Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10653

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-09-2019
Datum publicatie
30-10-2019
Zaaknummer
C-09-546261-HA ZA 18-70
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

en in de vrijwaring met zaak-/rolnummer C/09/555397 /HA ZA 18/716.

Hoofdzaak en vrijwaring. Slapende Vereniging van Eigenaren. Geen gezamenlijke verzekering. Welk bedrag is VvE-lid gehouden te betalen i.h.k.v. herstel schade in brand appartement ander VvE-lid? Wat dient de basis van de berekening te zijn? Art. 5:113 lid 2 BW, artikel 17 Modelreglement, art. 5:111 sub d BW, artikel 23 Modelreglement. In rekening gebrachte kosten hebben niet enkel betrekking op herstel gemeenschappelijke gedeeltes. Artikel 2, 8 en 37 lid 1 Modelreglement. Besluit VvE naar inhoud en strekking in strijd met akte van splitsing. Nietig besluit o.g.v. art. 5:129 lid 1 BW jo. art. 2:14 BW. Informatieplicht art. 21 Rv. Begroting schade o.g.v. art. 6:97 BW. Eventueel tekort voor voldoening herstelkosten kan niet worden vastgesteld: openheid van zaken nodig over ontvangen schikkingsbedrag in andere procedure. Achterstallige ledenbijdrage toegewezen. Vordering uitgeoefende bestuursdwang onvoldoende onderbouwd. Onvoldoende gebleken dat VvE-lid verplichtingen niet is nagekomen. VvE tracht hogere vergoeding te verkrijgen voor gemaakte kosten. Noodzaak tot leggen beslag niet gebleken. Vordering in vrijwaring afgewezen. Onvoldoende gesteld. Artikel 12 en 14.3 Modelreglement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 11 september 2019

in de hoofdzaak met zaak-/rolnummer C/09/546261 /HA ZA 18/70 van:


[de VVE] te [plaats 1] ,

advocaat: mr. A.A.M. Knol te Den Haag,

eiseres,

TEGEN

[A] te [plaats 2] , gemeente [Gemeente] ,

advocaat: mr. D. Marcus te Rijen, gemeente Gilze en Rijen,

gedaagde;

en

in de vrijwaring met zaak-/rolnummer C/09/555397 /HA ZA 18/716 van:

[A] te [plaats 2] , gemeente [Gemeente] ,

advocaat: mr. D. Marcus te Rijen, gemeente Gilze en Rijen,

eiser,

TEGEN

[B] te [plaats 1] ,

advocaat: mr. A.A.M. Knol te Den Haag,

gedaagde.

Partijen zullen hierna ‘de VvE’, ‘ [A] ’ en ‘ [B] ’ genoemd worden.

1 De procedure in de hoofdzaak

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 januari 2018, met producties 1 tot en met 12;

  • -

    de conclusie van antwoord, met productie 1;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 5 december 2018;

  • -

    de akte tevens wijziging eis van de VvE, met producties 14 (13 ontbreekt) tot en met 24;

  • -

    de antwoordakte tevens uitlating producties van [A] , met vijf foto’s.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen van feitelijke aard op de verslaglegging kenbaar te maken. Partijen hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2. De procedure in de vrijwaringszaak

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in vrijwaring van 15 juni 2018, met producties 1 tot en met 3;

  • -

    de conclusie van antwoord in vrijwaring van 15 augustus 2018, met productie 1, 2 en 3;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 5 december 2018.

2.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen van feitelijke aard op de verslaglegging kenbaar te maken. Partijen hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

3 De feiten in de hoofdzaak en de vrijwaring

3.1.

De VvE behartigt de gemeenschappelijke belangen van haar leden, te weten de eigenaren van het in drie appartementsrechten gesplitste appartementsgebouw ‘ [het Appartementsgebouw] ’ te [plaats 1] . [A] en [B] zijn eigenaar van een appartementsrecht in dit gebouw en als zodanig lid van de VvE. Het appartementsgebouw bestaat uit een dubbele parterre op de begane grond, met daarop twee dubbele bovenwoningen. [A] is woonachtig in de linker bovenwoning, [adres 1] . [B] is woonachtig in de rechter bovenwoning, [adres 2] . Het derde lid van de VvE is de familie [C] (hierna: ‘ [C] ’), woonachtig in de woning op de begane grond, [adres 3] .

3.2.

De VvE is opgericht bij splitsingsakte gedateerd 29 december 1980. In de splitsingsakte is het ‘Modelreglement van splitsing van eigendom februari 1973’ (‘het Modelreglement’) van toepassing verklaard. In het Modelreglement is het volgende vastgelegd, voor zover hier relevant:

“Reglement

A. Definities

Artikel 1

In het reglement wordt verstaan onder:

a. (…);

d. “gemeenschappelijke gedeelten”: die gedeelten van het gebouw alsmede de daarbij behorende grond die blijkens de akte niet bestemd zijn of worden om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

e. “gemeenschappelijke zaken”: alle zaken die bestemd zijn of worden om door alle eigenaars of een bepaalde groep van eigenaars gebruikt te worden voorzover niet vallende onder d;

f. “privé gedeelte”: het gedeelte of de gedeelten van het gebouw en de daarbij behorende grond dat/die blijkens de akte bestemd is/zijn of wordt/worden om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

h. “vereniging”: de vereniging van eigenaars als bedoeld in artikel 876 van het Burgerlijk Wetboek;

i. “vergadering”: de vergadering van eigenaars als bedoeld in artikel 876 b van het Burgerlijk Wetboek.

Regeling omtrent het gebruik, het beheer en het onderhoud van de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken

Artikel 2

Tot de gemeenschappelijke gedeelten worden ondermeer gerekend:

a. funderingen, dragende muren en kolommen, het geraamte van het gebouw met de ondergrond, het ruwe metselwerk, alsmede de vloeren, de buitengevels, waaronder begrepen raamkozijnen, deuren, balkon-constructies, borstweringen, galerijen, terrassen en gangen, de daken, schoorstenen en ventilatiekanalen, de traphuizen en hellingbanen, alsmede het hek- en traliewerk;

b. technische installaties met de daarbij behorende leidingen, met name voor centrale verwarming (met uitzondering van de radiatoren en radiatorkranen in de privé gedeelten), voor luchtbehandeling, vuilafvoer, afvoer van hemelwater met de riolering, gas, water en verder de hydrofoor, de electriciteits- en telefoonleidingen, de gemeenschappelijke antenne, de bliksembeveiliging, de liften, de alarminstallatie en de systemen voor oproep en deuropeners.

