Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1079

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
11-02-2019
Zaaknummer
C/09/538407 / HA ZA 17-902
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. Benoeming psychiater ter beoordeling causaal verband tussen psychische klachten en ongevallen. Omdat vaststaat dat medisch dossier informatie bevat over pre-existente psychische klachten, moet slachtoffer dossier ter beschikking stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0171
JA 2019/54
RAV 2019/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/538407 / HA ZA 17-902

Vonnis van 30 januari 2019

in de zaak van

[eiseres] ,

te [plaats] ,

eiseres,

advocaat mr. S. Baggerman te Apeldoorn,

tegen

1 ASR SCHADEVERZEKERING N.V.te Utrecht,

2. DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V. te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. P. Oskam te Amsterdam.

Eiseres zal hierna “ [eiseres] ” worden genoemd. Gedaagden worden gezamenlijk aangeduid als “de verzekeraars”, of afzonderlijk als “ASR” en “Delta Lloyd”.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de inleidende dagvaardingen van 7 en 9 augustus 2017 met producties 1 t/m 23;

  • -

    het op 15 augustus 2017 aan ASR betekende herstelexploit;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het tussenvonnis van 11 oktober 2017, waarin een comparitie van partijen voor de meervoudige kamer van deze rechtbank is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 maart 2018.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is, met hun instemming, buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken op de verslaglegging. Mr. Oskam heeft bij brief van 8 mei 2018 van die gelegenheid gebruik gemaakt.

1.3.

Ter terechtzitting zijn partijen overeengekomen dat [eiseres] nieuwe gegevens over haar medische situatie aan de verzekeraars zou zenden, en dat partijen daarna zouden overleggen over het vervolg van de procedure.

1.4.

Omdat het overleg van partijen niet tot overeenstemming heeft geleid, hebben partijen de rechtbank op 21 november 2018 verzocht vonnis te wijzen. Zij hebben daarbij beiden bij akte hun visie op het vervolg van de procedure uiteen gezet.

1.5.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 30 mei 2012 is [eiseres] het slachtoffer geworden van een verkeersongeval. De automobilist van een auto, die verzekerd was bij Delta Lloyd, verleende bij het verlaten van een uitrit geen voorrang aan [eiseres] en raakte de auto van [eiseres] aan de rechter zijkant. Delta Lloyd heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van dit ongeval erkend.

2.2.

Op 22 december 2012 was [eiseres] opnieuw betrokken bij een verkeersongeval. Ditmaal was zij passagier van een auto die van achteren werd aangereden en door de botsing op de voorligger botste. ASR heeft erkend dat de gevolgen van dit ongeval voor haar rekening komen.

2.3.

Als gevolg van de ongevallen heeft [eiseres] letsel opgelopen, dat volgens haar onder meer bestaat uit pijnklachten in nek en schouders, hoofdpijn, duizeligheid, geheugen- en concentratieproblemen, vermoeidheid en psychische klachten.

2.4.

Ten tijde van de ongevallen was [eiseres] 23 en 24 jaar oud. In 2011 had [eiseres] haar PABO-opleiding afgerond en was zij gestart met werken als onderwijzeres op een basisschool. Zij werkte, op basis van een 0-urencontract, bijna fulltime.

2.5.

Na de ongevallen is [eiseres] aanvankelijk uitgevallen voor haar werk. Zij heeft meerdere re-integratietrajecten gevolgd, wat ertoe heeft geleid dat [eiseres] in 2015 weer 17,5 uur per week werkte. Later in 2015 heeft [eiseres] haar re-integratie gestaakt. Sindsdien heeft zij niet meer gewerkt.

2.6.

Delta Lloyd heeft, mede namens ASR, de schaderegeling ter hand genomen.

2.7.

Tussen partijen is verschil van mening ontstaan over de vraag of alle klachten van [eiseres] het gevolg zijn van de ongevallen. Daarnaast zijn partijen het er niet over eens of en zo ja in hoeverre de lichamelijke klachten van [eiseres] haar beperken in haar mogelijkheden om te werken.

2.8.

