Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10773

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-09-2019
Datum publicatie
18-10-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 7281
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 28 november 2017 heeft de IND het Nederlanderschap van eiseres ingetrokken omdat er ernstige vermoedens bestaan dat eiseres betrokken is geweest bij de genocide in 1994 in Rwanda en zij dit bij verlening van het Nederlanderschap heeft verzwegen. De rechtbank heeft het beroep van eiseres ongegrond verklaard. Dit betekent dat het besluit om het Nederlanderschap in te trekken in stand blijft.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het besluit heeft kunnen baseren op het individueel ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken. Uit dit ambtsbericht blijkt dat eiseres bijeenkomsten organiseerde waar de genocide werd voorbereid. De rechtbank is van oordeel dat het ambtsbericht zorgvuldig tot stand is gekomen en de inhoud de conclusie rechtvaardigt dat er ernstige vermoedens bestaan dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan 1(F)-misdrijven. Het rapport van Buro KleurKlacht en de getuigenverklaring(en) die door eiseres zijn ingebracht, bevatten geen concrete aanknopingspunten om aan de totstandkoming en inhoud van het ambtsbericht te twijfelen.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de verdedigingsmogelijkheden van eiseres niet onredelijk zijn beperkt. De door eiseres ingediende stukken zijn in beginsel geschikt om twijfel te zaaien over de inhoud van het ambtsbericht. Dat de identiteit van de bronnen in het ambtsbericht geheim zijn gehouden voor eiseres is een gerechtvaardigde beperking en afdoende gecompenseerd doordat de rechtbank kennis heeft genomen van deze informatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/7281

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 september 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Asperen).

Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het Nederlanderschap van eiseres ingetrokken.

Bij besluit van 11 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft bij de minister van Buitenlandse Zaken de stukken opgevraagd die ten grondslag liggen aan het bij de besluitvorming betrokken individueel ambtsbericht van 3 november 2014.

De minister van Buitenlandse Zaken heeft bij brief van 26 april 2019 de stukken die ten grondslag liggen aan het individueel ambtsbericht opgestuurd en de rechtbank met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat de kennisneming van bepaalde gedeelten van de overgelegde documenten tot de rechtbank beperkt dient te blijven.

Bij beslissing van 13 mei 2019 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank geoordeeld dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Partijen hebben ingestemd met het verzoek van de rechtbank om mede op grondslag van de vertrouwelijke gedeelten van de overgelegde documenten uitspraak te doen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en mr. J-A. Nijland. Als tolk was F.S. Bernstein aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. M.M. Favier.

Overwegingen

1. Eiseres is op [geboortedatum] 1944 geboren in [geboorteplaats] , Rwanda. Op 20 maart 1998 is zij Nederland ingereisd en op 3 april 1998 heeft zij een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 26 oktober 1999 is deze aanvraag afgewezen. Eiseres is met dit besluit wel in het bezit gesteld van een voorwaardelijke verblijfsvergunning. Bij besluit van 5 november 2003 is eiseres in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf op grond van de eenmalige regeling volgend uit het Hoofdlijnenakkoord’. De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning is laatstelijk verlengd tot 5 oktober 2013. Bij Koninklijk Besluit van 24 april 2009 is aan eiseres het Nederlanderschap verleend.

2. Verweerder heeft met het primaire besluit het Nederlanderschap van eiseres ingetrokken omdat zij tijdens haar toelatingsprocedure en de latere naturalisatieprocedure gezwegen zou hebben over haar rol in de genocide in Rwanda in 1994, terwijl zij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat deze informatie relevant was voor het verlenen van de verblijfsvergunningen en het Nederlanderschap. Verweerder stelt op basis van het individueel ambtsbericht van 3 november 2014 dat er ernstige redenen zijn om te vermoeden dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen en/of misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Verdrag van Genève van 1951 (Trb. 1954, 88) betreffende de status van vluchtelingen, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76; het Vluchtelingenverdrag). Uit het ambtsbericht blijkt dat eiseres in verband gebracht kan worden met de organisatie van bijeenkomsten ter voorbereiding van de genocide, lidmaatschap van de Interahamwe, het bieden van hulp en bescherming aan Tutsi’s om ze vervolgens te verraden aan de Interahamwe zodat ze werden vermoord; en het martelen en doden van Tutsi’s. Ten aanzien van dit laatste wordt eiseres concreet in verband gebracht met het forceren van een miskraam bij een zwangere vrouw (die daarbij overleed), het doodgooien van de foetus tegen een muur en het martelen en vermoorden van [D] . Deze handelingen zijn volgens verweerder misdrijven die aan te merken zijn als genocide, nu deze hebben plaatsgevonden in de aanloop naar en tijdens de genocide in Rwanda. Nu eiseres deze relevante feiten heeft verzwegen, dient volgens verweerder haar Nederlanderschap te worden ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (de Rijkswet). Met deze gedragingen zijn er volgens verweerder bedenkingen tegen het verblijf van eiseres ontstaan dan wel bestaan er ernstige vermoedens dat zij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet. Verweerder ziet in het kader van de belangenafweging geen aanleiding om een zwaarder gewicht toe te kennen aan het belang van eiseres bij het behoud van haar Nederlanderschap dan aan het algemeen belang om frauduleus handelen te corrigeren. Tot slot bestaat volgens verweerder geen aanleiding om aan artikel 8 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) te toetsen, omdat dit artikel niet ziet op geschillen over de nationaliteit.