Artikel 3

Indien er twijfel bestaat of een zaak tot de gemeenschappelijke gedeelten of de gemeenschappelijke zaken behoort, wordt hierover beslist door de vergadering.

Artikel 8

De vereniging voert het beheer over de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken met inachtneming van het in artikel 37 bepaalde.

Artikel 12

Iedere eigenaar of gebruiker is tegenover de andere eigenaars of gebruikers aansprakelijk voor de schade toegebracht aan het gebouw of de gemeenschappelijke zaken en voor onredelijke hinder veroorzaakt door de schuld van hemzelf of van zijn huisgenoten en hij is verplicht voorzover dit redelijk is maatregelen te nemen of te dulden die de strekking hebben bedoelde schade te voorkomen.

Artikel 14

  1. Alle privé gedeelten met uitzondering van de zich daarin bevindende gemeenschappelijke gedeelten en/of gemeenschappelijke zaken, zijn voor rekening en risico van de betrokken eigenaars.

  2. Het in lid 1 bepaalde geldt niet voor schade die veroorzaakt is door een evenement dat buiten de betrokken privé gedeelten heeft plaats gehad. In dat geval komt de schade voor de eigenaars gezamenlijk, onverminderd hun verhaal op degene die voor de schade aansprakelijk is.

  3. Alle zich in het privé gedeelte bevindende gemeenschappelijke gedeelten en/of gemeenschappelijke zaken zijn voor rekening en risico van de eigenaars gezamenlijk, onverminderd hun verhaal op degene die voor de schade aansprakelijk is.

Schulden en kosten voor rekening van de gezamenlijke eigenaars

Artikel 17

Tot de schulden en kosten als bedoeld in artikel 875 f eerste lid onder a van het Burgerlijk Wetboek worden gerekend:

  1. die welke gemaakt zijn in verband met het normale onderhoud of het normale gebruik van de gemeenschappelijke gedeelten of van de gemeenschappelijke zaken of tot het behoud daarvan;

  2. die welke verband houden met noodzakelijke herstellingswerkzaamheden en vernieuwingen van de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken, voorzover die ingevolge het reglement of een rechterlijk beslissing als bedoeld in artikel 875 o van het Burgerlijk Wetboek niet ten laste komen van bepaalde eigenaars;

  3. de schulden en kosten van de vereniging;

  4. het bedrag van de schadevergoeding door de gezamenlijke eigenaars als zodanig verschuldigd aan één van hen of een derde;

  5. de kosten van een rechtsgeding waarin de gezamenlijke eigenaars als eisers of als verweerders optreden;

i. alle overige schulden en kosten, gemaakt in het belang van de gezamenlijke eigenaars als zodanig.

Artikel 23

  1. De eigenaars zijn in de gemeenschap gerechtigd in de nader in de akte te bepalen breukdelen

  2. De gemeenschappelijke baten worden in eenzelfde verhouding tussen de eigenaars verdeeld.

  3. In gelijke verhouding zijn de eigenaars verplicht bij te dragen in de schulden en kosten, die voor gemeenschappelijke rekening zijn.

II Vergadering van eigenaars

Artikel 37

1. De vergadering beslist over het beheer van de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken, voorzover de beslissing hierover niet aan de administrateur is opgedragen.

4. Ieder der eigenaars of gebruikers is verplicht zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de besluiten der vergadering, voor zover dit redelijkerwijze van hem verlangd kan worden. Lijdt hij als gevolg hiervan schade dan wordt deze hem door de vereniging vergoed.

5. Besluiten door de vergadering tot het doen van uitgaven die een in de akte nader te bepalen bedrag te boven gaan, kunnen slechts worden genomen met een meerderheid van ten minste drie/vierde van het aantal uitgebrachte stemmen in een vergadering, waarin een aantal eigenaars tegenwoordig of vertegenwoordigd is, dat ten minste twee/derde van het totaal aantal stemmen kan uitbrengen. In een vergadering waarin minder dan twee/derde van het in de vorige zin bedoelde maximum aantal stemmen kan worden uitgebracht, kan geen geldig besluit worden genomen.

In dat geval zal een nieuwe vergadering worden uitgeschreven, te houden niet vroeger dan twee en niet later dan zes weken na de eerste.

7. Indien door de vergadering overeenkomstig het in het vijfde lid bepaalde tot het doen van een uitgave wordt besloten, wordt tevens de extra voorschotbijdrage bepaald, weke door de administrateur te dier zake van de eigenaars kan worden gevorderd. De uitvoering van zodanige besluiten kan eerst geschieden wanneer de voor de uitvoering benodigde gelden in de kas van de vereniging gereserveerd zijn.

8. Het in het lid 5 bepaalde geldt eveneens voor besluiten tot verbouwing of voor besluiten tot het aanbrengen van nieuwe installaties of tot het wegbreken van bestaande installaties, voor zover deze niet als een uitvloeisel van het normale beheer zijn te beschouwen.

De eigenaar, die van zodanige maatregel geen voordeel trekt, is niet verplicht in de kosten hiervan bij te dragen.

Artikel 40

1. Het bestuur van de vereniging berust bij de administrateur, die benoemd wordt door de vergadering.

Deze zal ook een plaatsvervangend administrateur kunnen benoemen.

2. De administrateur beheert de middelen van de vereniging en draagt zorg voor de tenuitvoerlegging van de besluiten van de vergadering, onverminderd het bepaalde in artikel 31.

3. Hij behoeft de machtiging van de vergadering voor het instellen van en berusten in rechtsvorderingen en het aangaan van dadingen alsmede voor het aangaan van rechtshandelingen en het geven van kwijtingen een belang van een nader in de akte te bepalen bedrag te boven gaande. Hij behoeft geen machtiging om verweer te voeren in een kort geding.”

3.3.

Op 6 mei 2014 is brand uitgebroken in de woning van [B] . Als gevolg hiervan is schade ontstaan aan het appartementsgebouw en de daarin gelegen woningen. De woning van [A] is door de brand licht beschadigd geraakt. [A] verbleef ten tijde van de brand bij zijn schoonzus wegens ziekte (en verblijft daar thans nog steeds). [A] heeft zijn appartement destijds tijdelijk beschikbaar gesteld aan [C] , wiens appartement eveneens beschadigd was geraakt. Het appartement van [B] is door de brand zwaar beschadigd geraakt; hij verblijft sindsdien op een ander adres.

3.4.

