Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10632

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-10-2019
Datum publicatie
18-10-2019
Zaaknummer
C/09/580912 / KG ZA 19/947
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2019:3008
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid, art. 3 en 8 EVRM, 3, 19 en 27 IVRK, art. 24, 34 Handvest EU. Eiseres is met haar minderjarige zoon vanuit Marokko naar Nederland afgereisd. Het kind heeft de Nederlandse nationaliteit, moeder heeft een afgeleid verblijsfrecht. Zij hebben thans in Nederland geen onderdak meer. Moeder en zoon hebben zich aangemeld bij de Gemeente Amsterdam voor opvang ogv WMO 2015, maar die aanvraag is afgewezen omdat zij als zelfredzaam wordt aangemerkt. De Gemeente heeft maximaal 10 dagen crisisopvang geboden en een terugkeerregeling naar Marokko. Anders dan eiseres betoogt, is de voorzieningenrechter niet van oordeel dat de Staat onrechtmatig handelt door in dit geval niet in opvang en voorzieningen voor eiseres en haar kind te voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/580912 / KG ZA 19/947

Vonnis in kort geding van 7 oktober 2019

in de zaak van

1 [eiseres sub 1],

2. [eiseres sub 1], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar zoon [de Minderjarige], geboren op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats, tijdelijk verblijvend in [plaats 1],

eisers,

advocaat mr. E.C. Weijsenfeld, te Haarlem,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Algemene Zaken, Ministerie van Justitie en Veiligheid en Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid), te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. E.C. Pietermaat te Den Haag.

Eiseres sub 1 ([eiseres sub 1] handelend in persoon) wordt hierna aangeduid als ‘[eiseres sub 1]’. De zoon van [eiseres sub 1] wordt hierna aangeduid als ‘[de Minderjarige]’.

Eisers gezamenlijk ([eiseres sub 1] handelend in persoon en handelend als wettelijk vertegenwoordiger van [de Minderjarige]) worden hierna aangeduid als [eiseres sub 1 c.s.]

Gedaagde wordt hierna aangeduid als ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 2 oktober 2019 in kort geding van met producties 1 tot en met 4;

- de door [eiseres sub 1 c.s.] overgelegde producties 5 tot en met 18;

- de op 4 oktober 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Op 7 oktober 2019 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 10 oktober 2019.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiseres sub 1] heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op [geboortedatum] is uit het huwelijk met een Nederlandse vader (hierna: de vader) haar zoon [de Minderjarige] geboren. [de Minderjarige] heeft evenals zijn vader de Nederlandse nationaliteit. [eiseres sub 1] is in 2015 van de vader gescheiden. De vader heeft geen omgang met [de Minderjarige]. [eiseres sub 1] verbleef met [de Minderjarige] in Marokko.

2.2.

In december 2018 is [eiseres sub 1] samen met [de Minderjarige] vanuit Marokko naar Nederland gereisd. [eiseres sub 1] heeft in [plaats 2] een kamer gehuurd en de IND verzocht om een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000. Na enkele maanden was het budget van [eiseres sub 1] op. Zij heeft vervolgens samen met [de Minderjarige] ongeveer een maand lang in [plaats 3] verbleven. Daarna is [eiseres sub 1 c.s.] naar Marokko teruggegaan.

2.3.

Bij besluit van 16 mei 2019 is de aanvraag van [eiseres sub 1] om afgifte van een verblijfsdocument afgewezen.

2.4.

Op 12 juni 2019 is [eiseres sub 1] terug naar Nederland gereisd om haar post op te halen. Zij is vervolgens weer naar Marokko teruggereisd. [eiseres sub 1] heeft bezwaar gemaakt tegen het afwijzende besluit van de IND.

2.5.

In augustus 2019 is [eiseres sub 1] samen met [de Minderjarige] een derde maal naar Nederland gereisd. Zij hebben tot 29 augustus 2019 bij een kennis gelogeerd. Dit verblijf is vervolgens geëindigd.

2.6.

Op 5 en 9 september 2019 heeft [eiseres sub 1] zich gemeld bij het Centraal Meldpunt Dakloze Gezinnen van de gemeente Amsterdam. [eiseres sub 1 c.s.] heeft verzocht om toegang te verkrijgen tot de maatschappelijke opvang van de gemeente op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (‘WMO 2015’).

2.7.

