Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10607

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-09-2019
Datum publicatie
10-10-2019
Zaaknummer
NL19.2737
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres stelt dat er in Polen nieuwe wetgeving is ingevoerd die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht beperkt en dat dit gevolgen zal hebben voor de beoordeling van de asielprocedure door de rechter als deze niet vrij is om onafhankelijk tot een uitspraak te komen.

De regering van Polen heeft in 2017 een reeks wetten geïntroduceerd die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht aantasten. Twee wetten werden niet van kracht omdat de Poolse president daarover zijn veto heeft uitgesproken. De president ondertekende wel een wet die de pensioenleeftijd van de rechters van de hoogste rechterlijke instantie verlaagt tot 65 jaar en de Poolse president de discretionaire bevoegdheid verleent om de ambtstermijn van de rechters van de hoogste rechterlijke instantie te verlengen. Deze wet trad in werking in april 2018.

De Europese Commissie heeft vervolgens een inbreukprocedure tegen Polen ingeleid. Op 19 oktober 2018 (ECLI:EU:C:2018:852) heeft het HvJ-EU Polen in een kort geding dat de Europese Commissie tegen Polen had aangespannen, gelast de toepassing van de wet op te schorten tot aan de uitspraak op de bodemzaak.

De Afdeling heeft in een uitspraak van 30 januari 2019 geoordeeld dat het starten van een artikel 7 procedure (inbreukprocedure) alleen in uitzonderlijke gevallen aanleiding kan geven om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

De rechtbank overweegt dat sprake is van een uitzonderlijk geval als geoordeeld moet worden dat de Poolse rechterlijke macht niet (langer) onafhankelijk en onpartijdig is.

De rechtbank heeft partijen ter zitting voorgehouden dat het HvJ-EU op 24 juni 2019 uitspraak heeft gedaan inzake de inbreukprocedure tegen Polen.

Verweerder heeft in zijn brief van 12 juli 2019 terecht opgemerkt dat uit rechtsoverweging 27-33 van deze uitspraak blijkt dat de Poolse regering de pensioenregeling van de Poolse rechters heeft teruggedraaid, alle nationale bepalingen waar de Europese Commissie zich tegen heeft gekeerd ingetrokken zijn en ook alle gevolgen van deze bepalingen ingetrokken zijn.

De rechtbank komt gelet hierop tot de conclusie dat niet is onderbouwd dat de Poolse rechterlijke macht thans niet onafhankelijk is of dat geen eerlijk proces is gewaarborgd voor zover een vreemdeling tegen een eventuele afwijzing van de asielaanvraag of maatregel van bewaring wenst op te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.2737

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen


[naam] , geboren op [datum] 1967 en van Tadzjiekse nationaliteit, eiseres,

(gemachtigde: mr. M.J.C. van den Hoff),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit op 6 februari 2019 beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende het beroep een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 19 februari 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:2927, NL19.2738) heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat eiseres niet mag worden overgedragen aan Polen totdat is beslist op het beroep.

Verweerder heeft op 25 juni 2019 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting zijn op verzoek van eiseres de heer [naam] en de heer [naam] in de gelegenheid gesteld een korte verklaring af te leggen om het relaas van eiseres te ondersteunen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een schriftelijk standpunt in te nemen over het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) in de zaak Commissie tegen Polen van 24 juni 2019 (C-619/18, ECLI:EU:C:2019:531). Daarbij heeft de rechtbank ook, gelet op het bepaalde in artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, partijen verzocht om aan te geven of naar aanleiding van deze schriftelijke toelichting behoefte bestaat aan een nadere behandeling ter zitting. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om binnen een redelijke termijn te verklaren of zij gebruik willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek zonder nadere behandeling ter zitting op 13 september 2019 gesloten.

Overwegingen

1. In geschil is tussen partijen of verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling heeft mogen nemen omdat in dit geval Polen op grond van de Dublinverordening (Vo 604/2013) verantwoordelijk is voor het verzoek om internationale bescherming.

2. Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiseres op 26 september 2017 in Oostenrijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Uit onderzoek in het Europese Unie Visuminformatiesysteem (EU-Vis) is voorts gebleken, dat eiseres door de buitenlandse vertegenwoordiging van Polen in het bezit is gesteld van een (Schengen)visum, dat geldig is van 10 september 2017 tot 23 september 2017. Eiseres heeft in het aanmeldgehoor Dublin van 21 augustus 2018 verklaard met dit visum Polen te zijn ingereisd op 11 september 2017. Dit visum was volgens eiseres afgegeven voor het bijwonen van een conferentie over mensenrechten namens de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). Eiseres heeft voorts verklaard Polen weer te zijn uitgereisd op 22 september 2017 om vervolgens naar Oostenrijk te gaan, waar zij op 27 september 2017 asiel heeft aangevraagd, waarop negatief is beslist omdat Polen verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiseres. In februari 2018 heeft zij Oostenrijk verlaten om naar Duitsland te reizen en vervolgens naar Nederland. Op 18 september 2018 heeft verweerder een terugnameverzoek gezonden aan de Oostenrijkse autoriteiten. Dit verzoek is op 19 september 2018 afgewezen aangezien de Oostenrijkse autoriteiten reeds een overnameverzoek aan de Poolse autoriteiten hebben gezonden, dat is geaccepteerd op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.

3. Daarop heeft verweerder op 20 september 2018 de autoriteiten van Polen verzocht om eiseres over te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Dublinverordening. Polen heeft het claimverzoek van verweerder op 1 oktober 2018 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Omdat eiseres in het aanmeldgehoor Dublin in de gelegenheid is gesteld te reageren op de mogelijke overdracht aan Oostenrijk, terwijl deze lidstaat bij nadere beschouwing niet de verantwoordelijke lidstaat bleek te zijn, heeft verweerder eiseres op 19 oktober 2018 in de gelegenheid gesteld haar bezwaren tegen overdracht aan Polen naar voren te brengen. Eiseres heeft op 1 november 2018 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Hierbij heeft zij – kort gezegd – aangegeven dat zij vanwege haar politieke activiteiten en werkzaamheden als journalist in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten in haar land van herkomst (Tadzjikistan) en dat zij geen vertrouwen heeft in de Poolse autoriteiten omdat zij vreest dat Polen als voormalige staat van de Sovjet-Unie samenwerkt met Tadzjikistan. Eiseres vreest in Polen bovendien voor de Tadzjiekse geheime dienst, waartegen Polen haar niet kan beschermen. Eiseres heeft voorts verklaard in Polen te zijn getraumatiseerd en suïcidaal te zijn en dat er in Polen geen veilige behandelomgeving is. Tot slot heeft zij aangevoerd dat haar (meerderjarige) zoon hier een asielaanvraag heeft ingediend die inhoudelijk beoordeeld wordt en dat haar zoon haar mantelzorger is.

4. Verweerder heeft vervolgens bij het bestreden besluit de aanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000.

5. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. In de zienswijze en de beroepsgronden voert eiseres aan dat sprake is van structurele systeemfouten in de opvangvoorzieningen en asielprocedure in Polen, mede door de beperking van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat zij bijzonder kwetsbaar is in de zin van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland en dat haar medische omstandigheden gelet op het arrest van het HvJ-EU van 16 februari 2017 in de zaak van C.K. tegen Slovenië aan overdracht in de weg staan. Voorts doet zij een beroep op de artikelen 9, 16 en 17 van de Dublinverordening.

6. Eiseres heeft een aantal stukken overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat Polen zijn internationale verplichtingen jegens asielzoekers niet nakomt. Het betreft:

  • -

    Amnesty International Report 2017/18 – The State of the World’s Human Rights (AI‑rapport);

  • -

    World Report 2018 – European Union, van Human Rights Watch (HRW-rapport);

  • -

    AIDA rapport over Polen van 28 februari 2018 (AIDA rapport 2018);

  • -

    Een brief van Human Rights Vision Foundation van 7 november 2018.

