Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10843

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-10-2019
Datum publicatie
17-10-2019
Zaaknummer
C-09-571496-HA RK 19-255
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Twee verzoekers stellen dat zij slachtoffers zijn van onrechtmatige luchtaanvallen op 26 januari 2015 in Irak en dat de Staat daarvoor aansprakelijk is. In dat kader doen zij een verzoek tot afschrift van diverse informatie en bescheiden. De rechtbank wijst het verzoek af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/571496 / HA RK 19/255

Beschikking van 15 oktober 2019

in de zaak van

1 [verzoeker 1] ,

2. [verzoekster 2],

beiden te [plaats] , Irak,

verzoekers,

advocaten mr. L. Zegveld en mr. A. Vossenberg te Amsterdam,

tegen

de Staat der Nederlanden (ministerie van Defensie) te Den Haag,

verweerder,

advocaten mr. K. Teuben en mr. S. Heeroma te Den Haag.

Verzoekers worden hierna afzonderlijk aangeduid als ‘ [verzoeker 1] ’ en ‘ [verzoekster 2] ’ en gezamenlijk als ‘ [verzoeker 1] en [verzoekster 2] ’. Verweerder wordt hierna ‘de Staat’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 3 april 2019 ingediende verzoekschrift met producties;

  • -

    het op 19 augustus 2019 ingediende verweerschrift met productie;

  • -

    de aanvullende producties aan de zijde van [verzoeker 1] en [verzoekster 2] van 26 augustus 2019 en 29 augustus 2019;

  • -

    de mondelinge behandeling op 3 september 2019, waarbij de advocaten van partijen hun spreekaantekeningen hebben overgelegd.

  • -

    de aanvullende productie aan de zijde van [verzoeker 1] en [verzoekster 2] van 6 september 2019;

  • -

    de brief van 10 september 2019 aan de zijde van [verzoeker 1] en [verzoekster 2] ;

  • -

    de brief van 13 september 2019 aan de zijde van de Staat.

1.2.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van de beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 25 juni 2014 hebben de Iraakse autoriteiten in het kader van de strijd tegen de terroristische organisatie ISIS (hierna ook: IS) bij de Verenigde Naties een verzoek tot militaire steun ingediend. Irak heeft dat verzoek op 20 september 2014 herhaald.

2.2.

De Nederlandse regering heeft daarop in september 2014 besloten om naast politieke en humanitaire steun, ook militair bij te dragen aan de internationale strijd tegen IS in Irak, in samenwerking met de Verenigde Staten en andere aangesloten coalitielanden. De Nederlandse inzet is er op gericht om, in het kader van de bevordering van de internationale rechtsorde, een bijdrage te leveren aan het de-escaleren van de situatie in de regio. De bijdrage van Nederland omvat het leveren van trainers om Iraakse en Koerdische strijdkrachten in staat te stellen IS op de grond te bevechten. Daarnaast werden tot 1 januari 2019 Nederlandse F-16’s beschikbaar gesteld voor luchtaanvallen op – in eerste instantie enkel – Iraaks grondgebied, gericht op het uitschakelen van tactische locaties van IS.

2.3.

Een coalitie van 30 landen heeft een militaire bijdrage geleverd (hierna: de coalitie). Daarbij is gebruik gemaakt van Amerikaanse commandovoeringstructuren. Het Amerikaanse Central Command (hierna: CENTCOM) is verantwoordelijk voor de coördinatie van de militaire bijdragen van de verschillende coalitiepartners en treedt als woordvoerder van de coalitie op. Over van te voren geplande militaire inzet besluit de commandant van de Combined Joint Task Force (hierna: CJTF) vanuit het hoofdkwartier in Bagdad, Irak. De inzet van luchtmacht van de coalitie wordt gecoördineerd door het Combined Air Operations Center (hierna: CAOC) in Qatar. Als besloten wordt tot een luchtaanval kan aan individuele coalitielanden - waaronder aan Nederland tot 1 januari 2019 - worden verzocht of de luchtaanval met een of meer toestellen van dat coalitieland kan worden uitgevoerd. Vanaf dat moment krijgt het coalitieland informatie over het betreffende doel. Ieder coalitieland heeft een Red Card Holder (ook: National Approval Authority) in Qatar gestationeerd. Deze Red Card Holder maakt namens het betreffende coalitieland steeds de afweging of het specifieke doel van de luchtaanval binnen het nationale mandaat en juridische kader valt en al dan niet doorgang kan vinden.