Bij besluit van 10 september 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: de Gemeente) het verzoek afgewezen. De Gemeente heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiseres sub 1 c.s.] niet in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang op grond van de WMO 2015. De Gemeente heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat [eiseres sub 1] niet voldoet aan de voorwaarde dat sprake is van beperkte zelfredzaamheid in combinatie met meervoudige problematiek op het gebied van GGZ, verslavingszorg, schulden en/of werk en dagbesteding.

2.8.

De Gemeente heeft [eiseres sub 1] en [de Minderjarige] op 10 september 2019 wel toegelaten tot de noodopvang voor de duur van tien dagen, eindigend op 20 september 2019. Zij zijn daartoe tijdelijk in een hotel in [plaats 1] geplaatst. De Gemeente heeft de noodopvang beperkt tot tien dagen, omdat [eiseres sub 1] niet aan de bindingseis van de Gemeente voldoet (minimaal 24 maanden in Nederland verbleven, met als laatste woonplek [plaats 1]). De Gemeente heeft [eiseres sub 1 c.s.] een terugkeerregeling aangeboden, die inhoudt dat de Gemeente de terugreis van [eiseres sub 1 c.s.] naar Marokko organiseert, in welk geval [eiseres sub 1 c.s.] tot aan vertrek opvang krijgt. [eiseres sub 1] moest uiterlijk op 13 september 2019 laten weten of zij van deze terugkeerregeling gebruik wilde maken. [eiseres sub 1] heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.9.

[eiseres sub 1] heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van de Gemeente om haar maatschappelijke opvang toe te kennen op grond van de WMO 2015. [eiseres sub 1] heeft bij de voorzieningenrechter van de rechtbank [plaats 1], sector bestuursrecht (hierna: de bestuursrechter) een voorlopige voorziening gevraagd, inhoudende dat de Gemeente bij wijze van voorlopige voorziening wordt opgedragen om kindvriendelijke opvang voor [eiseres sub 1] en [de Minderjarige] te bieden, met leefgeld en hulp bij de schoolgang.

2.10.

[eiseres sub 1] heeft [de Minderjarige] op een school in [plaats 1] ingeschreven.

2.11.

De Gemeente heeft tijdens de mondelinge behandeling van de bestuursrechter op 17 september 2019 toegezegd de noodopvang te verlengen tot de datum van de uitspraak van de bestuursrechter over de gevraagde voorlopige voorziening, te weten 1 oktober 2019.

2.12.

Bij beschikking van 23 september 2019 heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het bezwaarschrift van [eiseres sub 1] tegen de afwijzing van haar aanvraag tot een verblijfsdocument, gegrond verklaard. Aan [eiseres sub 1] is, als moeder van een minderjarig Nederlands kind, een afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 20, eerste lid van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (‘VWEU’) verleend.

2.13.

De bestuursrechter heeft bij uitspraak van 1 oktober 2019 de verzochte voorziening afgewezen. De bestuursrechter heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

“5.3 In het screeningsformulier is vermeld dat verzoekster in december 2018 naar Nederland is gekomen omdat zij voor haar zoon beter onderwijs wilde. Verzoekster heeft zich toen staande kunnen houden. Verder is vermeld dat verzoekster een voldoende vaardige en veerkrachtige indruk maakt. Naast hulpvragen voor huisvesting en het vinden van een school zijn er geen andere hulpvragen. Verzoekster heeft in Marokko een beroepsopleiding genoten, had daar werk en verbleef bij haar ouders. Verder blijkt uit het screeningsformulier geen problematiek waaruit (..) zou kunnen worden afgeleid dat sprake is van een beperkte zelfredzaamheid die moet leiden tot opvang. Een huisvestingsprobleem is op zichzelf geen reden voor maatschappelijke opvang. Verweerder mag er daarom vanuit gaat dat verzoekster zich op eigen kracht kan handhaven. De voorzieningenrechter neemt daarbij ook in aanmerking niet gebleken is dat verzoekster onvoorbereid Marokko moest verlaten. Verzoekster heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de omstandigheden in Marokko zodanig zijn dat van haar niet gevergd mag worden om alsnog in Marokko voorbereidingen voor eventueel verblijf en huisvesting in Nederland te regelen.