Bij de aanvullende beroepsgronden heeft eiseres nog verwezen naar het AIDA rapport over Polen van 11 maart 2019 (AIDA rapport 2019).

7. Eiseres stelt dat uit het HRW-rapport blijkt dat er in Polen nieuwe wetgeving is ingevoerd die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht beperkt en dat dit gevolgen zal hebben voor de beoordeling van de asielprocedure door de rechter als deze niet vrij is om onafhankelijk tot een uitspraak te komen.

8. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door eiseres overlegde informatie niet met zich brengt dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

9. De rechtbank stelt voorop dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel ervan mag uitgaan dat de autoriteiten van Polen zich houden aan de internationale verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en het Vluchtelingenverdrag. Het ligt dan ook op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat sprake is van zodanige aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, dat niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Polen (vgl. het arrest van het HvJ‑EU in de zaak N.S. tegen het Verenigd Koninkrijk en M.E. en anderen tegen Ierland van 21 december 2011, ECLI:EU:C:2011:865).

10. De rechtbank overweegt dat de regering van Polen in 2017 een reeks wetten introduceerde die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht aantasten. Twee wetten werden niet van kracht omdat de Poolse president daarover zijn veto heeft uitgesproken. De president ondertekende wel een wet die de pensioenleeftijd van de rechters van de hoogste rechterlijke instantie verlaagt tot 65 jaar en de Poolse president de discretionaire bevoegdheid verleent om de ambtstermijn van de rechters van de hoogste rechterlijke instantie te verlengen. Deze wet trad in werking in april 2018.
De Europese Commissie heeft vervolgens een inbreukprocedure tegen Polen ingeleid. Op 19 oktober 2018 (ECLI:EU:C:2018:852) heeft het HvJ-EU Polen in een kort geding dat de Europese Commissie tegen Polen had aangespannen, gelast de toepassing van de wet op te schorten tot aan de uitspraak op de bodemzaak. Advocaat-generaal [naam] is in zijn conclusie van 11 april 2019 (ECLI:EU:C:2019:325) van mening dat de Poolse wet over de verlaging van de pensioenleeftijd van de rechters van de hoogste rechterlijke instantie in strijd is met het EU-recht. “De maatregel kan het grondwettelijk hof en zijn rechters blootstellen aan externe tussenkomsten en aan druk van de president van de republiek. Bovendien kan hij de objectieve onafhankelijkheid van het hof ondermijnen”, aldus [naam] .

11. Het HvJ-EU heeft in de zaak LM tegen Ierland van 25 juli 2018 (ECLI:EU:C:2018:586) geoordeeld dat bij het uitleveren van verdachten rechters in andere lidstaten moeten meewegen dat de onafhankelijkheid van de Poolse rechtspraak onder druk staat. De nationale uitvoerende rechterlijke autoriteit – die beslist over de uitlevering – moet vaststellen of sprake is van systematische of veralgemeende gebreken die zorgen voor een reëel risico op het schenden van het fundamentele recht op een eerlijk proces.
De uitvoerende rechterlijke autoriteiten moeten op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over het functioneren van het gerechtelijk apparaat in de uitvaardigende lidstaat nagaan of er een reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces bestaat dat verband houdt met het feit dat de rechterlijke instanties van bedoelde staat niet onafhankelijk zijn wegens structurele of fundamentele gebreken in die staat. De inlichtingen in een met redenen omkleed voorstel dat de Commissie recent op grond van artikel 7, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) aan de Raad heeft doen toekomen, zijn voor die verificatie bijzonder relevante gegevens.
Daarna moet voor elke verdachte worden nagegaan hoe groot het risico is op een oneerlijk proces: “Indien uit dit onderzoek blijkt dat genoemde gebreken negatieve gevolgen voor die rechterlijke instanties kunnen hebben, dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit nog te beoordelen of er, in het licht van de specifieke zorgen die de betrokkene tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen, zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie alsook de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen.”