2.4.

In de afgelopen jaren heeft een groot aantal missies met Nederlandse F-16’s plaatsgevonden, waarbij meerdere malen gewapende inzet is gepleegd tegen IS-doelen, waaronder voertuigen, logistieke opslagplaatsen en wapenopstellingen.

2.5.

Op 26 januari 2015 zijn Nederlandse F-16’s in Irak gewapend ingezet.

2.6.

Op 27 januari 2015 heeft het CJTF, voor zover hier van belang, het volgende persbericht gepubliceerd:

“Military Airstrikes Continue Against ISIL in Syria and Iraq

SOUTHWEST ASIA – On Jan. 26, U.S. and Coalition military forces continued to attack ISIL terrorists in Syria, using attack, bomber, and fighter, aircraft to conduct three airstrikes. Separately, U.S. and Coalition military forces conducted seven airstrikes in Iraq, using attack, bomber, fighter, and remotely piloted aircraft against ISIL terrorists. All strikes took place between 8 a.m., Jan. 26, and 8 a.m., Jan. 27, local time.

The following is a summary of the strikes conducted since the last press release:

[…]

Iraq

  • -

    Near Al Asad, an airstrike denied ISIL use of key terrain.

  • -

    Near Fallujah, an airstrike destroyed an ISIL IED assembly and ammo storage facility.

  • -

    Near Mosul, three airstrikes struck an ISIL road and an ISIL tactical unit and destroyed two ISIL armored vehicles and ISIL construction equipment.

  • -

    Near Sinjar, an airstrike struck an ISIL tactical unit and destroyed two ISIL vehicles.

  • -

    Near Mahkmur, an airstrike destroyed ISIL engineer equipment.

Airstrike assessments are based on initial reports. […] Coalition nations conducting airstrikes in Iraq include the U.S., Australia, Belgium, Canada, Denmark, France, Netherlands, and the United Kingdom.”

2.7.

Bij brief van 20 juli 2017 hebben [verzoeker 1] en [verzoekster 2] de Staat verzocht duidelijkheid te verschaffen over betrokkenheid van Nederlandse F-16’s bij luchtaanvallen in Irak op 26 januari 2015 waarbij [verzoeker 1] en [verzoekster 2] gewond zouden zijn geraakt, dan wel de wetenschap van de Staat over deze luchtaanvallen.

2.8.

Bij brief van 28 augustus 2017 heeft de Staat, kort gezegd, aangegeven dat de gestelde vragen niet beantwoord konden worden omdat openbaarmaking van gedetailleerde informatie over de operationele inzet van de Nederlandse krijgsmacht in de strijd tegen IS een wezenlijk veiligheidsrisico oplevert voor de Nederlandse militairen en voor de nationale veiligheid in het algemeen. Openbaarmaking van informatie over de operationele inzet van andere landen van de coalitie doorbreekt, aldus de Staat, ook de eenheid in de coalitie en levert een direct risico op voor betrekkingen met de betreffende landen.

2.9.

Bij brief van 11 september 2017 hebben [verzoeker 1] en [verzoekster 2] de Staat opnieuw verzocht om informatie met betrekking tot twee luchtaanvallen in Irak op 26 januari 2015 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) en de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp).

2.10.

Bij besluit van 21 november 2017 heeft de Staat de openbaarmaking van de door [verzoeker 1] en [verzoekster 2] gevraagde documenten geweigerd. Het daartegen ingediende bezwaar van [verzoeker 1] en [verzoekster 2] werd ongegrond verklaard. [verzoeker 1] en [verzoekster 2] hebben vervolgens geen beroep bij de bestuursrechter ingesteld.

2.11.

Bij besluit van 15 december 2017 heeft de Staat het verzoek op grond van de Wbp afgewezen. Het bezwaar van [verzoeker 1] en [verzoekster 2] tegen deze afwijzing werd op 23 augustus 2018 gegrond verklaard en aan hen is een overzicht van verwerkte persoonsgegevens verstrekt.

2.12.