5.4

Verweerder heeft het beleid met betrekking tot de noodopvang voor zelfredzame gezinnen aangescherpt. Met deze extra maatregelen hoopt verweerder te bevorderen dat kwetsbare dakloze gezinnen, en daarmee hun kinderen, zo snel mogelijk hun leven weer kunnen oppakken. Op grond hiervan komen remigranten die zelfredzaam zijn niet meer in aanmerking voor verblijf langer dan drie dagen in de noodopvang terwijl wordt beoordeeld of zij in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang. Zo niet, dan wordt een terugkeerregeling aangeboden. De voorzieningenrechter constateert dat verzoekster op grond van dit aangescherpte beleid niet in aanmerking komt voor meer noodopvang dan haar is aangeboden. In het geval van verzoekster is immers vastgesteld dat zij zelfredzaam is. Voorts is haar een terugkeerregeling aangeboden.”

2.14.

De noodopvang van [eiseres sub 1 c.s.] door de Gemeente is op 2 oktober 2019 geëindigd. Stichting De Regenboog heeft de kosten voor het hotel van [eiseres sub 1 c.s.] verlengd tot uiterlijk 8 oktober 2019.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres sub 1 c.s.] vordert dat de voorzieningenrechter de Staat bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeelt om onmiddellijk kindvriendelijke opvang te verstrekken voor [eiseres sub 1 c.s.], met voldoende geld om te voorzien in de basisbehoeften, te weten voedsel en kleding, waarbij de schoolgang van [de Minderjarige] gecontinueerd kan worden, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

[eiseres sub 1 c.s.] stelt dat de Staat onrechtmatig handelt door [eiseres sub 1] en [de Minderjarige] geen opvang te bieden. Daartoe voert [eiseres sub 1 c.s.] – samengevat – het volgende aan. [eiseres sub 1 c.s.] verkeert in een noodsituatie. De Gemeente heeft geoordeeld dat [eiseres sub 1 c.s.] niet onder de WMO 2015 valt, omdat zij zelfredzaam is. Ook krijgt zij geen noodopvang, omdat er geen twee jaar binding met de regio Amsterdam is. Geen enkele gemeente in Nederland voelt zich verantwoordelijk voor [eiseres sub 1 c.s.] Dit leidt er concreet toe dat [eiseres sub 1 c.s.] (een minderjarig kind en zijn moeder) op straat komt te staan. Er is een lacune in de wet- en regelgeving als het gaat om opvang voor dakloze gezinnen. Het is aan de Staat om deze gezinnen te helpen. De Staat heeft een zorgplicht om de veiligheid van kinderen op zijn grondgebied te garanderen. De Staat dient te helpen door veilige opvang voor gezinnen en voldoende geld voor voedsel, kleding en continuering van school te garanderen. Dat volgt uit rechtspraak van de Hoge Raad (Hoge Raad 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328. Het niet bieden van hulp aan weerloze en hulpbehoevende kinderen is inhumaan en in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (‘EVRM’) en artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (‘IVRK’). [eiseres sub 1] kan niet worden verplicht een terugkeertraject te accepteren, gericht op vertrek uit de Europese Unie. [de Minderjarige] heeft als Unieburger het recht om in Nederland te zijn en heeft hij een grondrecht op sociale voorzieningen, aldus – steeds – [eiseres sub 1 c.s.]

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat anders dan de Staat betoogt, [eiseres sub 1 c.s.] in dit civiele kortgeding kan worden ontvangen in haar vordering. In dit geding is niet aan de orde of [eiseres sub 1 c.s.] in haar individuele geval recht heeft op maatschappelijke opvang op grond van de WMO 2015 (hetgeen een individueel besluit is waartegen voor [eiseres sub 1] een bestuursrechtelijke rechtsingang openstaat). [eiseres sub 1 c.s.] stelt in dit kort geding aan de orde dat, nu zij niet in aanmerking komt voor opvang op grond van de WMO 2015 en de Gemeente weigert haar toe te laten tot de noodopvang omdat zij niet voldoet aan de eis van voldoende binding met de regio, een situatie ontstaat waarin voor een Nederlands minderjarig kind en zijn moeder van wie hij afhankelijk is slechts drie alternatieven resteren: (a) een dakloos leven op straat, (b) een uithuisplaatsing van [de Minderjarige] en daarmee scheiding van moeder en kind, of (c) het accepteren van een terugkeerregeling naar Marokko (en daarmee vertrek uit de Unie). [eiseres sub 1 c.s.] betoogt dat de Staat, gelet op de zorgplicht die op hem rust ter bescherming van weerloze en hulpbehoevende kinderen die onder zijn jurisdictie vallen, dient in te grijpen en in opvang voor [de Minderjarige] en zijn moeder dient te voorzien. Het niet bieden van opvang in de onderhavige situatie levert volgens [eiseres sub 1 c.s.] schending op van diverse fundamentele Europees- en internationaalrechtelijke bepalingen, te weten artikel 3 en 8 EVRM, artikel 9 en 19 IVRK, artikel 20 VWEU en de artikelen 7, 24, tweede lid en 34 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (‘het Handvest’). De vraag die aldus in dit geding moet worden beantwoord is of de Staat onrechtmatig jegens [eiseres sub 1 c.s.] handelt door in de door hiervoor geschetste omstandigheden niet in opvang voor [eiseres sub 1 c.s.] te voorzien. Dit is een vraag die aan de burgerlijke rechter dient te worden voorgelegd. Daaruit volgt dat de voorzieningenrechter bevoegd is.