Op gezamenlijk verzoek is [eiseres] op 6 mei 2015 onderzocht door neuroloog [de neuroloog] . Hij heeft op 12 augustus 2015 gerapporteerd. In de rapportage staat onder andere het volgende:

Neurologisch onderzoek

Gewicht 90 kg bij een lengte van 1.63 m. Betrokkene beweegt langzaam en gedoseerd zonder dat er hierbij duidelijke functiestoornissen zijn. Ik kan geen duidelijke cognitieve functiestoornissen vaststellen. Onderzoek van de hersenzenuwen toont geen afwijkingen. Onderzoek van de motoriek toont geen afwijkingen. […] Er zijn geen cerebellaire functiestoornissen. Het looppatroon is ongestoord. Bij observatie tijdens lichamelijk onderzoek worden geen duidelijke bewegingsbeperkingen van de wervelkolom waargenomen. De paravertebrale musculatuur is hypertoon en pijnlijk bij palpatie.

[…]

Beschouwing

Betrokkene heeft twee keer een verkeersongeval doorgemaakt op 30-5-2012 en 22-12-2012. Op 22-12-2012 was er sprake van een hoog energetisch trauma. Beide ongevallen hebben niet geleid tot neurologische uitvalsverschijnselen, maar er zijn wel forse pijnklachten in de spieren ontstaan. De klachten van snelle vermoeibaarheid en de concentratie duid ik niet als een gevolg van traumatische schade in de hersenen, maar als een gevolg van uitputting door chronische pijn. Waarschijnlijk leveren beide ongevallen een bijdrage aan de huidige klachten en beperkingen waarbij het niet goed mogelijk is om de bijdrage van beide ongevallen te splitsen.

Conclusie

Twee verkeersongevallen waardoor een pijnsyndroom met bijbehorende vermoeidheids- en concentratiestoornissen is ontstaan zonder dat er hierbij sprake is van neurologische uitvalsverschijnselen.

[…]

Betrokkene heeft volgens het journaal van de huisarts eerder een hersenschudding gehad, maar ik heb geen aanwijzingen dat zij hier voor het ongeval d.d. 30-5-2012 nog door beperkt was.

[…]

Betrokkene is ADL-zelfstandig. Zij vermeldt zich beperkt te voelen bij activiteiten waarbij langdurige mentale of fysieke inspanning nodig is. Voor de beoordeling van het vermogen om loonvormende arbeid te kunnen verrichten dient het oordeel van een arbeidsdeskundige te worden gevraagd.

[…]

De diagnose luidt myogene pijnklachten na twee verkeerstraumata.

[…]

Er zijn geen afwijkingen bij neurologisch onderzoek. Dit betekent dat er volgens de richtlijnen geen beperkingen op neurologische basis bestaan. Uiteraard betekent dit niet dat betrokkene geen reële klachten kan hebben.”

2.9.

Na ontvangst van de rapportage van [de neuroloog] , hebben partijen geprobeerd tot overeenstemming te komen over de schaderegeling. Dat is hen niet gelukt. Ook een mediationbijeenkomst heeft niet tot een oplossing van het geschil geleid. Vervolgens heeft Delta Lloyd de onderhandelingen over een schaderegeling bij brief van 14 januari 2016 beëindigd, waarbij zij [eiseres] nog een slotbetaling heeft toegezegd van € 132.500.

2.10.

In totaal heeft Delta Lloyd een nettobedrag van € 218.500 aan [eiseres] uitbetaald, inclusief € 10.000 aan smartengeld en € 10.000 voor arbeidsdeskundige begeleiding. Delta Lloyd is hierbij volgens eigen zeggen uitgegaan van een (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van [eiseres] tot en met 2018.

2.11.

[eiseres] heeft in deelgeschil verzocht te bepalen dat al haar klachten, die blijken uit de rapportage van [de neuroloog] , in juridisch causaal verband staan tot de ongevallen en Delta Lloyd te bevelen haar medewerking te verlenen aan het laten uitvoeren van een onderzoek door een verzekeringsarts. Dit verzoek is bij beschikking van 2 juni 2016 afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het verzoek zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure, (onder andere) omdat niet kan worden vastgesteld dat de schade van [eiseres] hoger is dan het bedrag dat Delta Lloyd aan haar heeft uitgekeerd.

2.12.