Op verzoek van Irak heeft Nederland onder meer in september 2018 besloten de bijdrage aan de strijd tegen IS in Irak te verlengen tot en met 31 december 2019. In 2019 is de trainingsinzet voortgezet en ondersteunt Nederland de capaciteitsopbouw van de veiligheidssector van Irak. De inzet van Nederlandse F-16’s in de strijd tegen IS boven Irak (en inmiddels ook Oost-Syrië) is geëindigd op 31 december 2018.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker 1] en [verzoekster 2] hebben, na vermeerdering en tevens vermindering van het verzoek, samengevat, de rechtbank verzocht om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking de Staat te bevelen om hen afschrift te verstrekken van de volgende bescheiden, kosten rechtens:

A. Alle informatie over de acties van de F-16’s die in het kader van de internationale coalitie op 26 januari 2015 luchtaanvallen hebben uitgevoerd en de specifieke acties van Nederlandse F-16’s die dag “near Mosul ” en “near Sinjar”, waaronder in ieder geval:

i. Logboekverslagen;

ii. Lijsten met coördinaten van deze luchtaanvallen;

iii. Situation Reports (Sitreps);

iv. Mission Reports (Misreps);

v. Verslagen aangaande het verzamelen van inlichtingen, verkenning en surveillance en de daadwerkelijke planning van deze luchtaanvallen;

vi. Collateral Damage Estimation (CDE);

vii. After Action Reports (AAR);

viii. Vervolgcommunicatie naar aanleiding van de After Action Reports bijvoorbeeld tussen de Commandant der Strijdkrachten en het Openbaar Ministerie over de rechtmatigheid van de wapeninzet alsmede het resultaat van de beoordeling van het optreden door het Openbaar Ministerie;

ix. Interne Memoranda (IM’s) die ten behoeve van de Commandant der Strijdkrachten en de ambtelijke leiding van Defensie zijn opgesteld (waarin wordt aangegeven wanneer, waar en hoe een missie is uitgevoerd, hoeveel projectielen van welk type is afgeworpen, op welke doelen en met welk resultaat);

x. Verslagen van debriefings voor de F-16-piloten die deze luchtaanvallen uitvoerden.

xi. Rapporten over de burgerslachtoffers van bombardementen uitgevoerd op 26 januari 2015 (Civilian Casualty-reports, oftewel CivCas-reports).

Alle informatie (waaronder inbegrepen gegevens, documenten en correspondentie) die ziet op de wetenschap van het Ministerie van Defensie (in 2015 en nu) van de luchtaanvallen op 26 januari 2015 en de inhoud van die wetenschap.

Informatie over en uitslagen van stemmingen over luchtaanvallen die op 26 januari 2015 door de coalitie zouden worden uitgevoerd en de besluitvorming die daaraan vooraf is gegaan (waaronder de belangenafweging en advisering) door Nederland c.q. de coalitiepartners tezamen (inclusief de stem van Nederland c.q. de Nederlandse Red Card Holder).

3.2.

[verzoeker 1] en [verzoekster 2] hebben aan hun verzoek art. 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) ten grondslag gelegd. Volgens [verzoeker 1] en [verzoekster 2] is voldaan aan de vereisten voor exhibitie van art. 843a lid 1 Rv en kan de Staat zich niet geslaagd beroepen op de weigeringsgronden van art. 843a lid 3 en lid 4 Rv.

3.3.

De Staat voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[verzoeker 1] en [verzoekster 2] stellen dat zij slachtoffers zijn van onrechtmatige luchtaanvallen op 26 januari 2015 in Irak en dat de Staat daarvoor aansprakelijk is. Daarmee heeft de zaak een internationaal element. Omdat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] de Staat in Nederland in rechte heeft betrokken, wordt de procedure gevoerd aan de hand van de regels van het Nederlandse burgerlijk procesrecht.

4.2.

Ter beoordeling ligt voor of er toereikende grond bestaat om de Staat te bevelen tot afschrift van de door [verzoeker 1] en [verzoekster 2] onder 3.1 verzochte informatie.

4.3.