4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of de Staat in dit geval onrechtmatig handelt, stelt de voorzieningenrechter het volgende voorop. Op de Staat rust een verplichting om erop toe te zien dat de rechten en belangen van kinderen voldoende worden beschermd en geborgd. Die verplichting neemt niet weg dat het uitgangspunt is dat ouders de primaire verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot het welzijn van kinderen. Die primaire verantwoordelijkheid van de ouders komt ook tot uitdrukking in de artikelen 3, tweede lid IVRK:

2. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, (…), en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen.

en in artikel 27, tweede lid IVRK:

2. De ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, hebben de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.

4.3.

Van belang is verder dat de Staat voorziet in een opvangregeling voor gezinnen met minderjarige kinderen die in nood verkeren. Op grond van artikel 1.2.1 sub c WMO 2015 komt een ingezetene in Nederland in aanmerking voor opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.

4.4.

[eiseres sub 1 c.s.] heeft in dit geval ook een aanvraag gedaan bij de Gemeente voor deze opvangvoorziening, maar – zo wordt niet bestreden en moet in dit civiele kortgeding tot uitgangspunt dienen – zij komt daarvoor niet in aanmerking, omdat zij zelfredzaam is en ervan mag worden uitgegaan dat zij zich op eigen kracht kan handhaven. Uit de uitspraak van de bestuursrechter volgt dat voor die beslissing onder meer de volgende feiten en omstandigheden relevant zijn:

  • -

    [eiseres sub 1] heeft in Marokko een beroepsopleiding genoten;

  • -

    [eiseres sub 1] had in Marokko werk en verbleef bij haar ouders;

  • -

    [eiseres sub 1] is in 2018 met [de Minderjarige] naar Nederland gekomen omdat zij beter onderwijs voor [de Minderjarige] wilde;

  • -

    niet gebleken is dat [eiseres sub 1] onvoorbereid Marokko heeft moeten verlaten;

  • -

    [eiseres sub 1] maakt een voldoende vaardige en veerkrachtige indruk;

  • -

    naast hulpvragen voor huisvesting en het vinden van een school zijn er geen andere hulpvragen;

  • -

    [eiseres sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de omstandigheden in Marokko zodanig zijn dat van haar niet gevergd mag worden om alsnog in Marokko voorbereidingen voor eventueel verblijf en huisvesting in Nederland te regelen.

Deze feiten en omstandigheden zijn in dit civiele kortgeding niet bestreden en dienen dan ook in dit geding tot vaststaand uitgangspunt.

4.5.

Vast staat verder dat [eiseres sub 1 c.s.] niet in aanmerking komt voor opvang in de crisisopvang in de Gemeente Amsterdam, omdat die opvang alleen is bedoeld voor gezinnen die minimaal 24 maanden aantoonbaar in Nederland zijn met als laatste woonplek [plaats 1] of die aanspraak hebben op toegang tot maatschappelijke opvang, aan welke criteria [eiseres sub 1 c.s.] niet voldoet. Partijen hebben niet gesteld, en voorshands is evenmin gebleken, dat [eiseres sub 1 c.s.] in hun huidige situatie in een andere gemeente in Nederland in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang of noodopvang.

4.6.

[eiseres sub 1 c.s.] betoogt dat in deze situatie op de Staat een zorgplicht komt te vallen om in opvang voor [eiseres sub 1 c.s.] te voorzien. [eiseres sub 1 c.s.] betoogt dat het niet bieden van opvang en voorzieningen aan [eiseres sub 1] en [de Minderjarige] samen, inhumaan is en in strijd is met artikel 3 EVRM, alsook met het recht op familieleven (artikel 8 EVRM). Een kind dat dakloos is heeft recht op bescherming als de ouder niet in staat blijkt onderdak te verzorgen, aldus [eiseres sub 1 c.s.]

