Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10917

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
08-11-2019
Zaaknummer
Rolnr. 8105882 / RL EXPL 19-23779
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huur van atelierruimte in een landhuis te Rijswijk. Is de Gemeente als eigenaar aansprakelijk voor schade aan kunstwerken in de atelierruimte van huurder?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team kanton Den Haag

Rolnr.: 8105882 RL EXPL 19-23779

(voorheen zaaknummer / rolnummer team handel: C/09/562868 HA ZA 18/1139)

22 oktober 2019 (bij vervroeging)

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van

[eiser] te [woonplaats] ,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. A.S.J. van Etten te Den Haag,

tegen

de Gemeente Rijswijk te Rijswijk (Zuid-Holland),

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. M.S. Houweling te Den Haag.

Partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘de Gemeente’ genoemd.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 oktober 2018 met producties;

  • -

    het herstelexploot van 13 november 2018;

  • -

    de incidentele conclusie van onbevoegdheid, tevens conclusie van antwoord in de hoofdzaak met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident;

  • -

    het vonnis in het incident van 8 mei 2019, waarin een comparitie van partijen in het incident en in de hoofdzaak is bevolen,

  • -

    het vonnis van 10 juli 2019, waarbij de mondelinge behandeling op 15 oktober 2019 is bepaald;

  • -

    de aanvullende productie aan de zijde van [eiser] van 12 september 2019;

  • -

    de aanvullende productie aan de zijde van de Gemeente van 11 oktober 2019;

  • -

    de mondelinge behandeling op 15 oktober 2019, waarbij zijn verschenen:

[eiser] , bijgestaan door zijn advocaat.

namens de Gemeente: [betrokkene] , bijgestaan door mr. B.T. Tonino.

- de mondelinge tussenbeslissing in het incident tijdens de zitting van 15 oktober 2019, waarbij de rechtbank de zaak heeft verwezen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.

1.2.

In het incident heeft de Gemeente gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaard ten aanzien van de vorderingen van [eiser] in de hoofdzaak, omdat [eiser] zijn vorderingen baseert op het huurrecht. Ter zitting op 15 oktober 2019 heeft de rechtbank [eiser] en de Gemeente voorgehouden dat, gelet op de (voormalige) huurovereenkomst tussen partijen, de zaak tot de bevoegdheid van de kantonrechter behoort onder verwijzing naar art. 93 aanhef en onder c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). De rechtbank heeft daarom de zaak op de voet van art. 71 lid 2 Rv naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank verwezen, waarbij partijen ook zijn gewezen op het bepaalde in art. 71 lid 4 Rv (eerste zin). Daarbij heeft de rechtbank partijen er verder op geattendeerd dat de in deze procedure geheven griffierechten op grond van art. 8 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken zullen worden verlaagd en dat de teveel betaalde griffierechten door de griffier zullen worden teruggestort. De rechtbank heeft de incidentele vordering van de Gemeente afgewezen en de proceskosten in het incident tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

1.3.

De mondelinge behandeling is, met instemming van partijen, op voornoemde datum voortgezet door de kantonrechter. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden.

1.4.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen [eiser] en de Gemeente Den Haag heeft sinds 30 juli 1991 een huurovereenkomst bestaan, waarbij [eiser] van de Gemeente Den Haag een atelierruimte huurde in het in ca 1800 gebouwde landhuis [naam landhuis] , gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: [naam landhuis] ). Deze overeenkomst werd aangegaan voor de periode van 1 augustus 1991 tot en met 31 juli 1992, met daarna stilzwijgende verlenging van jaar tot jaar.

2.2.

Voor zover hier van belang is verder het volgende in de overeenkomst bepaald:

“art. 1 de huurder mag het gehuurde uitsluitend gebruiken als atelierruimte;

[…]

art. 3 de huurder verklaart het gehuurde te hebben aanvaard in de staat waarin het gehuurde zich bevindt en verbindt zich het gehuurde bij beëindiging van de huur in dezelfde staat weer op te leveren;

[…]

art. 7 de huurder zal moeten toestaan, dat aan, in of op het gehuurde vanwege of met medeweten van de gemeente stellingen, steunpunten, draden en kabels voor geleidingen worden aangebracht en behouden, zulks zonder enigerlei aanspraak op schadevergoeding te kunnen doen gelden;

[…]

art. 12 de kosten van aanvraag tot levering van energie en water alsmede het gebruik en onderhoud daarvan komen voor rekening van de huurder. […]”

2.3.

In 2001 heeft de Gemeente [naam landhuis] gekocht van de Gemeente Den Haag en is zij de Gemeente Den Haag als verhuurder opgevolgd.

2.4.

[eiser] heeft de atelierruimte tot najaar 2012 gehuurd. Daarna werd [naam landhuis] voor verkoop ontruimd.

2.5.

In juni 2012 constateerde [eiser] dat een deel van het plafond van de atelierruimte was ingestort, waarbij de inboedel van [eiser] , waaronder zich diverse kunstwerken bevonden, beschadigd is geraakt.