3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de intrekking van het Nederlanderschap gehandhaafd.

4. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder op basis van het individueel ambtsbericht van 3 november 2014 van de minister van Buitenlandse Zaken tot de conclusie heeft kunnen komen dat er een redelijk vermoeden bestaat dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan 1F-misdrijven en zij dit voor verweerder heeft verzwegen. Bij de beantwoording van deze vraag zal de rechtbank allereerst ingaan op de vraag of het individueel ambtsbericht op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, om vervolgens na te gaan of de inhoud van het individueel ambtsbericht verweerders conclusie rechtvaardigt dat er ernstige vermoedens bestaan dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan 1F-misdrijven. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de verdedigingsmogelijkheden van eiseres (equality of arms) en de belangenafweging die verweerder heeft gemaakt.

De totstandkoming van het individueel ambtsbericht

5. Eiseres betoogt – kort samengevat – dat gelet op de totstandkoming van het individueel ambtsbericht niet uitgegaan kan worden van de inhoud. Zij stelt dat naar alle waarschijnlijkheid politieke invloed is uitgeoefend op de vertrouwenspersoon en de gebruikte bronnen, omdat zij de moeder is van een belangrijke oppositieleider van het huidige regime. Dit maakt dat er reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de vertrouwenspersoon en de verklaringen van de bronnen. Verder stelt eiseres dat niet duidelijk is, wat de verhouding is tussen de bronnen en vertrouwenspersoon, hoe bronnen aan hun informatie zijn gekomen, het niet duidelijk is of de vertrouwenspersoon voor zichzelf spreekt of namens de betreffende bron of bronnen. Tot slot is onvoldoende rekening gehouden met de culturele context die specifiek is voor Rwanda. Ter onderbouwing van haar betoog heeft zij een rapport van Buro KleurKracht van 21 februari 2018 overgelegd.

5.1.

De rechtbank stelt voorop dat het vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is dat een (individueel) ambtsbericht een deskundigenadvies is en dat in beginsel van de juistheid van de inhoud van het ambtsbericht mag worden uitgegaan. Vereist is wel dat het ambtsbericht op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, aan welke die informatie is ontleend. Indien is voldaan aan deze eisen mag verweerder bij de besluitvorming van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Het is aan eiseres om concrete aanknopingspunten aan te dragen die maken dat getwijfeld moet worden aan de juistheid of volledigheid van het individueel ambtsbericht. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling van 23 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2382) en 29 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2171).

5.2.

Uit deze rechtspraak van de Afdeling volgt ook dat de minister van Buitenlandse Zaken voor individuele ambtsberichten gebruik maakt van vertrouwenspersonen die zorgvuldig zijn geselecteerd. Deze vertrouwenspersonen moeten worden geacht onpartijdig en objectief te zijn. De minister van Buitenlandse Zaken hoeft niet te bewijzen dat de ingeschakelde informanten objectief en onpartijdig zijn. Dit uitgangspunt geldt ook voor de door de vertrouwenspersoon ingeschakelde bronnen.

5.3.

