Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10673

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-09-2019
Datum publicatie
15-10-2019
Zaaknummer
AWB 19/7267
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening ter voorkoming van uitzetting, vluchtaanzegging is geen besluit

artikel 72, derde lid, Vw en artikel 1;3, eerste lid, Awb

Verweerder heeft verzoeker bij brief van 18 september 2019 meegedeeld dat hij op 1 oktober 2019 zal uitreizen naar Frankrijk. Uit nadere informatie van verweerder is gebleken dat geen sprake is van gedwongen uitzetting.

De voorzieningenrechter is net als de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, in zijn uitspraak van 6 mei 2019 (AWB 19/3465) van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Er is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw. De brief van 18 september 2019 is in feite niet meer dan een uitnodiging om op 1 oktober naar Frankrijk te vliegen. Als verzoeker niet wenst mee te werken, bestaat er voor verweerder geen mogelijkheid tot dwang om de geplande vlucht te laten plaatsvinden. De zorg van verzoeker dat het weigeren om met deze vlucht te vertrekken, leidt tot inbewaringstelling is geen rechtstreeks gevolg van de brief van 18 september 2019. Die brief heeft dan ook geen rechtsgevolgen voor verzoeker en is daarmee niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het bezwaar heeft daarom geen redelijke kans van slagen.

Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/7267

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 september 2019 in de zaak tussen

[verzoeker] (V-nummer [V-nummer] ), geboren op [geboortedatum] 1971, van Libanese nationaliteit, verzoeker

(gemachtigde: mr. M. Krikke),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. L.M.F. Verhaegh).

Procesverloop

Bij brief van 18 september 2019 heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat hij op 1 oktober 2019 om 11.45 uur zal uitreizen naar Toulouse, Frankrijk met vlucht [..] .

Verzoeker heeft daartegen op 24 september 2019 bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Partijen hebben stukken ingediend en zijn (telefonisch) in de gelegenheid gesteld om op dat wat zij over een weer naar voren hebben gebracht te reageren. De voorzieningenrechter heeft op 30 september 2019 het onderzoek gesloten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter ziet aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Verzoeker voert aan dat sprake is van spoedeisend belang, omdat hij in bewaring kan worden gesteld als hij niet meewerkt aan vertrek. Verder voert verzoeker aan dat de overdrachtstermijn is verstreken, zodat hij niet meer kan worden overgedragen aan Frankrijk. Als de overdrachtstermijn niet is verstreken, dan heeft verweerder volgens verzoeker de Franse autoriteiten te laat op de hoogte gesteld van de opschorting van die overdrachtstermijn, zodat ook daarom de overdracht niet meer kan plaatsvinden.

3. Verweerder heeft als reactie op het standpunt van verzoeker verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 6 mei 20191, waarin de voorzieningenrechter zich onbevoegd heeft verklaard. Verder vraagt verweerder zich af of er sprake is van spoedeisend belang, omdat er geen sprake is van gedwongen uitzetting. Verweerder merkt ook nog op dat naar zijn oordeel de uiterste overdrachtstermijn niet verstreken is, omdat sprake is van opschortende werking.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De voorzieningenrechter is net als de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, in zijn uitspraak van 6 mei 2019 van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Immers, er is geen sprake van een beschikking die gelijk te stellen is met een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig, als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De brief van verweerder van 18 september 2019 is in feite niet meer dan een uitnodiging om op 1 oktober 2019 om 11.45 uur naar Toulouse te vliegen. In de toelichting die verweerder op 30 september 2019 per e-mail heeft gegeven, wordt door verweerder bevestigd dat als verzoeker niet wenst mee te werken aan de overdracht er voor verweerder geen mogelijkheid tot dwang bestaat om de geplande overdracht dan te laten plaatsvinden. De zorg van verzoeker dat het weigeren om met deze geplande vlucht te vertrekken, leidt tot inbewaringstelling - omdat hij niet meewerkt aan zijn vertrekplicht - is geen rechtstreeks gevolg van de brief van 18 september 2019. Deze brief heeft dan ook geen rechtsgevolgen voor verzoeker en is daarmee geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het bezwaar van verzoeker tegen de brief van 18 september 2019 heeft daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen.

5. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier, op 30 september 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 AWB 19/3465 (niet gepubliceerd, maar door verweerder overgelegd in deze procedure)