Daarvoor vereist art. 843a lid 1 Rv dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] partij zijn bij een “rechtsbetrekking”. Daarvan is sprake als voldoende aannemelijk is dat (toegespitst op dit geval) aansprakelijkheid en een verplichting tot schadevergoeding tegenover [verzoeker 1] en [verzoekster 2] bestaan. Uit de door [verzoeker 1] en [verzoekster 2] gestelde feiten en omstandigheden, en de voorhanden zijnde onderbouwing daarvan, moet een redelijk vermoeden van het bestaan van de rechtsbetrekking kunnen worden afgeleid. Partijen hebben het debat gevoerd over die (al of niet aanwezige) mogelijke aansprakelijkheid onder verwijzing naar Nederlands recht. De rechtbank zal partijen volgen in hun (stilzwijgende) keuze voor Nederlands recht (vgl. art. 14 lid 1 Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad inzake het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (“Rome II”)). Dit element zal daarom naar Nederlands recht worden beoordeeld.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan, waaruit - in het verband van art. 843a Rv - voldoende aannemelijk het bestaan kan worden afgeleid van een rechtsbetrekking waarbij [verzoeker 1] en [verzoekster 2] partij zijn als bedoeld in art. 843a lid 1 Rv.

4.5.

Al aangenomen dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] ernstig gewond zijn geraakt en [verzoeker sub 1's] moeder en [verzoekster sub 2's] man zijn omgekomen bij twee onrechtmatige luchtaanvallen op 26 januari 2015 in Irak - de Staat weerspreekt dat omdat volgens hem de stellingen en stukken van [verzoeker 1] en [verzoekster 2] daarvoor te veel vragen openlaten - zijn onvoldoende specifieke en concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit enige betrokkenheid bij de gestelde schadevoorvallen op die datum van de door Nederland ingezette gewapende F-16’s volgt.

4.6.

In het verzoekschrift hebben [verzoeker 1] en [verzoekster 2] eerst gesteld dat zij in een colonne van zes burgertaxi’s van [plaats] naar Bagdad onderweg waren om te vluchten voor IS. Zij reden langs de Syrische grens en via Karbala langs de enige toegankelijke autoweg. [verzoeker 1] zat met zijn moeder in de eerste taxi en [verzoekster 2] met haar man en een ander echtpaar in de tweede taxi. Toen zij het gevaarlijke gebied bij Sinjar waren doorgekomen, werd de eerste taxi omstreeks 7.40 uur getroffen door een luchtaanval, waarbij [verzoeker 1] gewond raakte en zijn moeder en de taxichauffeur werden gedood. De inzittenden van de tweede taxi zijn uitgestapt om eerste hulp te verlenen aan de slachtoffers en zorgden ervoor dat de slachtoffers naar een medische voorziening in IS-gebied werden getransporteerd. [verzoeker 1] en [verzoekster 2] bevonden zich op de autoweg bij het dorp Umm al-Dheban, waarschijnlijk op locatie 36.123785, 41.2977625, al sluiten zij niet uit dat deze coördinaten niet geheel juist zijn. Nadat de taxicolonne de weg vervolgde werd deze omstreeks 8.40 uur opnieuw getroffen door een luchtaanval, bij benadering op locatie 35.862952, 41.383814 op de autoweg bij het dorp Umm-Jereis. Daarbij werd de tweede taxi geraakt, raakte [verzoekster 2] zwaargewond en overleefden haar echtgenoot en het andere echtpaar de luchtaanval niet. De andere voertuigen durfden niet te stoppen en reden door. Omdat CENTCOM heeft bevestigd dat er op 26 januari 2015 een coalitieluchtaanval heeft plaatsgevonden nabij Sinjar op 45 km van de door [verzoeker 1] en [verzoekster 2] genoemde plekken en dat daarbij twee voertuigen zijn verwoest komen de feiten volgens [verzoeker 1] en [verzoekster 2] dermate overeen dat het aannemelijk is dat de door CENTCOM bedoelde luchtaanval de luchtaanval is waarvan zij als onschuldige burgers slachtoffer zijn geworden. Er is een aanzienlijke kans dat Nederland, althans de coalitie, deze luchtaanval heeft uitgevoerd, ook omdat Irak op dat moment nog geen luchtaanvallen uitvoerde, aldus [verzoeker 1] en [verzoekster 2] .

4.7.

De Staat heeft betwist dat zij betrokken is geweest bij de door [verzoeker 1] en [verzoekster 2] gestelde luchtaanvallen, omdat de inzet van de Nederlandse F-16’s die dag heeft plaatsgevonden in een ander deel van Irak, op een grote afstand van de door [verzoeker 1] en [verzoekster 2] genoemde plekken.

4.8.