In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om tot de conclusie te komen dat het ambtsbericht op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De enkele stelling dat de vertrouwenspersoon en bronnen onbetrouwbaar zijn en leugenachtige verklaringen hebben afgelegd, is onvoldoende voor de conclusie dat verweerder in dit geval er niet van mocht uitgaan dat de minister van Buitenlandse Zaken gebruik heeft gemaakt van een zorgvuldig geselecteerde vertrouwenspersoon en door hem geselecteerde bronnen. Er bestond daarom geen aanleiding voor verweerder om nadere informatie over deze personen op te vragen. Dat eiseres de moeder is van een prominente oppositieleider en de vertrouwenspersoon dan wel de geraadpleegde bronnen er volgens haar baat bij zouden hebben gehad om zich negatief over eiseres uit te laten, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Eiseres heeft de door haar gestelde mogelijke invloed op geen enkele wijze geconcretiseerd. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat verweerder bij brief van 8 januari 2014 de minister van Buitenlandse Zaken heeft geïnformeerd over het feit dat eiseres de moeder is van een voormalige presidentskandidate. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder, gelet op de deskundigheid van het ministerie van Buitenlandse Zaken en het feit dat bij het selectieproces van de vertrouwenspersoon gekeken wordt naar de achtergrond, neutraliteit en betrouwbaarheid van deze persoon, ervan uitgaan dat bij de totstandkoming van het ambtsbericht met deze omstandigheid rekening is gehouden.

5.4.

Het rapport van Buro KleurKracht brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. In tegenstelling tot het betoog van eiseres is dit rapport niet aan te merken als een deskundigenrapport, nu het rapport geen verslag bevat van een onderzoek naar een eventuele rol van eiseres in de genocide. Het rapport beperkt zich tot een beoordeling van het individueel ambtsbericht en het onderliggende research report. Eiseres wordt niet gevolgd in haar standpunt dat met het rapport concrete aanknopingspunten zijn aangedragen die maken dat aan de inhoud van het individueel ambtsbericht getwijfeld moet worden.

6. Nu uit het bovenstaande volgt dat het individueel ambtsbericht op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, komt de rechtbank toe aan de vraag of de inhoud van het individueel ambtsbericht verweerders conclusie rechtvaardigt dat er ernstige vermoedens bestaan dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan 1(F)-misdrijven op grond waarvan hij het Nederlanderschap van eiseres heeft kunnen intrekken.

De inhoud van het individueel ambtsbericht

7. Eiseres stelt dat zij niet betrokken was bij de voorbereiding van de genocide en zij zich niet schuldig heeft gemaakt aan 1(F)-misdrijven. In dit kader stelt zij dat voor april 1994 geen handelingen zijn getroffen om de genocide voor te bereiden en er geen bewijs is van haar aanwezigheid bij bijeenkomsten waar de genocide werd voorbereid. Verder stelt zij dat zij geen lid was van de Interahamwe en dat zij in april 1994 niet langer actief lid was van de Mouvement Révolutionnaire Nationale pour le Dévelopment (de MRND). Dat zij niet betrokken was bij bijeenkomsten waar de genocide werd voorbereid blijkt volgens eiseres onder meer uit de schriftelijke verklaring van [B ] ( [functie] ).

7.1.

In het individueel ambtsbericht van 3 november 2014 is – voor zover relevant –

het volgende vastgesteld:

[…]

2a Er is geen informatie gekregen over het feit of betrokkene leiding heeft gegeven aan de Interahamwe voorafgaand en gedurende de genocide in Rwanda. De geraadpleegde bronnen verklaren dat zij geen formele functie had binnen de beweging.

2b Twee bronnen geven aan dat leden van de Interahamwe in het voormalig [plaats] district Tutsi hebben vermoord, vrouwen hebben verkracht en eigendommen van de Tutsi gestolen hebben.

2c De bronnen verklaren dat betrokkene lid was van de Interahamwe. Eén bron vult daarbij aan dat betrokkene gezien haar karakter en sterke persoonlijkheid voor de vrouwengemeenschap als opinieleider fungeerde. Ze sensibiliseerde vrouwen lid te worden van de Interahamwe en spoorde hen aan deel te nemen aan activiteiten. Haar boodschap was om alle vrouwen ervan te overtuigen dat het niet correct was een Tutsi te verbergen en dat zij zich diende af te scheiden van de Tutsi.

Volgens de geraadpleegde bronnen was zij zeer goed bevriend met en stond zij dicht bij de president van de Interahamwe, [B ] (tevens [functie] van Butamwa). De bronnen stellen dat zij samen bijeenkomsten organiseerden in het kantoor van de autoriteiten van het Butamwa district, gedurende welke de genocide werd voorbereid.

