over dit punt en de feiten en omstandigheden in dit geval in relatie tot het rapport ambtshalve toetsing III te nemen. De kantonrechter zal de motivering van deze beslissing inrichten aan de hand van de in dat rapport beschreven stappenplan.

6.3.

Geen van beide partijen is in het buitenland gevestigd.

[eiser] is een rechtspersoon, die handelt in de uitoefening van haar bedrijf. Niet langer is in geschil dat [gedaagde] in dit geval is aan te merken als een consument (een natuurlijk persoon die niet handelt ter uitoefening van een beroep of bedrijf). [eiser] heeft terecht niet aangevoerd dat bedoelde bedingen aan te merken zijn als bedingen die de kern van de prestaties aangeven. Partijen zijn het er over eens dat het hier algemene voorwaarden betreft als bedoeld in artikel 6:231 aanhef en onder a BW en dat deze algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn.

6.4.

Dit alles brengt mee dat de kantonrechter ambtshalve dient te toetsen of de bedingen oneerlijk zijn aan de hand van het in het Nederlandse recht geïncorporeerde EG consumentenrecht (Richtlijn 93/13/EEG Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, hierna ook: de richtlijn).

6.5.

Gelet op de standpunten van partijen moet eerst worden bezien of hier sprake is van een overeenkomst als bedoeld in artikel 6:236 aanhef en onder j BW. [eiser] heeft immers gemotiveerd betwist dat het hier een overeenkomst betreft tot het geregeld afleveren van zaken, elektriciteit, warmte en koude daaronder begrepen en dag-, nieuws- en weekbladen en tijdschriften niet daaronder begrepen, of tot het geregeld doen van verrichtingen.

Stelplicht en bewijslast rusten met betrekking tot dit punt op [gedaagde] als consument die zich op de nietigheid dan wel de vernietigbaarheid van de bedingen beroept.

6.6.

Het betreft hier een overeenkomst waarbij de verschillende prestaties van [eiser] moeten worden gezien als een totaalpakket, waarbij [eiser] zich heeft verbonden om [gedaagde] verschillende samenhangende prestaties te leveren. Kort samengevat gaat het dan om de volgende prestaties:

  • -

    het ter beschikking stellen van een geschikte gekeurde propaantank;

  • -

    het aansluiten van de tank op het leidingwerk en de keuring van dat leidingwerk tot het gebouw (middeldrukleidingwerk);

  • -

    het leveren van propaan in de tank volgens de daarvoor geldende regelgeving;

  • -

    het verrichten van de wettelijk verplichte periodieke controles en keuringen (van tank, leidingwerk en middeldrukleidingwerk) en daaruit voortvloeiende verplichte reparaties en het verrichten van andere reparaties.

[eiser] benadrukt verder dat in tegenstelling tot de levering van aardgas en elektriciteit via het openbare distributienet, waarbij de fysieke distributie en het onderhoud van het netwerk in handen is van onafhankelijke nutsbedrijven, in dit geval zowel de fysieke distributie als het onderhoud door [eiser] geschiedt.

6.7.

In deze zaak staan tussen partijen voldoende feiten vast om te komen tot het oordeel dat hier wel degelijk sprake is van een overeenkomst als bedoeld in artikel 6:236 aanhef en onder j BW.

[gedaagde] is consument en [eiser] heeft zich jegens [gedaagde] verplicht tot het leveren van zaken, waaronder ook propaangas en het verrichten van diensten. Niet valt in te zien dat het door [eiser] benadrukte verschil dat niet alleen de distributie maar ook het onderhoud van de installaties door haar geschiedt, tot een ander oordeel moet leiden. Na de privatisering van de openbare netwerken voor aardgas en elektriciteit is er nog wel een onderscheid tussen distributeurs en leveranciers van aardgas of elektra, maar er is geen principieel onderscheid meer, omdat distributie en leverantie beide onderworpen zijn aan marktwerking en ook de distributie geëxploiteerd worden door private commerciële rechtspersonen, waarbij consumenten daarvoor een prijs betalen aan die private rechtspersonen.

6.8.

Verder is hier sprake van een overeenkomst voor bepaalde duur zonder dat [gedaagde] de bevoegdheid heeft om na een jaar de overeenkomst op te zeggen met een opzegtermijn van ten hoogste een maand.

Wat in deze zaak een complicerende factor is, is dat partijen, door geen van de desbetreffende vakjes aan te kruisen geen keuze hebben gemaakt of deze overeenkomst nu wel of niet stilzwijgend kan worden verlengd en Van er Hulst de overeenkomst heeft opgezegd voordat de in de overeenkomst bepaalde termijn is verstreken. [gedaagde] heeft onder randnummer 2 van de conclusie van antwoord gesteld dat dit niet de eerste overeenkomst voor vijf jaar is die hij met [eiser] heeft gesloten en dat hij al meer dan 30 jaar gas van [eiser] heeft afgenomen. [eiser] heeft dit niet weersproken. Die enkele omstandigheid kan echter niet tot de conclusie leiden dat eerdere overeenkomsten (steeds) stilzwijgend zijn verlengd en [gedaagde] heeft daaromtrent verder ook niets gesteld. Uit de inhoud van de overeenkomst zelf volgt voldoende dat in 2014 geen sprake was van een stilzwijgende verlenging.