[B] heeft de brand en de daardoor veroorzaakte schade bij zijn verzekeraar Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V. (‘Nationale Nederlanden’) gemeld. Nationale Nederlanden weigerde tot uitkering van de door hem geclaimde schade over te gaan: zij stelde zich op het standpunt dat de opstalverzekering per 1 juni 2013 was geroyeerd en dat zij de assurantietussenpersoon van [B] , [de V.O.F.] (‘ [de V.O.F.] ’) daarover had geïnformeerd.

3.5.

[B] heeft zowel Nationale Nederlanden als [de V.O.F. c.s.] betrokken in een procedure bij de rechtbank Den Haag. Daarin vorderde hij dekking te verlenen en hoofdelijke veroordeling tot betaling van een bedrag van € 140.000,00 voor de schade die hij leed en nog zou lijden als gevolg van de brand. [B] stelde zich op het standpunt dat de opstalverzekering eerst per 1 juni 2014 was geëindigd, dat Nationale Nederlanden en [de V.O.F. c.s.] hun zorgplicht hadden geschonden, omdat hij niet wist van de beëindiging van de verzekering per 1 juni 2013 waardoor hij schade heeft geleden.

3.6.

Bij vonnis van 8 juli 2015 heeft de rechtbank Den Haag de vorderingen van [B] afgewezen.

3.7.

Op 15 juli 2015 heeft een inspecteur van de dienst Stedelijke Ontwikkelingen (‘de inspecteur’) van de gemeente Den Haag (‘de gemeente’) de staat van onderhoud van de appartementen gecontroleerd. Daarbij zijn gebreken vastgesteld en is gebleken dat de staat van onderhoud op grond van artikel 1b lid 2 Woningwet niet aan de voorschriften van bestaande bouw uit het Bouwbesluit 2012 voldeed. De inspecteur heeft een ‘Gebreken- en Voorzieningenlijst’ opgesteld die luidt als volgt, voor zover relevant:

“Adres: [adres 2]

Nummer

Gebrek

Bouw

Besluit

Maatregel

1.

De houten dakconstructie

is gedeeltelijk verbrand

en hierdoor verzwakt met

mogelijke kans op

instorten

2.6

3.25

Het verwijderen van de

gehele houten

dakconstructie en het

plaatsen van en nieuw

pannendak.

2.

De kunststof kozijnen in de voorgevel zijn door de brand verwoest en het glas is kapot

2.6

3.25

Het vervangen van de kozijnen ramen en het glas in de voorgevel.

3.

Het metselwerk is de brand aangetast en het voegwerk heeft plaatselijk losgelaten

2.6

3.25

Het reinigen van het metselwerk en het herstellen van het voegwerk als oorspronkelijk.

4.

De cordonlijsten onder de raamkozijnen zijn gedeeltelijk door de brand verwoest

2.6

3.25

Het herstellen van de cordonlijsten als oorspronkelijk en voorzien van een aanvaardbaar verfsysteem

5.

De kunststof kozijnen in de achtergevel zijn door de brand verwoest en het glas is kapot

2.6

3.25

Het vervangen van de kozijnen ramen en het glas in de voorgevel

6.

Het metselwerk is de brand aangetast en het voegwerk heeft plaatselijk losgelaten

2.6

3.25

Het reinigen van het metselwerk en het herstellen van het voegwerk als oorspronkelijk

7.

De houten vloerbalken van de zolder en 2e etage zijn door de brand aangetast, hebben hun draagkracht verloren en worden nu opgevangen door constructiestempels

2.6

De vloerbalken van de zoldervloer en 2e etage dienen, waar nodig, vervangen te worden.”

3.8.

Bij brief van 14 augustus 2015 heeft de gemeente de VvE een besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom gezonden naar aanleiding van voornoemde overtredingen. De VvE is daarbij gelast de overtredingen vóór 2 november 2015 te beëindigen door het treffen van voorzieningen conform de Gebreken- en Voorzieningenlijst.

3.9.

Bij exploot van 30 september 2015 is [B] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag (3.5 en 3.6).

3.10.

De VvE leed ten tijde van de brand een zogenaamd ‘slapend’ bestaan; zij is in verband met de afwikkeling van de brandschade weer geactiveerd. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is de heer [X] (‘ [X] ’) per 1 november 2015 ingeschreven als “zelfstandig bevoegd bestuurder met beperkingen” van de VvE.

3.11.

Bij brief van 12 februari 2016 heeft [X] namens de VvE een betalingsherinnering aan [A] gestuurd die luidt, voor zover hier relevant:

Uit onze administratie is gebleken dat u de door u verschuldigde periodieke bijdrage over de periode juni 2015 t/m februari 2016 groot een bedrag € 450,00 nog niet heeft voldaan. Het openstaande bedrag is € 450,00.

U bent verplicht uw periodieke bijdrage vóór de eerste van de betreffende maand / periode te betalen.

Tevens staat er nog een bedrag open van € 5.051,98 voor de eenmalige bijdrage.

Wij verzoeken u bovenstaande bedragen á € 5.501,98 alsnog binnen 14 dagen na dagtekening te voldoen op rekeningnummer (…) t.n.v. [de VVE] te [plaats 1] .

3.12.

Betaling door [A] is uitgebleven. Bij brief van 26 februari 2016 heeft [X] hem namens de VvE een aanmaning en ingebrekestelling gestuurd. Bij brief van 29 maart 2016 heeft [X] namens de VvE een aankondiging gerechtelijke maatregelen aan [A] gestuurd. De inhoud van de twee laatstgenoemde brieven was van soortgelijke strekking als de aanmaning van 12 februari 2016.

3.13.