4.7.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter rust in het onderhavige geval geen zorgplicht op de Staat om [eiseres sub 1 c.s.] in Nederland onderdak te verschaffen. [eiseres sub 1 c.s.] wijst voor het bestaan van de door haar gestelde verplichting op de uitspraak van de Hoge Raad van 21 september 2012, waarin, zo betoogt zij, is bepaald dat kinderen recht hebben op opvang door de Staat, zelfs als hun ouders iets te verwijten valt. [eiseres sub 1 c.s.] gaat evenwel eraan voorbij dat de aangehaalde uitspraak een uitgeprocedeerd asielzoekersgezin betrof, waar de moeder zelf niet de financiële middelen had of kon verkrijgen om haar kinderen adequate verzorging en huisvesting te geven. In het geval van [eiseres sub 1 c.s.] betreft het echter een moeder die zelfredzaam is en in staat moet worden geacht om zich op eigen kracht te handhaven. Weliswaar rust op de Staat een positieve verplichting om de uit de artikelen 3 EVRM (het verbod op foltering) en artikel 8 EVRM (het recht op respect voor privé- en gezinsleven) voortvloeiende rechten te waarborgen, waarbij in het bijzonder het belang van kinderen voorop dient te staan, maar die positieve verplichting gaat niet zover dat op de Staat een zorgplicht rust om van staatswege onderdak en voorzieningen te bieden aan een zelfredzaam gezin waarvan de ouder (een derdelander met afgeleid verblijfsrecht) in staat moet worden geacht om op eigen kracht in de noodzakelijke voorzieningen voor de opvang en ontwikkeling van haar minderjarige kind te voorzien. Aan de artikelen 3 EVRM en 8 EVRM kan geen absoluut recht op opvang van staatswege voor minderjarige kinderen worden ontleend. Noch artikel 3 EVRM, noch artikel 8 EVRM legt een verplichting op de Staat om voor iedereen op zijn grondgebied onderdak te verzorgen (vgl. EHRM 30 mei 2017, no. 79480/13 (E.T. en N.T. vs. Zwitserland en Italië). Het is de Staat op zichzelf toegestaan om op grond van publieke belangen (de besteding van publieke middelen en het beschikbaar houden van voldoende opvang voor kwetsbare, niet zelfredzame gezinnen) beperkingen te stellen aan het recht op toegang tot sociale voorzieningen.

4.8.

Voor de bepaling of in dit geval op de Staat een opvangverplichting rust, is ook nog het volgende van belang. Op zichzelf stipt [eiseres sub 1 c.s.] met juistheid aan dat uit de rechtspraak volgt dat bij de verplichting van de Staat in het kader van artikel 3 EVRM en artikel 8 EVRM om de rechten en belangen van minderjarige kinderen te beschermen, ook in acht moet worden genomen dat kinderen niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden van gedragingen van hun familieleden (vgl. de hiervoor genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 21 september 2012 en de daarin aangehaalde rechtspraak van het EHRM). Dat laatste betekent echter niet dat volledig voorbij moet worden gezien aan de verantwoordelijkheidsverdeling tussen ouder en Staat, en de eigen inspanningsverplichting van de ouder. De voorzieningenrechter stelt in dit verband vast dat de Gemeente, toen [eiseres sub 1 c.s.] zich meldde bij de noodopvang omdat zij in Nederland geen verblijfplek meer had, vanwege de betrokkenheid van een minderjarig kind [eiseres sub 1 c.s.] tijdelijk heeft opgevangen in de crisisopvang. De Gemeente heeft ondertussen onderzocht of [eiseres sub 1 c.s.] in aanmerking kwam voor opvang op grond van de WMO 2015, wat vanwege haar zelfredzaamheid niet het geval is. De Gemeente heeft [eiseres sub 1 c.s.] bovendien een terugkeerregeling naar Marokko aangeboden. [eiseres sub 1 c.s.] heeft niet bestreden dat zij in Marokko (bij haar ouders) een thuis heeft waar zij veilige opvang heeft. Evenmin is in geschil dat het vanuit Marokko voor [eiseres sub 1 c.s.] mogelijk is om op eigen kracht voorbereidingen voor verblijf, huisvesting, werk en overige voorzieningen in Nederland te regelen. Voor zover dus in september 2019 een situatie was ontstaan waarin een minderjarig kind, als gevolg van onzorgvuldige voorbereiding en eigen keuzes van de moeder in Nederland dakloos was geworden, heeft de Gemeente in die situatie ingegrepen en daaruit een uitweg geboden door [eiseres sub 1 c.s.] tijdelijk op te vangen en, nadat bleek dat zij niet in aanmerking kwam voor opvang op grond van de WMO 2015, een terugkeerregeling aan te bieden naar Marokko, waarvandaan zij op eigen kracht voorzieningen in Nederland kan regelen. Daarmee zijn van de kant van de Gemeente voldoende inspanningen verricht om de ontstane dakloosheid tijdelijk te ondervangen en de belangen en rechten van [de Minderjarige] te waarborgen. Niet als juist kan worden aanvaard dat, indien [eiseres sub 1] vervolgens de aan haar aangeboden uitweg uit de dakloze situatie niet aanvaardt en besluit in Nederland te blijven, op de Staat een zorgplicht komt te rusten om opvang te bieden. Het aannemen van een opvangplicht van de Staat onder dergelijke omstandigheden, strookt ook niet met de in het IVRK tot uitdrukking gebrachte verantwoordelijkheidsverdeling tussen de ouders en de Staat, op grond waarvan zelfredzame ouders primair zelf verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind. Van een schending van artikel 3 EVRM of artikel 8 EVRM door de Staat, is in het onderhavige geval geen sprake.

