Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10956

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-09-2019
Datum publicatie
18-10-2019
Zaaknummer
C/09/577928 / KG RK 19-1119
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft de rechtbank verzocht om een datum te bepalen voor een zitting in kort geding. De mondelinge behandeling werd bepaald op 8 juli 2019. Verzoeker heeft vervolgens contact opgenomen met de griffie en verzocht om een zittingsdatum op kortere termijn. Dit verzoek heeft er toe geleid dat de mondelinge behandeling van de zaak nader is bepaald op 1 juli 2019 om 15:00 uur. Op 1 juli 2019 in de ochtend heeft de griffier van de rechtbank telefonisch aan verzoeker medegedeeld dat de rechter had besloten dat de kort geding zitting geen doorgang kon vinden en dat er een nieuwe zittingsdatum zou worden bepaald. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat deze beslissing, te weten het niet door laten gaan van de kort geding zitting op 1 juli 2019 om 15:00 uur, zo onbegrijpelijk is, dat er voor die beslissing redelijkerwijs geen andere verklaring is dan dat die beslissing voortvloeit uit vooringenomenheid van de rechter.

Het wrakingsverzoek is ingediend op 27 juli 2019. Voor het tijdsverloop van 26 dagen heeft verzoeker geen redelijke verklaring kunnen geven. Verzoeker stelt dat hij zich in die periode heeft verdiept in de vraag van welk instrument (het indienen van een klacht of een wrakingsverzoek) hij het beste gebruik kon maken. Naar het oordeel van de wrakingskamer is dat echter – ook als in aanmerking wordt genomen dat verzoeker niet wordt bijgestaan door een advocaat – niet een voldoende verklaring voor het tijdsverloop van 26 dagen. Het wrakingsverzoek is daarom te laat ingediend.

Ten overvloede overweegt de wrakingskamer nog dat het wrakingsverzoek is gegrond op de stelling dat de rechter een onjuiste beslissing heeft genomen. Dat is een processuele beslissing, die in beginsel geen grond vormt voor wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer

wrakingnummer 2019/47

zaak- /rekestnummer: C/09/577928 / KG RK 19-1119

Beslissing van 9 september 2019

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot wraking van

mr. I.F. Dam,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

Belanghebbende in deze procedure is:

Stichting Zorginstelling Pieter van Foreest, vertegenwoordigd door mr. R.P.F. van der Mark.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het schriftelijke wrakingsverzoek van 27 juli 2019;

- de schriftelijke reactie van de rechter van 31 juli 2019;

- de e-mails van verzoeker van 24 augustus 2019 (vijf in totaal) en 26 augustus 2019;

1.2.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- verzoeker;

- de rechter;

De belanghebbende heeft voorafgaand de mondelinge behandeling laten weten niet te zullen verschijnen.

1.3.

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de wrakingskamer nog ontvangen een e-mail van verzoeker van 31 augustus 2019 met daarin een nadere toelichting op de mededelingen die verzoeker tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft gedaan.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 7843667 RL EXPL 19-13940 tussen verzoeker en belanghebbende.

2.2.

Verzoeker heeft blijkens zijn schriftelijke verzoek tot wraking van 27 juli 2019, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. De hoofdzaak is een kort geding procedure, die verzoeker (mede namens zijn partner) aanhangig heeft gemaakt tegen de belanghebbende. Voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding heeft verzoeker de rechtbank verzocht om een datum te bepalen voor een zitting in kort geding. De mondelinge behandeling werd bepaald op 8 juli 2019. Verzoeker heeft vervolgens contact opgenomen met de griffie en verzocht om een zittingsdatum op kortere termijn. Dit verzoek heeft er toe geleid dat de mondelinge behandeling van de zaak nader is bepaald op 1 juli 2019 om 15:00 uur. Op 1 juli 2019 in de ochtend heeft de griffier van de rechtbank telefonisch aan verzoeker medegedeeld dat de rechter had besloten dat de kort geding zitting geen doorgang kon vinden en dat er een nieuwe zittingsdatum zou worden bepaald.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat deze beslissing, te weten het niet door laten gaan van de kort geding zitting op 1 juli 2019 om 15:00 uur, zo onbegrijpelijk is, dat er voor die beslissing redelijkerwijs geen andere verklaring is dan dat die beslissing voortvloeit uit vooringenomenheid van de rechter.

2.3.

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.

3.2.

De wrakingskamer moet ambtshalve beoordelen of het verzoek tot wraking tijdig is ingediend. Het verzoek moet worden gedaan zodra de omstandigheden die daarvoor aanleiding hebben gegeven zich hebben voorgedaan. Na indiening van het verzoek wordt de procedure direct geschorst. Zo wordt voorkomen dat de rechter proceshandelingen verricht gedurende een periode waarvan later wordt vastgesteld dat hij toen niet over de vereiste onpartijdigheid beschikte. Ook is beoogd onnodige vertraging van de rechtspleging te voorkomen.

3.3.

De door verzoeker aangevoerde omstandigheden zijn aan hem bekend geworden op 1 juli 2019. Het wrakingsverzoek is ingediend op 27 juli 2019. Voor het tijdsverloop van 26 dagen heeft verzoeker geen redelijke verklaring kunnen geven. Verzoeker stelt dat hij zich in die periode heeft verdiept in de vraag van welk instrument (het indienen van een klacht of een wrakingsverzoek) hij het beste gebruik kon maken. Naar het oordeel van de wrakingskamer is dat echter – ook als in aanmerking wordt genomen dat verzoeker niet wordt bijgestaan door een advocaat – niet een voldoende verklaring voor het tijdsverloop van 26 dagen. Het wrakingsverzoek is daarom te laat ingediend. Dit betekent dat verzoeker niet kan worden ontvangen in zijn verzoek.

3.4.

Ten overvloede overweegt de wrakingskamer nog dat het wrakingsverzoek is gegrond op de stelling dat de rechter een onjuiste beslissing heeft genomen, door de kort geding zitting op 1 juli 2019 geen doorgang te laten vinden. Het bepalen (of aanhouden) van een zittingsdatum is echter een processuele beslissing, die op zichzelf geen feit of omstandigheid oplevert waardoor de rechterlijke partijdigheid schade zou kunnen lijden. Alleen als de beslissing gelet op de motivering of de wijze van totstandkoming zo onjuist of onbegrijpelijk is dat deze uitsluitend door vooringenomenheid kan worden verklaard, is er grond voor wraking. De aangevoerde grond haalt deze hoge drempel niet.

4 De beslissing

De wrakingskamer

4.1.

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek;

4.2.

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

4.3.

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• verzoeker;

• verweerder in de hoofdzaak p/a de raadsman mr. R.P.F. van der Mark;

• de rechter;

Deze beslissing is gegeven door de mrs. Y.J. Wijnnobel-van Erp, M. Kramer en J. Brandt in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Beeck en in openbaar uitgesproken op 9 september 2019.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.