Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10954

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-09-2019
Datum publicatie
18-10-2019
Zaaknummer
C/09/577040 / KG RK 19-1050
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Op 26 april 2019 heeft er een comparatie van partijen plaatsgevonden. De advocaat van verzoekers stelt dat hij voorafgaand aan de comparatie van partijen heeft verzocht om in de gelegenheid gesteld te worden om een antwoordakte te overleggen. Op de zitting heeft hij dit verzoek herhaald. De beslissing hierop is aangehouden en vervolgens is de zaak verwezen naar de rol van 15 mei 2019, zodat partijen de gelegenheid hadden om een minnelijke regeling te verkennen. Bij akte van uitlaten d.d. 29 mei 2019 heeft de advocaat het verzoek nogmaals onder de aandacht gebracht. Op enig moment hebben verzoekers en hun advocaat kennis genomen van de rolbeslissing om verzoekers niet in de gelegenheid te stellen om een antwoordakte overlegging producties in te dienen. Op 9 juli 2019 is de rechter middels een schriftelijk verzoek gewraakt. Naast de afwijzing van het verzoek voeren de verzoekers aan dat de vrees voor partijdigheid is ontstaan door de houding van de rechter ter terechtzitting met betrekking tot het verzoek en het ontbreken van enige motivering bij die rolbeslissing. De vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid wordt versterkt doordat de rechter ter terechtzitting zou hebben opgemerkt dat de rechter het verzoekers zou afraden om hoger beroep tegen het vonnis in te stellen.

De wrakingskamer is van oordeel dat de door verzoekers aangevoerde omstandigheden, ook in hun onderlinge verband, geen grond vormen voor wraking. De wraking betreft door de rechter genomen procedurele beslissingen, die geen grond kunnen vormen voor een wraking. Alleen als de beslissingen gelet op de motivering of de wijze van totstandkoming zo onjuist of onbegrijpelijk zouden zijn dat deze uitsluitend door vooringenomenheid zouden kunnen worden verklaard, is er grond voor wraking. De aangevoerde grond haalt deze hoge drempel niet.

Verzoekers voeren verder aan dat de rechter ter terechtzitting een opmerking heeft gemaakt over het al dan niet in hoger beroep gaan die bij hen twijfels over de partijdigheid van de rechter hebben opgeroepen. Wat daar ook van zij, de wrakingskamer is van oordeel dat ook die opmerking niet kan leiden tot een gegronde wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer

wrakingnummer 2019/45

zaak- /rekestnummer: C/09/577040/ KG RK 19/1050

Beslissing van 9 september 2019

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] ,

beide wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: verzoekers,

advocaat mr. D.A. Beck te Leiden,

strekkende tot de wraking van

mr. M.L. Harmsen,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

Belanghebbenden in deze procedure zijn:

[belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] B.V.

Advocaat mr. J.A. Huijgen te Den Haag

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoekers van 9 juli 2019;

- de schriftelijke aanvulling op het wrakingsverzoek van verzoekers van 21 augustus 2019;

- de schriftelijke reactie van de rechter van 6 augustus 2019;

- de aanvullende schriftelijke reactie van de rechter van 23 augustus 2019;

- de schriftelijke reactie van de belanghebbende van 14 augustus 2019.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- verzoekers, bijgestaan door hun raadsman mr. D.A. Beck, advocaat te Leiden;

- advocaat van de belanghebbenden mr. J.A. Huijgen, advocaat te Den Haag.

De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/09/561458 / HA ZA 18/1044 tussen [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] B.V. (hierna: belanghebbenden) en verzoekers. Bij tussenvonnis van 9 januari 2019 is er een comparatie van partijen bevolen. Deze comparatie van partijen heeft plaatsgevonden op 26 april 2019.

De advocaat van verzoekers stelt dat hij voorafgaand aan de comparatie van partijen heeft verzocht om in de gelegenheid gesteld te worden om een antwoordakte te overleggen.

Op de zitting heeft hij dit verzoek herhaald. De beslissing hierop is aangehouden en vervolgens is de zaak verwezen naar de rol van 15 mei 2019, zodat partijen de gelegenheid hadden om een minnelijke regeling te verkennen. Bij akte van uitlaten d.d. 29 mei 2019 heeft de advocaat het verzoek nogmaals onder de aandacht gebracht.

Op enig moment hebben verzoekers en hun advocaat kennis genomen van de rolbeslissing om verzoekers niet in de gelegenheid te stellen om een antwoordakte overlegging producties in te dienen.

Op 9 juli 2019 is de rechter middels een schriftelijk verzoek gewraakt.

2.2.

Verzoekers hebben blijkens het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan hun verzoek ten grondslag gelegd.

Door de rolbeslissing van de rechter en de eerdere beslissing om hen niet in de gelegenheid te stellen om een antwoordakte te overleggen, is bij hen de vrees voor partijdigheid ontstaan. Deze vrees is ontstaan door de houding van de rechter ter terechtzitting met betrekking tot het verzoek en het ontbreken van enige motivering bij die rolbeslissing. Afwijzing van het verzoek leidt volgens de verzoekers tot grove schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

De vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid wordt versterkt doordat de rechter ter terechtzitting zou hebben opgemerkt dat de rechter het verzoekers zou afraden om hoger beroep tegen het vonnis in te stellen.

2.3.

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.

3.2.

Verzoekers vinden de rechter vooringenomen omdat deze onjuiste beslissingen zou hebben genomen. De rechter heeft ter terechtzitting de beslissing op het verzoek tot het in de gelegenheid gesteld worden om een antwoordakte overlegging producties in te dienen aangehouden en vervolgens bij rolbeslissing afgewezen.

De juistheid van de rechterlijke beslissing kan echter alleen worden beoordeeld als daartegen een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) is aangewend.

De wrakingsprocedure is daarvoor niet bestemd, omdat het daarin uitsluitend gaat over de (schijn van) vooringenomenheid van de rechter.

3.3.

De wrakingskamer is van oordeel dat de door verzoekers aangevoerde omstandigheden, ook in hun onderlinge verband, geen grond vormen voor wraking. De wraking betreft door de rechter genomen procedurele beslissingen, die geen grond kunnen vormen voor een wraking. Alleen als de beslissingen gelet op de motivering of de wijze van totstandkoming zo onjuist of onbegrijpelijk zouden zijn dat deze uitsluitend door vooringenomenheid zouden kunnen worden verklaard, is er grond voor wraking. De aangevoerde grond haalt deze hoge drempel niet.

Verzoekers voeren verder aan dat de rechter ter terechtzitting een opmerking heeft gemaakt over het al dan niet in hoger beroep gaan die bij hen twijfels over de partijdigheid van de rechter hebben opgeroepen. Wat daar ook van zij, de wrakingskamer is van oordeel dat ook die opmerking niet kan leiden tot een gegronde wraking. Het verzoek dient dan ook te worden afgewezen.

4 De beslissing

De wrakingskamer

4.1.

wijst het verzoek tot wraking af ;

4.2.

bepaalt dat de behandeling van de onder 1 vermelde procedure wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

4.3.

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoekers p/a hun advocaat mr. D.A. Beck;

• eisers in de hoofdzaak p/a/ hun advocaat mr. J.A. Huijgen;

• de rechter.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. Y.J. Wijnnobel-Van Erp, M. Kramer en R. Cats in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Beeck en in openbaar uitgesproken op 9 september 2019.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.