Ter zitting hebben [verzoeker 1] en [verzoekster 2] vervolgens hun verzoek gewijzigd en uitgebreid in die zin dat zij informatie willen over de luchtaanvallen genoemd “near Mosul” en “near Sinjar” zoals genoemd in het persbericht van het CJTF van 27 januari 2015, waarbij respectievelijk “two ISIL armored vehicles” en “two ISIL vehicles” werden vernietigd. [verzoeker 1] en [verzoekster 2] stellen nu dat zij getroffen zijn door luchtaanvallen in de woestijn op 26 januari 2015 nadat ze waren vertrokken uit [plaats] . De coördinaten daarbij zijn globaal, omdat de gevolgen van de luchtaanvallen en hun verwondingen te ernstig waren om de exacte locatie goed in zich op te nemen. Bovendien blijkt uit onderzoek en analyse van Bellingcat dat ook de locaties die de coalitie benoemt zeer globaal zijn. Volgens [verzoeker 1] en [verzoekster 2] kan het niet anders dan dat zij zijn geraakt bij één van de geregistreerde luchtaanvallen van de coalitie “near Mosul” dan wel “near Sinjar”.

4.9.

Ter zitting heeft de Staat vervolgens toegelicht dat de inzet van Nederlandse F-16’s op 26 januari 2015 heeft plaatsgevonden in een ander deel van Irak, op grote afstand van de door [verzoeker 1] en [verzoekster 2] genoemde luchtaanvallen “near Sinjar” en “near Mosul”. Bovendien blijkt, aldus de Staat, uit zijn openbare Ambtsberichten Veiligheidssituatie in Irak van september 2014 en april 2015 dat de Iraakse luchtmacht in die periode actief was en luchtaanvallen in Irak uitvoerde, zodat het niet zo was dat luchtaanvallen op 26 januari 2015 alleen door de coalitie kunnen zijn uitgevoerd. Ook heeft de Staat erop gewezen dat er sprake was van oorlogsgebied, waarbij [verzoeker 1] en [verzoekster 2] op andere manieren gewond kunnen zijn geraakt.

4.10.

Hoe moeilijk dat ongetwijfeld voor [verzoeker 1] en [verzoekster 2] - uitgaande van de juistheid van hun beschrijving van de gebeurtenissen op 26 januari 2015 - is, ligt het op hun weg om, bij betwisting door de Staat van elke betrokkenheid van Nederland bij deze luchtaanvallen, met feiten en omstandigheden het bestaan van de rechtsbetrekking - onrechtmatige uitgevoerde luchtaanvallen door de Staat tegenover [verzoeker 1] en [verzoekster 2] - toch ten minste enigszins aannemelijk te maken. Tegen de achtergrond van het voorgaande zijn [verzoeker 1] en [verzoekster 2] daarin onvoldoende geslaagd om hun verzoek om afschrift te kunnen honoreren.

4.11.

Voor zover [verzoeker 1] en [verzoekster 2] betogen dat de Staat aansprakelijk kan worden gehouden voor luchtaanvallen die door een ander coalitieland zijn uitgevoerd, omdat de omstandigheid dat in coalitieverband wordt opgetreden nu eenmaal met zich brengt dat een vorm van (groeps)aansprakelijkheid ontstaat, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Voor een geslaagd beroep op artikel 6:166 BW moet (onder meer) sprake zijn van i) deelname door de Staat ii) aan een gedraging in groepsverband, iii) waarvan één van de deelnemers aan de gedraging aan de benadeelde onrechtmatig schade heeft toegebracht. Dat de Staat deel uitmaakte van de coalitie is onvoldoende om te concluderen dat van een groep sprake is.