2.6.

[eiser] heeft de Gemeente bij brief van 13 juni 2012 en schadeaangifteformulier van 26 juli 2012 aansprakelijk gesteld voor de bij hem ontstane schade.

2.7.

De Gemeente heeft eerst bij brief van 15 oktober 2012 aansprakelijkheid voor de schade van [eiser] van de hand gewezen. De Gemeente schreef daarin onder meer het volgende:

“In uw brief van 13 juni 2012 heeft u de gemeente Rijswijk aansprakelijk gesteld voor de schade aan diverse schilderijen en tekeningen als gevolg van wateroverlast door een lekkage in de door u van de gemeente gehuurde atelierruimte in gebouw [naam landhuis] aan de [adres] te [plaats] . De schadedatum is onbekend, evenals de omvang van de schade aan de inboedel. U meldde dat u de atelierruimte bezocht vanwege de verhuizing uit gebouw [naam landhuis] .

Na ontvangst van uw brief zonden wij u op 20 juni 2012 een schade-aangifteformulier ter nadere invulling, welke wij op 30 juli 2012 retour ontvingen. Tevens ontvingen wij een e-mailbericht met foto’s en beschrijvingen van beschadigde werken.

Uit verkregen informatie over het gebruik van uw atelierruimte begrijpen wij, dat u deze ruimte al geruime tijd alleen maar voor opslag heeft gebruikt en dat de ruimte vermoedelijk gedurende langere tijd niet is bezocht.

Aangezien onbekend is vanaf wanneer de waterschade is ontstaan en gelet op het feit dat de atelierruimte voor de toezichthouders niet vrij toegankelijk is, heeft de gemeente Rijswijk de lekkage niet kunnen constateren, noch maatregelen kunnen treffen. Bovendien heeft niemand de gemeente tijdig op de hoogte gesteld van de lekkage. Hieruit concluderen wij dat de waterschade niet is ontstaan door handelen of nalaten van de gemeente. De gemeente Rijswijk erkent derhalve geen aansprakelijkheid.

Over het onderhoud en het gebruik van het pand kunnen wij u het volgende berichten. De afdeling Stadsbeheer is als gebouwbeheerder van het bewuste pand belast met het reguliere onderhoud. Het betreft hier een oud gemeentelijk pand (monument) wat sinds een aantal jaar met bescheiden middelen wind- en waterdicht wordt gehouden In afwachting van een nieuwe bestemming dan wel een andere eigenaar. Het pand wordt al enige jaren voor het grootste deel door Ad Hoc Tijdelijk Beheer antikraak gehuurd. Een ingesteld onderzoek door een toezichthouder van de afdeling Stadsbeheer heeft uitgewezen dat de lekkage afkomstig is van uw bovenbuurman, die via Ad Hoc huurt. […]

Ervan uitgaande dat elke huurder in dit pand tevens beschikt over een verplichte genoegzame verzekering tegen alle denkbare risico’s met betrekking tot het gehuurde, bijvoorbeeld een inboedel- en/of wettelijke aansprakelijkheidsverzekering, adviseren wij u om een beroep te doen op voornoemde verzekering(en) van uzelf, dan wel op die van uw bovenbuurman.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

  1. voor recht verklaart dat het instorten van het plafond toe te rekenen is aan de Gemeente;

  2. voor recht verklaart dat de Gemeente aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade ten gevolge van de instorting van het plafond in het gehuurde, nader op te maken bij staat;

  3. de Gemeente te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Aan zijn vorderingen legt [eiser] ten grondslag dat de Gemeente als verhuurder aansprakelijk is voor een toerekenbaar gebrek aan de door hem gehuurde atelierruimte. Water, afkomstig van de huurder boven [eiser] , heeft zich kunnen verzamelen in het plafond van het door hem gehuurde, met als gevolg de gedeeltelijke instorting van het plafond en de overstroming van zijn atelier. Daardoor zijn schilderijen en krijttekeningen beschadigd geraakt. Het plafond had niet kunnen instorten indien er geen sprake was geweest van een gebrek, te weten achterstallig onderhoud aan de constructie. Deze omstandigheid dient voor rekening van de Gemeente te komen op grond van art. 7:208 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), aldus [eiser] .

3.3.

De Gemeente voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Naar het oordeel van de kantonrechter ligt het juridische gelijk aan de zijde van de Gemeente. Daartoe is in de kern het volgende redengevend.

4.2.

[eiser] heeft – mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de Gemeente – onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden toegelicht dat er in een situatie als deze sprake was van een gebrek dat aan de Gemeente valt toe te rekenen.

4.3.

Voor de beantwoording van de vraag of de Gemeente als verhuurder op grond van art. 7:208 BW aansprakelijk is, dient eerst vastgesteld te worden of sprake was van een gebrek aan het gehuurde in de zin van art. 7:204 lid 2 BW.

4.4.