In de procedure bij het hof Den Haag tussen [B] enerzijds en Nationale Nederlanden en [de V.O.F. c.s.] anderzijds zijn partijen bij arrest van 25 juli 2017 in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over de hoogte van de brandschade en het bedrag waarop [B] volgens de polisvoorwaarden jegens Nationale Nederlanden aanspraak had kunnen maken als de verzekering ten tijde van de brand nog van kracht was geweest. Samengevat komt in voornoemd arrest voorts naar voren dat:

  1. [de V.O.F. c.s.] aansprakelijk zijn voor (een deel van) de schade van [B] , voor zover zij toerekenbaar tekort geschoten zijn in haar informatieplicht;

  2. [B] een rapportage van EMN Expertise heeft overgelegd waaruit volgt dat de totale schade aan het gehele pand € 227.073 beslaat, waarvan € 191.497,00 betrekking heeft op zijn appartement;

  3. Nationale Nederlanden en [de V.O.F. c.s.] de juistheid van voornoemd rapport hebben betwist, omdat daarin de schade niet zou zijn onderbouwd. Voorts hebben zij zich op het standpunt gesteld dat toepassing van de (appartementsclausule in de) polisvoorwaarden ertoe leidt dat de te vergoeden schade hooguit € 75.691,00 kan bedragen alsmede dat de overige schade voor rekening van de (verzekeraars van de) twee andere leden van de VvE moest komen;

  4. [B] heeft betwist dat hij slechts recht zou hebben op een derde van de totale schade. De andere leden van de VvE zouden volgens hem naar rato moeten bijdragen aan het herstel van de schade, voor zover het de gemeenschappelijke delen betreft. Volgens [B] is hij rechthebbende op het afgebrande deel, beloopt de verzekerde brandschade ten aanzien daarvan € 190.000 en kunnen Nationale Nederlanden en [de V.O.F. c.s.] regres nemen op de (verzekeraars van de) andere appartementseigenaren voor zover zij daaraan behoren bij te dragen.

3.14.

De slotsom van voornoemd arrest is dat het hof door partijen wilde worden voorgelicht over de omvang van de polisdekking en de uitleg van de appartementsclausule in het geval van een ‘slapende’ VvE. Partijen hebben zich daarover echter niet meer uitgelaten, omdat zij nadien tot een schikking zijn gekomen. In dat kader is aan [B] een aan deze rechtbank onbekend bedrag uitgekeerd.

3.15.

Bij offerte gedateerd 30 augustus 2017 heeft RW Repair B.V. te Wateringen (‘RW Repair’) een indicatie gegeven van de totale kosten voor de te verrichten werkzaamheden van herstel: € 194.060,92 inclusief btw. De offerte betreft: “ [adres 2] + voorgevel te [plaats 1] … Herstelwerkzaamheden”. Opgenomen zijn onder meer:

  1. het verwijderen / afvoeren van verbrande opstaldelen, reinigen van vervuilde delen;

  2. voorgevel: bouwkundig herstel alsmede schilderwerk / afwerking;

  3. bouwkundig herstel nummer 57: slopen houten verdiepingsvloeren, slopen / afvoeren plafonds, aanbrengen gipsenplatenplafonds, vervangen deuren / kozijnen, slopen / opnieuw opbouwen van (tussen)muren en wanden, slopen / afvoeren / vervangen deurkozijnen met opbergplanken, aanbrengen (vloer)plinten, plaatsen betonstaltonlatei, betegelen wanden en vloer, kitwerk, plaatsen douchehoek / toilet / ventilator / wastafel / keukenblok, aanbrengen velux dakramen, slopen / afvoeren / vervangen zoldertrap, loodgieterswerkzaamheden en elektrische installatie (vervangen alle bedrading);

  4. schilderen / afwerking nummer 57 (keuken, achterkamer, woonkamer, gang, overloop, 1e etage, trappenhuis en slaapkamer 2e etage): schilderen voordeur en deurkozijnen, stuken en dekkend witten plafonds / wanden / bovenmuren / onderzijde trap, voorlijmen, tegelklaar), aftimmering gevelkozijn, schilderen aftimmering gevelkozijnen binnenzijde incl. vensterbank, opbergkasten plafond/wanden stuken en dekkend witten, schilderen aftimmering vloer- draagconstructie, schilderen woonkamerdeur en kozijn, schilderen vloerplinten.

3.16.

Bij e-mailbericht van 14 september 2017 heeft de inspecteur van de gemeente de VvE geschreven dat op zeer korte termijn uitvoering moest worden gegeven aan nog niet uitgevoerde herstelwerkzaamheden.

3.17.

Op 19 september 2017 heeft [X] de VvE bijeengeroepen voor een algemene ledenvergadering. Van deze vergadering zijn notulen opgesteld die luiden als volgt, voor zover hier relevant:

Aanwezigen:

In persoon: Mevrouw [C] , de heer [B] , mevrouw [Y] van de VVE Balie Gemeente Den Haag.

Afwezig zonder kennisgeving: Mevrouw [zaakwaarnemer] (zaakwaarnemer van de heer [A] ).

1. (…).

De heer [B] heeft een prettige mededeling: Hij heeft zijn beroepszaak gewonnen en kan dus rekenen op een schadeuitkering.

3. Vaststellen van het aantal vertegenwoordigde stemmen:

De voorzitter stelt aan de hand van de getekende presentielijst vast dat 2 stemmen van de 3 uit te brengen stemmen in persoon dan wel bij volmacht vertegenwoordigd zijn. Derhalve kunnen tijdens deze vergadering rechtsgeldige besluiten worden genomen.

6. Bespreken en besluiten over de reparatie van het pand:

De leden besluiten de offerte van RW Repair d.d. 30 augustus 2017 te accepteren. Hiermee wordt de bijdrage per appartement € 64.686,97. Voor de heer [A] komt hier 1/3 van de reeds uitgevoerde werkzaamheden bij zijnde € 13.313,71. Totaal dus € 78.000,68. De leden [C] en [B] hebben hier al een deel van voldaan. Met deze bedragen is het mogelijk geweest het dak te laten vervangen. I.v.m. de dreigende dwangsom van het Pandenteam zal de heer [B] zijn raadsman verzoeken of het mogelijk is een voorschot te krijgen van de schadepenningen om i.i.g. de werkzaamheden aan de voorgevel te kunnen doen.”

3.18.

Bij brief van 9 oktober 2017 heeft […] Gerechtsdeurwaarders aan [A] geschreven, voor zover hier relevant:

In bovenvermelde zaak heeft u volgens mijn informatie uw VvE-bijdragen (bijvoorbeeld maandelijkse bijdrage, extra bijdrage, eenmalige bijdrage, afrekening stookkosten, etc.) tot op heden nog niet volledig aan mijn cliënte betaald. Nu de betalingstermijn is verstreken, bent u in verzuim en is het gehele bedrag opeisbaar geworden.

Op dit moment bent u een bedrag van € 84.296,67 verschuldigd. U moet dit bedrag betalen binnen vijftien dagen nadat deze brief bij u is bezorgd . (…).

3.19.

Bij brief van 20 oktober 2017 heeft de toenmalig advocaat van [A] laten weten dat [A] niet gehouden is te betalen.

4 Het geschil in de hoofdzaak

4.1.