12. Het arrest LM tegen Ierland heeft weliswaar betrekking op grensoverschrijdende gerechtelijke procedures van uitlevering en dus een strafrechtelijke achtergrond, maar de rechtbank overweegt dat de essentie ervan is of – ondanks het interstatelijk vertrouwensbeginsel – het grondrecht van de verdachte op een eerlijk proces in zijn kern zal worden aangetast in het land waaraan de betrokkene wordt overgeleverd. De rechtbank overweegt dat in het onderhavige geval aan de orde is of – ondanks het interstatelijke vertrouwensbeginsel – het grondrecht van eiseres als asielzoeker op een eerlijk proces (in casu een effectief rechtsmiddel tegen een eventuele afwijzing van haar asielverzoek) in zijn kern zal worden aangetast, om dezelfde reden als genoemd in het arrest LM tegen Ierland, namelijk de inperking van de onafhankelijkheid van de Poolse rechtspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft het arrest LM tegen Ierland ook van belang geacht voor asielzaken. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van 30 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:282), waarin als volgt is overwogen:
In het arrest van 25 juli 2018, LM, ECLI:EU:C:2018:586, heeft het Hof van Justitie antwoord gegeven op de prejudiciële vragen van de High Court Ireland. Deze vragen zien op grensoverschrijdende gerechtelijke procedures van overlevering en hebben derhalve een strafrechtelijke achtergrond. Het Hof heeft overwogen dat zolang de Raad nog geen beslissing heeft genomen in een artikel 7-procedure, de uitvoerende rechterlijke autoriteit alleen in uitzonderlijke omstandigheden ervan kan afzien om gevolg te geven aan een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd door een lidstaat die voorwerp is van een met redenen omkleed voorstel in de zin van artikel 7, eerste lid, van het VEU (punt 73).


Het arrest van het Hof is naar het oordeel van de Afdeling ook van belang voor asielzaken voor zover het daar ook gaat om een gestelde schending van een grondrecht in een andere lidstaat. Meer toegespitst op de voorliggende zaak betreft het hier de invloed van de artikel 7-procedure op het interstatelijk vertrouwensbeginsel (zie ook de punten 35 en 36 van het arrest). Dat beginsel ligt ten grondslag aan het Protocol. De Afdeling leidt uit het arrest af dat het starten van een artikel 7-procedure alleen in uitzonderlijke gevallen aanleiding kan geven om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.”

Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat wanneer de rechtbank bij de beoordeling van een overdracht van een verzoeker om nationale bescherming over gegevens beschikt die erop wijzen dat er een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces wordt geschonden wegens structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat betreft, de rechtbank concreet en nauwkeurig moet nagaan of er, gelet op de persoonlijke situatie van de verzoeker, en rekening houdend met de inlichtingen die de overdragende lidstaat heeft verstrekt, zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de verzoeker een dergelijk gevaar zal lopen in geval van overdracht aan de voor het verzoek tot internationale bescherming verantwoordelijk lidstaat.

13. De Afdeling heeft in meergenoemde uitspraak van 30 januari 2019 geoordeeld dat het starten van een artikel 7‑procedure (inbreukprocedure) alleen in uitzonderlijke gevallen aanleiding kan geven om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