Daarin is bepaald dat onder een gebrek moet worden verstaan “een staat of eigenschap van de zaak of een andere aan de huurder niet toe te rekenen omstandigheid waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft.”

4.5.

Vaststaat dat het plafond van de door [eiser] gehuurde atelierruimte in [naam landhuis] gedeeltelijk is ingestort en dat [eiser] dat in juni 2012 heeft geconstateerd. Hij heeft dit aan de Gemeente meegedeeld, de Gemeente aansprakelijk gesteld en het schadeaangifteformulier ingevuld. [eiser] heeft de aangetroffen situatie toegelicht met behulp van een destijds genomen foto waarop te zien is dat dakelementen gedeeltelijk loshangen, in het midden van het plafond een grote donkere vochtplek zichtbaar is, en daaromheen diverse schimmelplekken op het plafond zichtbaar zijn. Ook volgt uit de brief van de Gemeente van 15 oktober 2012 dat een door een toezichthouder van de afdeling Stadsbeheer van de Gemeente ingesteld onderzoek “heeft uitgewezen dat de lekkage afkomstig is van uw [Rb.: [eiser] ’] bovenbuurman, die via Ad Hoc huurt.”

4.6.

Hoewel [naam landhuis] een eeuwenoud landhuis betreft, en uit de bewoordingen van de huurovereenkomst volgt dat de verantwoordelijkheid voor het gehuurde in hoge mate bij de huurder ligt, is de kantonrechter, anders dan de Gemeente Rijswijk, van oordeel dat hierdoor sprake was van een situatie dat het gehuurde niet langer het genot aan [eiser] kon verschaffen dat hij van het gehuurde mocht verwachten. Ook zijn er geen feiten en omstandigheden aangedragen die maken dat het instorten van het plafond van de atelierruimte aan [eiser] kan worden toegerekend. Het ingestorte plafond vormt daarmee een gebrek in de zin van art. 7:204 lid 2 BW.

4.7.

De Gemeente is echter alleen dan aansprakelijk voor de schade die is ontstaan als gevolg van dit gebrek indien dit, omdat het gebrek na aanvang van de huurovereenkomst is ontstaan, aan haar kan worden toegerekend. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake.

4.8.

Voor aansprakelijkheid van de Gemeente voor de schade als gevolg van het gebrek zal sprake moeten zijn van enige verwijtbaarheid met betrekking tot het intreden van het gebrek of ten aanzien van het niet tijdig verhelpen daarvan. Nu de lekkage, zoals partijen ieder voor zich ter zitting hebben toegelicht, naar het zich laat aanzien is ontstaan door de bovenbuurman van de atelierruimte, is enige verwijtbaarheid met betrekking tot het intreden van het gebrek aan de zijde van de Gemeente niet vast komen te staan. Daar komt bij dat [eiser] weliswaar heeft gesteld – maar de Gemeente heeft betwist – dat de waterleiding bij deze gebruiker boven hem was gebroken en de gemeente eerder veelvuldig op de hoogte zou zijn gesteld ter zake van gebreken aan [naam landhuis] , maar hij op zijn beurt heeft nagelaten dat voldoende concreet feitelijk te onderbouwen. Het staat dus niet vast dat de Gemeente eerder op de hoogte was van de lekkage of de oorzaak daarvan. Ook is niet gesteld of gebleken dat de Gemeente heeft verzuimd het gebrek te verhelpen. Na de ontdekking van de schade aan zijn kunstwerken heeft [eiser] , zoals eveneens ter zitting toegelicht, de aangetaste schilderijen en krijttekeningen bij twee restauratoren ondergebracht en heeft hij de geplande verhuizing naar een ander atelier, dat hij huurt van de Gemeente, doorgezet. Geen feiten of omstandigheden zijn vast komen te staan waaruit kan worden afgeleid dat de Gemeente ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Van enige verwijtbaarheid ten aanzien van het verhelpen van het gebrek is daarom ook geen sprake.

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat het gebrek niet aan de Gemeente kan worden toegerekend, zodat de Gemeente op grond van art. 7:208 BW niet tot het vergoeden van de gevolgschade van [eiser] gehouden is.

4.10.

Omdat de vorderingen van [eiser] op grond van het voorgaande niet kunnen slagen, zullen de overige stellingen en verweren onbesproken blijven.

4.11.

De slotsom moet zijn dat de vorderingen van de [eiser] worden afgewezen.

4.12.

[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Tot op heden zijn deze kosten aan de zijde van de Gemeente in redelijkheid vast te stellen op € 420 aan salaris van de advocaat (2 punten à € 210). De proceskostenveroordeling zal, zoals de Gemeente heeft gevorderd en onweersproken is gebleven, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard en vermeerderd met wettelijke rente worden toegewezen als in de beslissing is weergegeven. Voor een veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, omdat de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert. De kantonrechter zal de nakosten begroten op € 105.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 420,--, vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis, en begroot de nakosten op € 105;

5.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. H.J. van Harten en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2019.