Na eiswijziging vordert de VvE bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [A] tot betaling van:

  1. een bedrag aan hoofdsom van € 64.766,56, te vermeerderen met de wettelijke rente voor het deel groot € 61.837,41 vanaf 9 oktober 2017 en voor het deel groot € 2.539,15 vanaf de dag van het wijzen van dit vonnis, tot de dag der algehele betaling;

  2. een bedrag van € 50,00 per maand gerekend vanaf februari 2019 tot en met de maand waarin dit vonnis wordt gewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de desbetreffende maand tot de dag der algehele betaling;

  3. de buitengerechtelijke kosten, primair € 1.957,74, subsidiair € 1.617,69, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der algehele betaling en;

  4. e kosten van deze procedure, waaronder de beslagkosten van € 309,12 en de forfaitaire nakosten van € 131,00 zonder betekening en € 199,00 met betekening, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de ingediende dag na het wijzen van dit vonnis tot de dag der algehele betaling.

4.2.

De VvE legt aan haar vordering ten grondslag dat [A] op grond van de splitsingsakte en het daarin van toepassing verklaarde Modelreglement gehouden is eenderde deel bij te dragen in de kosten voor herstel van de schade aan de gemeenschappelijke delen van het appartementsgebouw veroorzaakt door de brand. De VvE heeft over de offerte van RW Repair van 30 augustus 2017 een besluit genomen tijdens de vergadering van 19 september 2017. Daarmee staat vast dat [A] aan dit bedrag mee moet betalen. Daarnaast is [A] een bedrag van € 50,00 per maand verschuldigd uit hoofde van de reguliere ledenbijdrage. Ondanks herhaalde sommatie daartoe heeft [A] de aan hem gefactureerde bedragen niet (volledig) voldaan, waarmee hij tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen.

4.3.

[A] erkent dat hij gehouden is de normale ledenbijdrage van de VvE te betalen, hij bevestigt dat de eenderde-verdeling ten aanzien van de gemeenschappelijke delen juist is en hij onderkent dat het dak en de gevel daarvan onderdeel uitmaken.

[A] acht zich in de onderlinge verhouding echter niet gehouden bij te dragen aan herstel van schade die is veroorzaakt door een ander, nu zijn verzekeraar het standpunt heeft ingenomen dat de brand is ontstaan in het appartement van [B] , zodat diens verzekeraar de schade aan het dak en de gevel volledig moet vergoeden. [A] wijst erop dat de voorgevel nog niet is hersteld en dat het appartement van [B] evenmin is hersteld, terwijl diens verzekeraar wel een onbekend bedrag aan hem heeft uitgekeerd. Daarnaast is [A] onbekend met het standpunt van de verzekeraar van [C] , terwijl dit voor hem relevante informatie is.

4.3.1.

Ten aanzien van de hoogte van de vordering heeft de VvE nagelaten te onderbouwen waaruit die bestaat, wat de totale kosten zijn alsmede wat de overige eigenaren hebben voldaan. [A] betwist dat hij gehouden is eenderde deel bij te dragen aan de kosten voor de herstelwerkzaamheden zoals die op basis van de offerte zijn ingebracht: die beslaan de totale herstelkosten, inclusief herstel van het appartement van [B] , en zien dus niet enkel op de gemeenschappelijke delen. [B] heeft zich in de procedure bij het hof (3.13) op het standpunt gesteld dat de totale schade € 227.073 bedraagt en dat € 191.497 daarvan betrekking heeft op zijn eigen appartement. Dat betekent dat ten hoogste het verschil daartussen, te weten € 35.597, ten laste van de VvE kan komen.

Het kan bovendien niet zo zijn dat de VvE een besluit neemt dat niet is gebaseerd op de statuten en strijdig is met redelijkheid en billijkheid, aldus [A] .

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Het geschil in de vrijwaring

4.5.

[A] vordert - samengevat - dat [B] wordt veroordeeld aan hem te betalen al datgene waartoe [A] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van [B] in de kosten van de vrijwaring.

[A] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de schade waarop het gevorderde bedrag ziet, is veroorzaakt door een brand in het appartement van [B] . Daarom is [B] aansprakelijk voor de schade die [A] daardoor lijdt. Indien de vordering van de VvE toewijsbaar is, moet [B] dat bedrag aan [A] vergoeden.

4.6.

[B] voert verweer. Hij wijst erop dat [A] geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die kunnen leiden tot de conclusie dat de brand te wijten is aan [B] , wat volgens hem ook overigens niet het geval is.

4.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in de hoofdzaak

5.1.

[A] heeft zich niet verzet tegen de eiswijziging van de VvE. Nu de rechtbank ook ambtshalve geen redenen ziet om de eiswijziging buiten beschouwing te laten, zal zij beslissen op de vorderingen zoals deze na de wijziging luiden.

5.2.

In geschil is welk bedrag [A] gehouden is te betalen in het kader van het herstel van de schade die is veroorzaakt door de brand in het appartement van [B] op 6 mei 2014 en wat de basis van de berekening dient te zijn.

Op grond van artikel 5:113 lid 2 Burgerlijk Wetboek (‘BW’) respectievelijk artikel 17 van het Modelreglement, dat overeenkomstig artikel 5:111 sub d BW deel uitmaakt van de splitsingsakte, dient iedere appartementseigenaar verplicht bij te dragen in de schulden en kosten die krachtens het reglement of de wet voor rekening van de gezamenlijke appartementseigenaren komen. Deze (interne) verplichting geldt tegenover de VvE en is in beginsel voor iedere eigenaar gelijk, tenzij het reglement van splitsing een andere verhouding bepaalt. Uit de splitsingsakte blijkt dat de appartementseigenaren ieder voor éénderde deel in de gemeenschap zijn gerechtigd en dat zij in gelijke verhouding dienen bij te dragen in de schulden en kosten die voor gemeenschappelijke rekening zijn (artikel 23 Modelreglement). Dit betekent dat [A] voor éénderde deel dient bij te dragen in de kosten van herstel van de schade ten aanzien van die delen en zaken die gemeenschappelijk zijn, hetgeen [A] overigens ook niet betwist. Hij betwist echter wel de hoogte van het gevorderde schadebedrag.

Besluit VvE 19 september 2017

5.3.

De VvE betoogt dat [A] op grond van het besluit van de algemene ledenvergadering van 19 september 2017 is gehouden tot betaling van éénderde deel van de door bouwbedrijf RW Repair begrote schade ad € 194.06,92. Anders dan de VvE betoogt, betekent het enkele feit dat de algemene ledenvergadering van 19 september 2017 op de juiste wijze is bijeengeroepen en [A] geen (tijdig) beroep op de vernietigbaarheid van die beslissing heeft gedaan nog niet dat [A] gehouden is zijn deel van alle ter vergadering geaccordeerde schadeposten te vergoeden. Daartoe dient namelijk een rechtsgeldig besluit te zijn genomen in de zin van de algemene regeling van boek 2 BW; de vraag is of daarvan sprake is.