6.9.

Dit alles brengt mee dat in dit geval de bepalingen op grond van artikel 6:237, aanhef en onder k BW worden vermoed onredelijk bezwarend te zijn en het aan [eiser] is om dit vermoeden te ontzenuwen, nu [gedaagde] zich er gemotiveerd op beroept dat deze bedingen als boetebedingen moeten worden beschouwd en hem verhinderen om de overeenkomst eerder op te zeggen, zodat hij op gebonden blijft aan de overeenkomst en daardoor (veel) te hoge prijzen voor het aan hem geleverde gas dient te blijven betalen en niet kan overstappen naar een andere leverancier.

6.10.

Partijen verschillen niet van inzicht over de kwalificatie van de bedingen als boetebedingen. Daarmee is de kantonrechter aan deze kwalificatie gebonden.

6.11.

Het argument van [eiser] dat de tussentijdse opzegging door [gedaagde] op zichzelf al een voldoende ernstige tekortkoming is, die de boete, en dus de vordering in conventie, rechtvaardigt, gaat niet op. Het is nu juist een hoofdregel van de op basis van voormelde Europese richtlijn in Nederland geïncorporeerde consumentenbescherming dat de consument in beginsel na één jaar de bevoegdheid toekomt om een overeenkomst als deze tussentijds te beëindigen. Daarmee is onverenigbaar om de enkele opzegging van [gedaagde] te kwalificeren als een ernstige tekortkoming die een ontbinding en een boete rechtvaardigen.

6.12.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat de bedingen leiden tot een boete die redelijk is en in een redelijke verhouding staat tot de schade die zij lijdt door de eerdere beëindiging van de overeenkomst, waardoor zij haar investeringen in de relatie met [gedaagde] , waaronder een gratis plaatsing van de tank, een gratis omruiling van de tank door een nieuwe/herkeurde tank, een gratis verplichte klepwissel, een korting op de huur en een gratis keuring van het middeldrukleidingwerk, niet kan terugverdienen. Zij heeft ook (nader) bewijs van haar stellingen aangeboden.

6.13.

Opgemerkt moet worden dat het niet voldoende is dat de bedingen in dit concrete geval tot een redelijk resultaat leiden, omdat bij de toetsing of het onderhavige beding terecht wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn van het concrete geval moet worden geabstraheerd.

6.14.

[eiser] zal daarom worden toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden, die de gevolgtrekking rechtvaardigen dat de bedingen H14 en H15 sub f leiden tot een redelijke vergoeding van de schade die [eiser] lijdt bij tussentijdse opzegging van Bulkgas & Tankovereenkomsten als de onderhavige overeenkomst, daar die bedingen leiden tot een zodanige vergoeding dat [eiser] wordt gecompenseerd voor de verliezen die zij lijdt, omdat zij haar investeringen niet kan terugverdienen vanwege de tussentijdse opzegging.

[gedaagde] kan daarna tegenbewijs leveren.

6.15.

De zaak wordt dus naar de rol verwezen, zodat [eiser] bij akte kan laten weten of zij bewijs wenst te leveren en indien zij zulks wenst te doen door het voorbrengen van getuigen, onder opgave van de namen en woonplaatsen van die getuigen alsmede de verhinderdata van haarzelf en de getuigen alsmede de verhinderdata van de wederpartij in de periode oktober tot en met maart 2019.

6.16.

De behandeling van deze zaak zal worden voortgezet door een andere kantonrechter omdat mr. L.C. Heuveling van Beek dan niet meer werkzaam is bij het kantongerecht te Leiden. Daarom dienen beide partijen bij ook akte te laten weten of zij in verband deze omstandigheid een comparitie van partijen wensen, die eventueel vooraf kan worden gehouden, indien [eiser] bewijs door getuigen wenst te leveren.

Voor het geval [eiser] op een andere wijze dan door getuigenbewijs bewijs wenst te leveren kan op dit punt worden volstaan met een akte aan de zijde van [eiser] en kan [gedaagde] ook op dit punt bij antwoordakte reageren.

6.17.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

7 Beslissing in conventie en reconventie

De kantonrechter:

- verwijst de zaak naar de rol van woensdag 23 oktober 2019, 10.00 uur voor het nemen van een akte aan de zijde van [eiser] als bedoeld in rechtsoverwegingen 6.15 en 6.16 van dit vonnis;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. L.C. Heuveling van Beek en uitgesproken door kantonrechter mr. G.M.A. van Zaltbommel-Uittenbogaard ter openbare terechtzitting van 25 september 2019.