[…]

3a De geraadpleegde bronnen bevestigen dat [C] lid was van de MRND; welke positie zij bekleedde binnen de partij, is niet bekend.

[…].

7.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit het individueel ambtsbericht volgt dat eiseres een faciliterende rol had in de genocide in Rwanda door bijeenkomsten te organiseren waar de genocide werd voorbereid. De stelling van eiseres dat de genocide niet is gepland of voorbereid voor 1994, treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. Uit de relevante passages in het research report, waarover ook eiseres beschikt, volgt dat de bronnen gevraagd is naar de rol van eiseres bij de Interahamwe voor en gedurende de genocide in de periode van april tot juli 1994 en in relatie tot deze vraag de bronnen is gevraagd naar de rol van eiseres bij deze activiteiten. Daarmee zien de antwoorden van de bronnen – te weten dat eiseres betrokken is geweest bij het organiseren van bijeenkomsten waar de genocide werd voorbereid – op deze periode en niet op de periode vóór 1994. Verder volgt de rechtbank eiseres niet in haar stelling dat er geen bewijs is van haar aanwezigheid bij deze bijeenkomsten en haar betrokkenheid bij de Interahamwe. Diverse bronnen hebben immers eensluidend verklaard over de aanwezigheid van eiseres bij de bijeenkomsten en haar betrokkenheid bij de Interahamwe. Aan de door eiseres overgelegde verklaring van [B ] dat eiseres niet betrokken was bij het organiseren van de bijeenkomsten, kan niet de waarde worden gehecht die eiseres daaraan hecht. De rechtbank is van oordeel dat [B ] , die is veroordeeld voor het leidinggeven aan de genocide en om die reden is gedetineerd, niet aangemerkt kan worden als een objectieve bron.

7.3.

Het bovenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder op basis van het individueel ambtsbericht terecht geconcludeerd heeft dat eiseres haar gezag aanwendde door op plaatselijk niveau bijeenkomsten te organiseren waar de genocide werd voorbereid en dat zij een faciliterende rol heeft gespeeld in (de voorbereiding van) de genocide. Hiermee wordt voldaan aan artikel 6, eerste lid, van het Statuut van het Rwandatribunaal, dat bepaalt dat een persoon die heeft deelgenomen aan de planning en voorbereiding van de genocide individueel verantwoordelijk is voor dit misdrijf, en aan de ‘personal and knowing participation test’, zoals neergelegd in paragraaf C2/7.10.2.4. van de Vreemdelingencirculaire 2000. Dit maakt dat op grond van het gedrag van eiseres een ernstig vermoeden bestaat dat zij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet.

8. Nu zij dit verzwegen heeft, heeft verweerder op grond van artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet alleen al op basis van deze gedragingen van eiseres haar Nederlanderschap kunnen intrekken. Dit maakt dat de beroepsgronden van eiseres met betrekking tot de overige gebeurtenissen (de dood van een zwangere vrouw en de dood van [D] ) geen bespreking behoeven.

Equality of arms

9. Eiseres heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat zij in haar verdediging is geschaad omdat het volgens haar onmogelijk is om bewijsmateriaal aan te dragen tegen het individueel ambtsbericht. Zij doet hierbij een beroep op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het EHRM) van 8 november 2015, Korošec tegen Slovenië, (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212) en verzoekt de rechtbank om een onafhankelijke deskundige te raadplegen.

9.1.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van ongelijke proceskansen omdat eiseres over onvoldoende middelen zou beschikken om tegenwicht te bieden aan het door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde individueel ambtsbericht. Eiseres heeft zowel in bezwaar als in beroep gebruik gemaakt van de mogelijkheid om stukken in te dienen, zoals getuigenverklaringen en een rapport van Buro KleurKracht. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze stukken in beginsel geschikt om twijfel te zaaien over het individueel ambtsbericht. Echter, zoals hierboven is overwogen, heeft de inhoud van de door eiseres overgelegde stukken niet geleid tot twijfel over de juistheid van de inhoud van het individueel ambtsbericht. Om die reden is er geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Dat de identiteit van de vertrouwenspersoon en de door hem geraadpleegde bronnen voor eiseres geheim zijn gehouden, is naar het oordeel van de rechtbank een gerechtvaardigde beperking van het verdedigingsbelang en afdoende gecompenseerd doordat de rechtbank van deze informatie kennis heeft genomen op grond van artikel 8:29 van de Awb.