5.4.

Aan de VvE komt de bevoegdheid toe, zoals (onder meer) uit artikelen 8 en 37 lid 1 van het Modelreglement blijkt, te beslissen over het beheer van de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken (3.2). Artikel 2 Modelreglement geeft een opsomming en daarmee duidelijkheid over de vraag welke delen in elk geval tot de gemeenschappelijke gedeelten moeten worden gerekend. Artikel 3 bepaalt vervolgens dat bij twijfel of iets tot de gemeenschappelijke delen of zaken behoort, hierover door de vergadering wordt beslist, met de mogelijkheid van beroep op de kantonrechter overeenkomstig artikel 5:130 BW.

Het op 19 september 2017 door de VvE genomen besluit ziet echter niet uitsluitend op het herstel van gemeenschappelijke delen en behelst in de kern evenmin een beslissing over een geschil waarbij twijfel bestond over de vraag wat wel en wat niet gemeenschappelijk is. Het besluit ziet namelijk ook op een verdeling van posten die privé-schade van [B] betreffen (en als zodanig expliciet zijn benoemd in de offerte van RW Repair van 30 augustus 2017; zie 3.15 onder c en d), en wel in gelijke delen over de drie leden. Ter comparitie heeft de VvE verklaard dat de offerte is opgevraagd op verzoek van de verzekeraar van [B] en door drie is gedeeld “omdat de verzekeraar van [B] zich op het standpunt had gesteld dat ieder VvE-lid moest bijdragen in de totale kosten, aangezien de VvE geen gezamenlijke verzekering had afgesloten.” Daarmee staat vast dat de VvE bij [A] kosten in rekening wil brengen waarvan zij weet dat die geen betrekking hebben op gemeenschappelijke gedeeltes. Het genomen besluit is aldus naar inhoud en strekking in strijd met de akte van splitsing, met als gevolg dat het besluit nietig is op de voet van artikel 5:129 lid 1 BW jo. artikel 2:14 BW. Dat brengt met zich dat het totaalbedrag van de (oorspronkelijke) offerte van RW Repair als zodanig geen grondslag kan bieden voor de door [A] te betalen schade.

Schade

5.5.

Derhalve zal thans de hoogte van de schade aan de gemeenschappelijke delen en zaken moeten worden bepaald. Ter gelegenheid van de comparitie is aan de VvE alsnog de mogelijkheid geboden zich over de schade aan de gemeenschappelijke delen bij akte uit te laten, aangezien de VvE in haar processtukken voor het door [A] te betalen schadebedrag (slechts) was uitgegaan van de offerte van RW Repair uit 2017. Door de VvE zijn (als productie 16 en 17) twee nieuwe offertes van RW Repair ingebracht: een gedateerd 19 februari 2018 en een van 7 januari 2019.

Bij vergelijking van de beide offertes met de oorspronkelijke offerte van RW Repair uit 2017 blijkt dat de posten op de nieuwe offertes nagenoeg geheel overeenkomen met die uit 2017: de posten in de offerte van 19 februari 2018 staan alle in de offerte van 2017 en ook de posten in de offerte van 2019 zijn tot en met ‘Schilderwerkafwerking voorgevel 61-59-57’ ontleend aan de offerte uit 2017. De vervolgens in de offerte van 2017 opgenomen posten – ‘Schilderwerk/afwerking nr. 57’ e.v. (met een totaalbedrag van € 21.234,00) – zijn in de offerte van 2019 geschrapt en vervangen door een (nieuwe) post ‘Achtergevel’, bestaande uit een post ‘Plaatsen van een vast steigerwerk’ met werkzaamheden van

€ 3.500,00 en een vaste post ‘Overige herstelwerkzaamheden’ van € 6.750,00.

Hoewel de VvE uitdrukkelijk was verzocht in haar akte inzicht te geven welke opgevoerde herstelwerkzaamheden de woning van [B] betreffen en welke zien op de gemeenschappelijke delen, heeft de VvE slechts volstaan met te stellen dat het merendeel van de op beide offertes opgenomen werkzaamheden behoren tot de in artikel 2 Modelreglement vermelde algemene gedeelten. Zij heeft wel een in de offerte van 2019 onder het kopje ‘Bouwkundig herstel nr. 57’ (ten onrechte) opgevoerde installatie keuken ad

€ 5.390,00 alsnog geschrapt. Slechts van twee posten – de vloeren en de plafonds – heeft zij zeer kort toegelicht waarom deze gemeenschappelijk zijn. Deze zeer beperkte toelichting klemt omdat, afgaande op genoemd kopje, de daaronder opgenomen posten in beginsel het herstel van de woning van [B] (nr. 57) zouden betreffen en niet de gemeenschappelijke delen.

5.6.

Nu de VvE niet aan haar in artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering neergelegde informatieplicht heeft voldaan, zoals de rechtbank de VvE overigens ook al ter comparitie heeft voorgehouden naar aanleiding van de inrichting van de dagvaarding, zal de rechtbank de VvE niet nogmaals in de gelegenheid stellen haar vordering nader te onderbouwen, maar zelf overgaan tot begroting van de schade, zoals bedoeld in artikel 6:97 BW. Zij zal dit doen aan de hand van de door de VvE in het geding gebrachte offertes van RW Repair.

In deze procedure is niet overgelegd het expertiserapport van EMN Expertise dat een rol heeft gespeeld in de procedure voor het hof (3.13). [B] heeft toen op basis daarvan betoogd, kort samengevat, dat de totale schade (afgerond) een bedrag van

€ 227.000,-- bedraagt, waarvan € 190.000,-- (afgerond) het appartement van [B] betreft. Dat komt er dus grofweg op neer dat [B] toen het standpunt heeft ingenomen dat in totaal (slechts) een bedrag van € 37.000,00 gemeenschappelijk is, welk standpunt slecht valt te rijmen met het thans door de VvE van [A] gevorderde bedrag. Mede tegen die achtergrond zal de rechtbank de schade begroten.

5.7.