Na de beschikking in deelgeschil is de situatie van [eiseres] verslechterd. Zij heeft een ernstige eetstoornis en lijdt aan zodanig ernstige psychische klachten dat zij in juli 2017 tweemaal een zelfmoordpoging heeft gedaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

i. een verklaring voor recht dat de klachten van [eiseres] , bestaande uit

- pijn in de rug,

- pijn in de nek,

- hoofdpijn,

- vermoeidheid,

- geheugen- en concentratieproblemen,

- gebrek aan energie, en

- psychische klachten,

zoals geduid in het expertiserapport van neuroloog [de neuroloog] van 12 augustus 2015, in juridisch causaal verband staan tot de [eiseres] op 30 mei 2012 en 22 december 2012 overkomen ongevallen;

ii. veroordeling van Delta Lloyd tot betaling van de schade van [eiseres] als gevolg van de ongevallen van 30 mei 2012 en 22 december 2012, vermeerderd met de wettelijke rente;

iii. veroordeling van Delta Lloyd tot betaling van een bedrag van € 21.352,34 aan buitengerechtelijke kosten;

iv. benoeming van verzekeringsarts [A] als deskundige om onderzoek te doen naar de beperkingen die [eiseres] als gevolg van de ongevallen ondervindt bij de uitoefening van har beroepswerkzaamheden;

v. benoeming van arbeidsdeskundige [B] als deskundige om onderzoek te doen naar de arbeidsongeschiktheid van [eiseres] , het door de ongevallen gemiste carrièreverloop en het bijbehorende salarisverloop in de situatie zonder ongeval;’

vi. benoeming van rekenkundige [C] als deskundige om onderzoek te doen naar de omvang van het verlies aan arbeidsvermogen van [eiseres] ;

dan wel benoeming van die deskundigen die de rechtbank geraden acht, een en ander met veroordeling van Delta Lloyd in de proceskosten.

3.2.

De verzekeraars voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat – voordat een verzekeringsgeneeskundige, een arbeidsdeskundige en een rekenkundige kunnen worden ingeschakeld – eerst een psychiatrisch onderzoek moet plaatsvinden, waarbij aan de deskundige de vraag moet worden gesteld in hoeverre de psychische klachten van [eiseres] het gevolg zijn van de ongevallen. Partijen verschillen echter van mening over de persoon van de te benoemen deskundige en over de vraag welke medische informatie aan de deskundige moet worden verstrekt.

4.2.

Uit de na de comparitie gewisselde stukken blijkt dat de door [eiseres] voorgestelde psychiaters niet acceptabel zijn voor de verzekeraars en dat [eiseres] op haar beurt niet kan instemmen met de door de verzekeraars voorgestelde deskundigen. De rechtbank heeft daarom zelf een keuze gemaakt en psychiater N.J. de Mooij bereid gevonden tot het verrichten van het deskundigenonderzoek. De Mooij heeft te kennen gegeven dat de wachttijd in zijn praktijk ongeveer twee maanden is en dat hij daarna tot het benodigde onderzoek over kan gaan. De rechtbank zal De Mooij benoemen als deskundige.

4.3.

Partijen zijn het erover eens dat aan de deskundige de IWMD-vraagstelling ter beantwoording zal worden voorgelegd.

4.4.

[eiseres] heeft tot nog toe aan de verzekeraars medische informatie verstrekt vanaf 30 mei 1997 (te weten vijf jaar voor het eerste ongeval). Vanzelfsprekend moet [eiseres] deze informatie ook aan de deskundige ter beschikking stellen. Partijen zijn het niet eens over de vraag of [eiseres] ook informatie van vóór die tijd over moet leggen. Tussen partijen is niet in geschil dat uit de informatie waarover partijen beiden beschikken, blijkt dat [eiseres] vanaf 13-jarige leeftijd bekend is met eetproblematiek. Ook begrijpt de rechtbank dat uit die medische informatie blijkt dat [eiseres] vroeger is gepest in verband met overgewicht en dat zij op haar 14e is aangerand, in verband waarmee zij een EMDR-behandeling heeft ondergaan. Deze omstandigheden kunnen relevant zijn voor de beoordeling van de vraag of de psychische klachten van [eiseres] (die zich onder andere uiten in een eetstoornis) het gevolg zijn van het ongeval. [eiseres] verzet zich echter tegen de suggestie van de verzekeraars dat zij het huisartsenjournaal vanaf haar 13e levensjaar aan de deskundige moet verstrekken en beroept zich hierbij op de uitspraak van de Hoge Raad van 22 februari 2008 (ECLI:NL:HR:BB3676).

4.5.