14. De rechtbank overweegt dat sprake is van een uitzonderlijk geval als geoordeeld moet worden dat de Poolse rechterlijke macht niet (langer) onafhankelijk en onpartijdig is. De vereisten onafhankelijkheid en onpartijdigheid liggen dicht tegen elkaar en worden door het EHRM doorgaans gezamenlijk getoetst (vgl. punt 192 van het arrest van het EHRM in de zaak Kleyn e.a. tegen Nederland van 6 mei 2003, ECLI:CE:ECHR:2003:0506JUD003934398). Het EHRM (vgl. punt 32 van het arrest van het EHRM in de zaak Langborger tegen Zweden van 22 juni 1989, ECLI:CE:ECHR:1989:0622JUD001117984, en punt 190 van het arrest Kleyn e.a. tegen Nederland van 6 mei 2003) toetst de onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie onder meer aan:

- de wijze van benoeming van het gerecht;

- de duur van de benoeming van het gerecht;

- de afwezigheid van beïnvloeding van het gerecht van binnenuit en vanuit de buitenwacht; en

- de afwezigheid van schijn van afhankelijkheid.

15. De onpartijdigheid van een rechterlijke instantie wordt door het EHRM zowel objectief als subjectief (de persoonlijke onpartijdigheid van de rechter) getoetst (vgl. punt 93 van het arrest van het EHRM van 15 oktober 2010 in de zaak Micallef tegen Malta, ECLI:CE:ECHR:2009:1015JUD001705606).

Bij objectieve partijdigheid kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eerdere bemoeienis van de rechter met de zaak, zoals als rechter in een eerdere instantie, of een andere (hiërarchische) band tussen de betrokken rechter en één van de andere actoren in de procedure (vgl. punt 36 van het arrest van het EHRM van 15 juli 2005 in de zaak Meznaric tegen Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2005:0715JUD007161501, en punt 47 van het arrest van het EHRM van 21 december 2000 in de zaak Wettstein tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2000:1221JUD003395896).

Dergelijke objectieve partijdigheid is in dit geval gesteld noch gebleken.

16. De rechterlijke instantie wordt volgens vaste rechtspraak van het EHRM vermoed subjectief onpartijdig te zijn, tenzij het tegendeel is bewezen (vgl. punt 58 van het arrest van het EHRM van 23 juni 1981 in de zaak Le Compte, Van Leuven and De Meyere tegen België, ECLI:CE:ECHR:1981:0623JUD000687875 en punt 94 van het Micallef-arrest).

17. De rechtbank heeft partijen ter zitting voorgehouden dat het HvJ-EU op 24 juni 2019 uitspraak heeft gedaan inzake de inbreukprocedure tegen Polen.

Verweerder heeft in zijn brief van 12 juli 2019 terecht opgemerkt dat uit rechtsoverweging 27-33 van deze uitspraak blijkt dat de Poolse regering de pensioenregeling van de Poolse rechters heeft teruggedraaid, alle nationale bepalingen waar de Europese Commissie zich tegen heeft gekeerd ingetrokken zijn en ook alle gevolgen van deze bepalingen ingetrokken zijn.

De rechtbank komt gelet hierop tot de conclusie dat niet is onderbouwd dat de Poolse rechterlijke macht thans niet onafhankelijk is of dat geen eerlijk proces is gewaarborgd voor zover een vreemdeling tegen een eventuele afwijzing van de asielaanvraag of maatregel van bewaring wenst op te komen.