De door de VvE als productie 16 overgelegde offerte van RW Repair betreft blijkens de in de offerte aangebrachte kopjes herstel van algemene delen: ‘Reinigings- en sloopwerkzaamheden’, ‘Bouwkundig herstel voorgevel’ en een post ‘Bouwkundig herstel nr. 57’, in totaal een bedrag van € 34.617,47. [A] betoogt dat het herstel van de kozijnen evenwel ziet op het vervangen van de kozijnen in het appartement van [B] en dat de opgevoerde werkzaamheden aan sierlijsten en schilderwerk nog moeten plaatsvinden. Anders dan [A] betoogt, staat in de offerte dat het gaat om vier stuks kunststof gevelkozijnen; dergelijke kozijnen behoren blijkens artikel 2 lid 1 Modelreglement tot de algemene delen, terwijl een offerte op zichzelf voldoende is voor toewijzing van het schadebedrag. De opgevoerde posten zijn derhalve als algemene delen te beschouwen.

5.8.

Duidelijk is dat het dak tot de gemeenschappelijke delen behoort en dat de kosten van herstel verdeeld moeten worden. De VvE heeft zes facturen overgelegd, waarbij de verrichte werkzaamheden aan het dak in rekening zijn gebracht voor een bedrag (volgens de VvE) van € 39.881,24. De VvE heeft ter comparitie verklaard dat de werkzaamheden begin 2016 zijn uitgevoerd (hetgeen aansluit op de factuurdata) en dat zij de zes facturen, waarvan de eerste overigens is gericht aan [C] , heeft betaald. [A] heeft dit niet betwist.

5.9.

De VvE stelt voorts dat gemeenschappelijke kosten zijn (of moeten worden) gemaakt ten bedrage van € 128.554,38, waartoe zij verwijst naar de (nieuwe) offerte van 2019. De VvE heeft de daarin onder het kopje ‘Bouwkundig herstel nr. 57’ opgevoerde posten niet besproken (globaal neerkomend op een bedrag van ruim € 85.000,00), maar slechts van de plafonds en vloeren toegelicht waarom deze gemeenschappelijk zijn. Wat betreft de plafonds stelt de VvE dat deze in beginsel wel tot de privégedeelten behoren, maar dat wordt volgens haar anders omdat elektrische bedrading moet worden aangelegd waardoor nieuwe plafonddelen moeten worden teruggeplaatst. Deze redenering overtuigt niet. Uit de offerte blijkt immers niet dat de reden van sloop van de plafonds is gelegen in de vernieuwing van de bedrading.

Ook haar toelichting waarom de afwerkkosten van de vloeren gemeenschappelijk zijn – de underlaymentplaten dienen ertoe de vloeren te kunnen afwerken –, overtuigt niet. Uit (de context van) artikel 2 van het Modelreglement blijkt dat het bij herstel van vloeren moet gaan om de constructie van het gebouw. Voor het overige oordeelt de rechtbank dat de andere opgevoerde posten niet gemeenschappelijk zijn. Vervanging van kozijnen bijvoorbeeld ziet niet op vervanging van buitenkozijnen – deze zijn immers al opgevoerd (hiervoor 5.7) – maar op kozijnen in de woning van [B] en zijn dus niet gemeenschappelijk.

5.10.

De in de offerte van 2019 verder opgenomen werkzaamheden vermeld onder het kopje ‘Schilderwerk/afwerking voorgevel 61-59-57’ ten bedrage van € 1.573,00, beschouwt de rechtbank wel als te behoren tot de gemeenschappelijke delen. Dat geldt ook voor de post steigerwerk etc. onder het kopje ‘Achtergevel’ (€ 3.500,00). De verder opgevoerde post ‘Vaste post overige herstelwerkzaamheden’, waarvoor € 6.750,- in rekening is gebracht, acht de rechtbank in dit stadium echter te weinig specifiek en zal daarom worden afgewezen. Het gaat dus om een totaalbedrag van € 5.073,00.

5.11.

Het voren overwogene betekent dat het totaal van de gemeenschappelijke kosten zou neerkomen op een bedrag van € 79.571,71 (€ 34.617,47 vanwege herstel voorgevel;

€ 39.881,24 herstel dak; en € 5.073,00 voorgevel en achtergevel). Mede gelet op de grote discrepantie met het door [B] eerder ingenomen standpunt omtrent de schade (5.6) en het feit dat niet alle opgevoerde werkzaamheden ook daadwerkelijk al zijn uitgevoerd, begroot de rechtbank de schade op een totaalbedrag van € 75.000,00. [A] is gehouden zijn aandeel in de gemeenschappelijke kosten te betalen, in totaal een bedrag van

€ 25.000,00. [A] heeft reeds voldaan, naar tussen partijen vaststaat, een bedrag van

€ 10.154,01, zodat voor hem resteert te betalen een bedrag van € 14.845,99.

De rechtbank merkt in dit verband, in navolging van [A] , op dat [B] geen openheid van zaken heeft gegeven over de hoogte van het door hem ontvangen schikkingsbedrag (3.14). Dat is wel nodig omdat eerst dan kan worden vastgesteld of sprake is van een tekort ter zake van de voldoening van de kosten van herstel van de gemeenschappelijke delen. Uit de splitsingsakte volgt immers dat de VvE-leden gehouden zijn ieder voor eenderde bij te dragen aan de herstelkosten van de gemeenschappelijke delen, althans voor zover de schadepenningen niet toereikend blijken te zijn (artikel 26.7 van het Modelreglement; hierboven 3.2). De rechtbank gaat er daarom van uit dat de verzekeraars dat onderling zullen regelen, nu dit punt door partijen verder niet is uitgewerkt.

De kosten vanwege uitgeoefende bestuursdwang

5.12.

De VvE vordert van [A] een derdedeel van het bedrag van € 5.782,80

(€ 1.926,60) vanwege uitgeoefende bestuursdwang en € 289,15 aan extra kosten die aan haar op 19 oktober 2018 zijn opgelegd vanwege de te late betaling van het bij factuur van de gemeente van 24 maart 2015 van haar gevorderde bedrag.

5.13.

De rechtbank overweegt dat de ‘slapende’ VvE is geactiveerd op 1 november 2015 (dus ná 24 maart 2015) en dat [B] in de periode vanaf 6 mei 2014 tot aan het arrest van het hof Den Haag van 25 juli 2017 verwikkeld is geweest in een procedure met zijn verzekeraar. De VvE heeft nagelaten aan te tonen dat (en wanneer) [B] en [C] hun deel hebben betaald (uit de betalingsherinnering valt af te leiden dat op dat moment het hele bedrag nog openstond). Gelet hierop zal de vordering als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

De achterstallige ledenbijdrage

5.14.