4.9.

Evenmin kan als juist worden aanvaard dat de Staat opvang dient te bieden, omdat de Staat anders het verblijf van [eiseres sub 1 c.s.] in de Unie onmogelijk maakt. Met dit betoog gaat [eiseres sub 1 c.s.] eraan voorbij dat de Staat haar wel degelijk toegang biedt tot sociale voorzieningen, waaronder opvang op grond van de WMO 2015, maar dat zij op inhoudelijke gronden niet in aanmerking komt voor die voorzieningen, omdat zij – gelet op de onder rov. 4.4 geschetste omstandigheden – als zelfredzaam moet worden aangemerkt. Dat [eiseres sub 1 c.s.] in haar huidige situatie niet over een opvangplek in Nederland kan beschikken, is niet het gevolg van een door de Staat opgeworpen belemmering, maar is het gevolg van het feit dat [eiseres sub 1] uit vrije wil Marokko heeft verlaten en naar Nederland is vertrokken zonder voldoende voorbereidingen te treffen voor huisvesting en verblijf, hoewel zij wel in staat moet worden geacht om die voorbereidingen te hebben kunnen treffen. De in artikelen 7, 24, tweede lid en 34, tweede lid van het Handvest neergelegde rechten strekken niet zo ver dat de Staat ook verplicht is om minderjarige Unieburgers, van wie de ouder zelfredzaam is en geacht moet worden zich op eigen kracht te kunnen handhaven, opvang te bieden. Dat [eiseres sub 1 c.s.] daardoor feitelijk geen andere keuze rest om terug te keren naar Marokko (en het grondgebied van de Unie - tijdelijk - te verlaten) en vanuit daar nieuwe voorbereidingen te treffen voor woning en verblijf in Nederland, betekent niet dat de Staat onrechtmatig handelt.

4.10.

Het beroep dat [eiseres sub 1 c.s.] doet op het arrest Chavez-Vilchez (HvJ EU 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354), slaagt niet. In die zaak ging het erom dat een minderjarige Unieburger gedwongen zou worden Nederland te verlaten (en hem dus het effectieve genot van de in artikel 20 VWEU aan hem verleende rechten zou worden ontzegd), indien zijn ouder (een derdelander), van wie hij afhankelijk is, geen afgeleid verblijfsrecht zou krijgen. Die zaak betrof dus een wezenlijk andere kwestie dan deze zaak, waarin de moeder wel een verblijfsrecht heeft, maar vanwege haar zelfredzaamheid geen aanspraak kan maken op opvang van staatswege.

4.11.

De slotsom luidt dat naar voorlopig oordeel niet kan worden geoordeeld dat de Staat onrechtmatig jegens [eiseres sub 1 c.s.] handelt door in de onderhavige situatie geen opvang te verschaffen. De gevorderde voorziening zal worden geweigerd. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [eiseres sub 1 c.s.] veroordeeld in de proceskosten, die hierna in de beslissing worden begroot.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

weigert de gevorderde voorziening;

5.2.

veroordeelt [eiseres sub 1] om binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.619,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 639,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten verschuldigd is;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2019.

av