Belangenafweging

10. Tot slot stelt eiseres dat verweerder ten onrechte niet getoetst heeft aan artikel 8 van het EVRM en dat de belangenafweging ten aanzien van de inbreuk die is gemaakt op het Unieburgerschap van eiseres in het bestreden besluit onevenredig is. Het enkel benoemen van haar belangen in het bestreden besluit, gevolgd door de conclusie dat de belangenafweging niet in het voordeel van eiseres uitvalt, is onvoldoende. Volgens eiseres heeft verweerder in dit kader onvoldoende belang gehecht aan het tijdsverloop van 23 jaar tussen de 1(F)-handelingen en het besluit om het Nederlanderschap in te trekken, de periode van 8 jaar dat zij heeft beschikt over het Nederlanderschap, de belangen van haar kinderen en kleinkinderen, het feit dat zij niet kan terugvallen op een verblijfsrecht in Nederland en zij niet langer in het bezit is van de Rwandese nationaliteit.

10.1.

De rechtbank stelt voorop dat uit de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BY9947) volgt dat intrekking van het Nederlanderschap niet noodzakelijk betekent dat eiseres geen verblijf in Nederland zou kunnen worden toegestaan. Hieruit volgt dat de door eiseres gestelde belangen bij rechtmatig verblijf in Nederland en de uitoefening van haar familie- en privéleven in Nederland, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, in een vreemdelingrechtelijke procedure aan de orde gesteld dienen te worden. Dit maakt dat verweerder in de besluitvorming terecht niet heeft getoetst aan artikel 8 van het EVRM. De door eiseres aangehaalde uitspraak van 20 januari 2016 van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2016:89) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel nu uit deze uitspraak niet volgt dat de Afdeling is teruggekomen van haar uitspraak van 31 januari 2013. Dat eiseres een actieve rol heeft in haar kerkgemeenschap, zij vrijwilligerswerk verricht, allerlei sociale en culturele banden onderhoudt in Nederland en een medische behandeling ondergaat, zijn allemaal omstandigheden die niet uitsluitend afhankelijk zijn van de Nederlandse nationaliteit en dus in een vreemdelingrechtelijke procedure aan de orde kunnen worden gesteld.

10.2.

Het arrest Rottmann van het Hof van Justitie van 2 maart 2010 (ECLI:EU:C:2010:104) maakt dat verweerder wel moet nagaan of het verlies van de rechten die elke burger van de Unie geniet, gerechtvaardigd is in het licht van de ernst van de gepleegde inbreuk, het tijdsverloop tussen het naturalisatiebesluit en het intrekkingsbesluit en het hebben van een andere nationaliteit of de mogelijkheid om een vroegere nationaliteit terug te krijgen. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling van 20 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2019:89) en 27 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2019:2146).

10.3.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gevolgen van het verlies van haar rechten als burger van de Unie voor haar zodanig groot zijn, dat intrekking van haar Nederlanderschap onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Hetgeen zij heeft aangevoerd over haar gezin en familie is hierbij niet doorslaggevend, nu dit geen verband houdt met het verlies van haar specifieke rechten als burger van de Unie. De mogelijkheden voor verblijf bij en bezoek aan haar familie in Nederland, waarvan enkele leden de Nederlandse nationaliteit hebben, worden niet bepaald door het Unierecht, maar door het Nederlandse recht. Verder wordt in aanmerking genomen dat eiseres door de intrekking van haar Nederlanderschap niet staatloos wordt, omdat uit de beschikbare stukken is gebleken dat eiseres nog steeds de Rwandese nationaliteit bezit. Eiseres heeft haar stelling dat zij niet langer de Rwandese nationaliteit zou bezitten niet onderbouwd. Dat het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap ruim acht jaar na de verlening van het Nederlanderschap is genomen, is in het licht van de ernst van de door eiseres verzwegen gedragingen onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Dit geldt ook voor het tijdsverloop tussen de 1(F)-handelingen en het intrekkingsbesluit. De rechtbank verwijst hierbij naar de eerder aangehaalde uitspraak van 20 januari 2016 van de Afdeling.

11. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, voorzitter, en mr. J.J.P. Bosman en mr. H.G. Molenaar-Geurtsen, leden, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.