De VvE vordert voorts een bedrag van € 50,00 per maand aan sinds februari 2019 niet afgedragen ledenbijdrage. De rechtbank begrijpt dat zij ook bedoelt te vorderen de voordien niet door [A] afgedragen ledenbijdrage ter hoogte van (uiteindelijk) een bedrag van € 2.150,00. Gelet op het feit dat [A] haar vordering ook op die wijze heeft begrepen en heeft erkend dat hij gehouden is dat bedrag te betalen, zal de vordering van

€ 2.150,00 worden toegewezen.

Kosten administrateur

5.15.

De VvE vordert van [A] kosten die haar bestuurder heeft gemaakt in verband met de voorbereiding en begeleiding van de onderhavige procedure, te weten een bedrag van € 2.002,74. Gelet op de uitkomst van deze procedure is onvoldoende gebleken dat [A] haar verplichtingen op grond van wet of het reglement niet is nagekomen, zodat deze kosten niet op [A] kunnen worden afgewenteld.

Kosten van rechtsbijstand en buitengerechtelijke incassokosten

5.16.

De VvE vordert een bedrag van € 10.444,93 voor gerechtelijke kosten rechtsbijstand alsmede een bedrag van € 1.957,74 voor buitengerechtelijke incassokosten. Daargelaten dat de VvE hiermee in feite tracht een dubbele, althans hogere vergoeding te verkrijgen voor gemaakte kosten, zullen ook deze vorderingen als onvoldoende onderbouwd (gelet op de uitkomst ten aanzien van de vordering in hoofdsom), worden afgewezen.

Beslagkosten

5.17.

De VvE wijst erop dat de kosten uit hoofde van het door haar gelegde conservatoire beslag € 309,12 bedragen. Gelet op de uitkomst van deze procedure is de noodzaak tot het leggen van beslag niet gebleken, zodat de rechtbank de vordering zal afwijzen.

Proceskosten

In de hoofdzaak

5.18.

De VvE zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [A] worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden begroot op:

- griffierecht € 79,00

- salaris advocaat 2.685,00 (2,5 punten x tarief € 1.074,00)

Totaal € 2.764,00

In het incident tot vrijwaring

5.19.

Ten aanzien van de (aangehouden) proceskostenveroordeling in het incident tot vrijwaring wordt als volgt beslist. In het incident is het verweer van de VvE gepasseerd en is de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring toegewezen. Echter, in de vrijwaringszaak wordt de vordering van [A] afgewezen (zie hierna). De rechtbank ziet in de uitkomst van dit één en ander aanleiding om de proceskosten in het incident te compenseren, in die zin dat beide partijen de eigen kosten in het vrijwaringsincident dragen.

In de provisionele vordering in incident (artikel 223 Rv)

5.20.

Als onweersproken staat vast dat [A] zijn verzekeraar in mei 2014 op de hoogte heeft gesteld van de brand, dat zijn verzekeraar een expert heeft ingeschakeld die een rapport heeft opgesteld, en dat de verzekeraar van [A] op 21 mei 2015 een voorschot van ongeveer € 5.000,00 heeft betaald voor de eerste aanloopkosten, welk voorschot [A] aan de VvE heeft doorbetaald als bijdrage in zijn eenderde deel voor het herstel van het dak. Reeds uit genoemde omstandigheden had de VvE kunnen afleiden dat [A] verzekerd is. De VvE wordt daarom veroordeeld in de proceskosten in het incident. De kosten in het incident aan de zijde van [A] worden gezien de beperkte omvang van het incident begroot op nihil.

6 De beoordeling in de vrijwaring

6.1.

In de vrijwaring is in geschil of [B] gehouden is de kosten van herstel van de schade ten aanzien van de gemeenschappelijke delen aan [A] te vergoeden. [A] stelt daartoe dat hij ten tijde van de brand niet in zijn woning verbleef en dat hij niet gehouden kan worden aansprakelijk te zijn voor schade die is ontstaan ten gevolge van de brand in de woning van [B] . De rechtbank heeft [A] reeds ter comparitie voorgehouden dat hij onvoldoende heeft gesteld, wil hij op grond van artikel 12 in samenhang met artikel 14.3 van het Modelreglement zijn schade kunnen verhalen op [B] : het enkele feit dat de brand is ontstaan in het appartement van [B] is onvoldoende om vast te stellen dat [B] aansprakelijk is voor alle schade. De vordering in vrijwaring zal derhalve worden afgewezen.

6.2.

[A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de [B] . Daarbij geldt het volgende. De hoofdzaak en de vrijwaringszaak betreffen in de kern dezelfde feitelijke kwestie (de schade door de brand) en hangen in zoverre nauw samen. [B] heeft zich in de vrijwaringszaak laten bijstaan door dezelfde advocaat als de VvE in de hoofdzaak, ook ter comparitie. De rechtbank begroot de proceskosten van [B] daarom als volgt:

- griffierecht € 79,00

- salaris advocaat € 543,00 (2,0 punten x tarief € 543,00 x factor 0,5 vanwege voornoemde samenhang)

Totaal € 622,00.

6.3.

Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237). De rechtbank zal, zoals gevorderd, de nakosten begroten conform het daarop toepasselijke liquidatietarief. De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals in het dictum vermeld.

7 De beslissing

De rechtbank:

in de hoofdzaak

7.1.

veroordeelt [A] tot betaling van een bedrag van € 14.845,99 (zoals uiteengezet onder 5.11), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van algehele betaling;

7.2.

veroordeelt [A] tot betaling van een bedrag van 2.150,00 en € 50,00 per maand gerekend vanaf februari 2019 tot en met de maand van het wijzen van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van algehele betaling;

7.3.

veroordeelt de VvE in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op € 2.764,00;

7.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 7.1 en 7.2 uitvoerbaar bij voorraad;

7.5.

wijst af het anders of meer gevorderde;

in het provisionele incident

7.6.

veroordeelt VvE in de proceskosten, aan de zijde van [A] begroot op nihil;

in het vrijwaringsincident

7.7.

compenseert de proceskosten, in die zin dat beide partijen de eigen kosten in het incident dragen;

in de vrijwaring

7.8.

wijst de vorderingen af;

7.9.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van [B] tot op heden begroot op € 622,00 aan tot op heden gemaakte proceskosten en op € 157,00 aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 82,00 in geval van betekening; te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de voornoemde proceskosten met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van algehele betaling;

7.10.

verklaart de bovenstaande proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.M. Ahsmann en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 11 september 2019.

Type: 2513