18. De rechtbank overweegt tevens dat de overgelegde stukken van eiseres niet tot de conclusie leiden dat verweerder niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De rechtbank overweegt dat uit de Procedurerichtlijn niet volgt dat iedere vreemdeling een onvoorwaardelijk recht heeft op kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging in ieder stadium van de asielprocedure. Eiseres heeft niet onderbouwd dat er redenen zijn te veronderstellen dat de toegang tot de rechtsbijstand in Poolse asielprocedures niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Niet is op voorhand gebleken dat eiseres in Polen geen toegang zal hebben tot rechtsbijstand, noch dat zij zich hierover niet zou kunnen beklagen in Polen. Dat de juridische bijstand voor asielzoekers anders is geregeld dan in Nederland, maakt niet dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiseres heeft overigens niet aannemelijk gemaakt dat zij in Polen in detentie zal worden geplaatst. Dat er in het verleden sprake is geweest van het onjuist detineren van zogenaamde Dublin-terugkeerders, maakt niet dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Poolse autoriteiten hebben met het accepteren van het overnameverzoek gegarandeerd het verzoek om internationale bescherming van eiseres in behandeling te nemen, zoals bedoeld in artikel 2, aanhef en onder d, Dublinverordening. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in haar individuele geval in strijd met de verdragsverplichtingen in detentie zal worden geplaatst. Bovendien gaat de aangehaalde passage op p. 30 met name over de eerste identificatie en screening van vreemdelingen die voornamelijk via de grens Polen binnen komen. Niet wordt ingezien hoe deze passage betrekking kan hebben op de situatie van eiseres nu zij in het kader van de Dublinverordening wordt overgedragen aan Polen. Hierbij wordt tevens opgemerkt dat op grond van artikel 32 van de Dublinverordening medische gegevens kunnen worden uitgewisseld, mits de vreemdeling hiervoor toestemming geeft. Voorts wordt overwogen dat uit de aangehaalde passage niet blijkt dat eiseres in Polen geen toegang zou hebben tot adequate gezondheidszorg. Indien eiseres problemen zal ondervinden vanwege het ontbreken van talenkennis bij behandelaars en een eventuele inzet van tolken dient zij zich hierover te beklagen bij de Poolse autoriteiten. Tot slot overweegt de rechtbank dat uit het AIDA-rapport evenmin aannemelijk wordt dat eiseres in Polen verstoken zal blijven van opvang. Uit het AIDA-rapport 2018 blijkt immers dat asielzoekers recht hebben op opvang tijdens hun procedure tot enige tijd na afloop van de procedure, maar dat tijdens de verdere beroepsprocedure de materiële voorzieningen eindigen. In de praktijk blijkt dat asielzoekers soms langer in het opvangcentrum mogen blijven. Hieruit blijkt niet van systematische tekortkomingen in de opvangvoorzieningen, zodat eiseres moet klagen bij de Poolse autoriteiten als zij van mening is dat zij ontoereikende (opvang)voorzieningen krijgt. Dat het geen zin heeft om hierover te klagen, is door eiseres niet voldoende aannemelijk gemaakt.

19. Eiseres vreest dat Polen haar in strijd met het verbod op refoulement zal uitzetten naar Tadzjikistan. Zij wijst naar een brief van Human Rights Vision Foundation over een asielzoeker uit Tadzjikistan die dreigde te worden uitgezet naar Tadzjikistan wegens afwijzing van de asielaanvraag en dat dit is voorkomen met een interim measure. Eiseres vreest ook voor uitzetting in strijd met het verbod op refoulement en verwijst ook naar de verklaringen die ter zitting op haar verzoek zijn afgelegd door de heer [naam] en de heer [naam] . Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder heeft terecht verwezen naar het gegeven dat Polen door middel van het claimakkoord heeft gegarandeerd het verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen en te beoordelen conform de internationale verplichtingen.

20. Het beroep van eiseres op het arrest van het EHRM inzake Tarakhel faalt reeds omdat dit arrest zag op overdracht aan Italië, waar de algemene situatie qua opvang (opvangplekken in relatie tot instroom) zodanig was dat voor kwetsbaren (gezin met jonge kinderen) individuele opvanggaranties nodig waren. Voor zover eiseres meent dat in Polen sprake is van een vergelijkbare situatie als in Italië voor wat betref de opvang, heeft zij dit onvoldoende onderbouwd.

21. Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of zij vanwege haar gezondheidstoestand aan Polen mag worden overgedragen. Eiseres heeft daarbij gewezen op het arrest van het HvJ-EU in de zaak C.K. e.a. tegen Slovenië van 16 februari 2017 (ECLI:EU:C:2017:127). Over deze beroepsgrond overweegt de rechtbank dat, zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 3 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2980), uit dit arrest volgt dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf bezien een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand kan inhouden. Of dit het geval is, moet volgens het Hof worden beoordeeld bij de beslissing over de overdracht van die asielzoeker of in het geval van een rechterlijke procedure, wanneer wordt geoordeeld over de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit, omdat de tenuitvoerlegging daarvan tot een onmenselijke of vernederende behandeling van die asielzoeker zou kunnen leiden. Hieruit volgt dat als een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit dient te beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.

22. Uit de door eiseres overgelegde medische gegevens en het patiëntdossier van 19 juni 2019 kan worden afgeleid dat bij eiseres weliswaar meerdere malen als diagnose een down/depressief gevoel wordt vermeld, maar dit laat evenwel onverlet dat in dit geval medische stukken, waarin door een arts (psychiater) de diagnose is gesteld dat zij bekend is met ernstige psychische klachten, dat zij suïcidaal is en dat zij daarvoor psychisch-medische zorg en behandeling behoeft, ontbreken. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ter zitting dan ook terecht op het standpunt gesteld dat door eiseres geen medische stukken zijn overgelegd die aantonen dat zij lijdt aan een ernstige mentale of lichamelijke aandoening en waarin is aangegeven dat overdracht aan Polen zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidssituatie. Gelet hierop slaagt het beroep van eiseres op het arrest C.K. niet en hoefde verweerder geen onderzoek door het Bureau Medische Advisering te laten verrichten.

23. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 9 van de Dublinverordening niet van toepassing is reeds omdat het moet gaan om gezinsleden in de zin van artikel 2, onder g, van de Dublinverordening. Daaronder vallen meerderjarige kinderen, zoals de zoon van eiseres, niet.

24. Eiseres kan evenmin een geslaagd beroep doen op artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening, reeds omdat niet is gebleken dat de (meerderjarige) zoon van eiseres een verblijfsvergunning heeft in Nederland. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat op de aanvraag van de zoon nog niet is beslist.

25. Ten aanzien van artikel 17 van de Dublinverordening heeft eiseres aangevoerd dat verweerder geen beleid voert dat concretiseert hoe wordt beoordeeld of bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van bijzondere hardheid getuigt. Hierdoor ontstaat willekeur, aldus eiseres. De rechtbank overweegt dat het feit dat verweerder niet in nadere (beleids)regels heeft vastgesteld wat onder bijzondere, individuele omstandigheden wordt begrepen, anders dan in paragraaf C2/5 van de Vc, niet maakt dat op voorhand sprake is van willekeur. Daarbij wordt overwogen dat verweerder beoordelingsruimte en ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening of de overdracht van eiseres aan Polen zou getuigen van onevenredige hardheid. De rechtbank kan daarom de beoordeling van verweerder slechts terughoudend toetsen. Verweerder is niet verplicht om een discretionaire bevoegdheid nader in te kleuren met beleidsregels. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AZ5171) kan eiseres niet baten omdat het in die zaak ging om toepassing van een andere bevoegdheid in andere omstandigheden (namelijk de discretionaire bevoegdheid van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 waarvan de minister in een toespraak de bereidheid had uitgesproken om ten aanzien van uitgeprocedeerde asielzoekers in algemene zin bereid te zijn om in schrijnende gevallen hiervan gebruik te maken). Wel dient verweerder adequaat te motiveren waarom hij in dit geval geen gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid. Dat heeft verweerder gedaan. Verweerder heeft uitgebreid gemotiveerd waarom geen gebruik is gemaakt van de in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening neergelegde bevoegdheid. Eiseres heeft die motivering niet bestreden.

25. Het beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. van Lokven, voorzitter, en
mr. A.F.C.J. Mosheuvel en mr. R.A. de Wit, leden, in aanwezigheid van H.J. Renders, griffier. Deze uitspraak is geschied op 26 september 2019.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.