In de situatie die leidde tot de uitspraak waarnaar [eiseres] verwijst, verlangde de wederpartij van het slachtoffer van een verkeersongeval dat het slachtoffer al haar medische gegevens van een aanzienlijke periode voorafgaande aan het ongeval aan de (voorlopig) deskundige zou verstrekken. Dat verzoek had in feite veel weg van een “fishing expedition” naar mogelijke pre-existente klachten van het slachtoffer. In die situatie heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het aan de deskundige is om te beslissen over welke medische informatie hij wenst te beschikken. De situatie is in dit geval anders. Vast staat immers dat er in het gedeelte van het medisch dossier van [eiseres] , waarover de verzekeraars niet beschikken, informatie staat die relevant is voor de beoordeling van het causaal verband tussen de ongevallen en de klachten van [eiseres] . Het betreft pre-existente psychische klachten uit haar verdere verleden. Nu psychische klachten op dit moment ook actueel zijn valt derhalve niet uit te sluiten dat de pre-existente klachten van betekenis kunnen zijn voor het huidige klachtenbeeld. Om die reden zal de rechtbank [eiseres] opdragen het huisartsenjournaal vanaf haar 13e levensjaar aan de deskundige ter beschikking te stellen.

4.6.

Omdat de verzekeraars aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het ongeval en omdat het deskundigenonderzoek moet worden verricht om de omvang van de schade van [eiseres] te kunnen vaststellen, zullen de verzekeraars het voorschot op de kosten van de deskundige voor hun rekening moeten nemen.

4.7.

De deskundige hanteert een uurtarief van € 150 exclusief BTW en verwacht ongeveer 20 uur met de uitvoering van zijn opdracht bezig te zijn. Dit tarief en de verwachte tijdbesteding komen de rechtbank niet onredelijk voor, en dus zal zij het voorschot overeenkomstig de inschatting van de deskundige vaststellen op € 3.630 (20 uur x € 150 + 21%).

4.8.

De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

4.9.

Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

4.10.

In afwachting van het deskundigenbericht zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

benoemt tot deskundige:

N.J. de Mooij

psychiater

adres: [adres]

telefoonnummer: [nummer]

e-mail: [e-mailadres]

5.2.

bepaalt dat aan de deskundige de IWMD-vraagstelling, zoals aangehecht aan dit vonnis, ter beantwoording zal worden voorgelegd,

het voorschot

5.3.

bepaalt dat de verzekeraars als voorschot op de kosten van de deskundige een bedrag van € 3.630, inclusief BTW, dienen te over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,

5.4.

draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,

het onderzoek

5.5.

bepaalt dat [eiseres] haar procesdossier, alsmede haar patiëntenkaart vanaf haar 13e levensjaar, met de daarbij behorende specialistenbrieven, voorafgaand aan het onderzoek in afschrift aan de deskundige dient te doen toekomen,

5.6.

bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,

5.7.

wijst de deskundige er op dat:

  • -

    de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),

  • -

    de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen,

  • -

    de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,

5.8.

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,

het schriftelijk rapport

5.9.

draagt de deskundige op om uiterlijk zes maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,

5.10.

wijst de deskundige er op dat:

  • -

    uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,

  • -

    dat de deskundige [eiseres] in de gelegenheid moet stellen om gebruik te maken van haar inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in art. 7:464 lid 2 onder b BW en, indien [eiseres] als eerste kennis wenst te nemen van het deskundigenrapport, een concept van dat rapport aan [eiseres] (eventueel onder gesloten couvert via zijn advocaat) moet toesturen en [eiseres] daarbij een termijn van twee weken moet bieden om aan te geven of [eiseres] gebruik wil maken van haar blokkeringsrecht (waarbij [eiseres] zich van commentaar op het concept moet onthouden),

  • -

    dat, indien [eiseres] binnen die termijn mededeelt gebruik te maken van haar blokkeringsrecht, de deskundige de werkzaamheden onmiddellijk moet staken en dit aan de rechtbank moet mededelen,

  • -

    dat, indien [eiseres] geen gebruik maakt van haar inzage- of blokkeringsrecht, de deskundige het concept van het deskundigenrapport aan de advocaten van partijen moet toezenden

5.11.

bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,

5.12.

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit vonnis aan partijen en aan de deskundige zal zenden;

5.13.

bepaalt dat de zaak, nadat de deskundigenberichten bij de griffie van deze rechtbank zijn ingeleverd en nadat de griffier exemplaren daarvan heeft toegezonden aan partijen, op de rol wordt gebracht voor een conclusie na deskundigenbericht aan beide zijden op een termijn van vier weken;

5.14.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra - van Vliet, mr. J.L.M. Luiten en mr. J. Brandt en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2019.