Uit de opzet van de samenwerking binnen de coalitie ten aanzien van luchtaanvallen, zoals vermeld onder 2.3, vloeide uitdrukkelijk voort dat de Red Card Holder/National Approval Authority van het aangezochte coalitieland bij iedere luchtvaanval door een coalitieland was betrokken en aldus dat het aangezochte coalitieland steeds individueel afwoog of het specifieke doel van de luchtaanval binnen het nationale mandaat en juridische kader viel. Ieder coalitieland maakte op juridische, operationele of politieke gronden een eigen afweging en had geen invloed op de beoordeling van andere coalitielanden. Bovendien heeft de Staat onweersproken gesteld dat een verzoek tot het uitvoeren van een luchtaanval niet gelijktijdig aan twee (of meer) landen gezamenlijk werd gedaan, maar dat hiertoe telkens één coalitieland werd aangezocht. Als een land een verzoek afwees, was het wel mogelijk dat het verzoek vervolgens aan een andere coalitiepartner werd voorgelegd. De rechtbank begrijpt de toelichting van de Staat aldus, dat een luchtaanval dus niet onder verantwoordelijkheid van twee (of meer) coalitielanden werd uitgevoerd en dat coalitielanden in de beoordelingsfase zelfstandig opereerden. Tegen deze achtergrond zijn er onvoldoende feiten en omstandigheden om te kunnen concluderen dat een coalitieland deelneemt aan een gedraging (luchtaanval) in groepsverband en kan reeds daarom niet met vrucht worden betoogd dat de enkele samenwerking binnen de coalitie voldoende zou zijn om een door [verzoeker 1] en [verzoekster 2] bedoelde aansprakelijkheid voor de Staat teweeg te brengen als de schade feitelijk door een andere coalitiepartner is toegebracht. Ook ten aanzien van betrokkenheid van andere coalitielanden in relatie tot de gestelde luchtaanvallen kan de rechtbank het bestaan van een rechtsbetrekking waarbij [verzoeker 1] en [verzoekster 2] partij zijn niet zonder meer aannemelijk achten, aangezien uit de voornoemde Ambtsberichten Veiligheidssituatie in Irak volgt dat in elk geval ook Irak in de betreffende periode luchtaanvallen in Irak uitvoerde.

4.12.

De rechtbank overweegt, gelet op het gevoerde debat tussen partijen, uitsluitend nog ten overvloede, dat de Staat zich met recht op “gewichtige redenen” beroept, waar hem wordt gevraagd informatie van die coalitielanden bekend te maken aan verzoekers.

4.13.

Niet, althans onvoldoende, hebben [verzoeker 1] en [verzoekster 2] weersproken dat bescheiden waarvan zij om afgifte in Nederland vragen, naar hun aard specifieke en gedetailleerde (operationele) informatie bevatten ten aanzien van het optreden van coalitielanden. Voor zover de Staat deze bescheiden al bezit, is daarvan de geheimhouding vanwege het belang van de Staat of zijn bondgenoten geboden. De Staat stelt zich terecht op het standpunt dat hij de staatsgeheimen van andere coalitielanden niet mag verstrekken. Ondanks dat de informatie inmiddels mogelijk gedateerd is, heeft de Staat zijn stelling dat het openbaar maken van dergelijke informatie het veiligheidsrisico voor de militairen van coalitielanden zou vergroten en daarnaast ook de betrekkingen met de andere coalitielanden zou schaden, voldoende onderbouwd. Gelet op deze concrete omstandigheden, wegen de belangen waarop de geheimhoudingsplicht ten aanzien van de informatie zich in het bijzonder richt, in dit geval zwaarder dan het maatschappelijk belang dat op dit moment in rechte de waarheid aan het licht komt. Daaraan draagt bij dat namens [verzoeker 1] en [verzoekster 2] ter zitting is afgezien van elke vorm van vertrouwelijke inzage van de verzochte informatie, omdat zij daardoor volgens hen onevenredig belemmerd zouden worden. [verzoeker 1] en [verzoekster 2] staat het vrij staat hun verzoek tot afgifte van bescheiden te richten tot de betreffende coalitielanden, zodat deze landen zelf – met inachtneming van het dan geldende toepasselijke recht – kunnen beoordelen of de informatie openbaar mag worden gemaakt.

Slotsom

4.14.

De conclusie is dat aan de vereiste aannemelijkheid om partij te zijn bij een rechtsbetrekking door [verzoeker 1] en [verzoekster 2] niet is voldaan. Het verzoek van [verzoeker 1] en [verzoekster 2] zal daarom bij gebrek aan grondslag worden afgewezen.

Proceskosten

4.15.

[verzoeker 1] en [verzoekster 2] zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst het verzoek af;

5.2.

veroordeelt [verzoeker 1] en [verzoekster 2] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 639,-- aan verschotten (griffierecht) en € 1.086,--

(2 x € 543,--) aan salaris voor de advocaat.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Vetter, mr. H.J. van Harten en mr. J. Smeets en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2019.