Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1058

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
07-02-2019
Zaaknummer
6574580 RL EXPL 18-677
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

schade strafrechtelijk derdenbeslag?, toets Staat/Staat Lavrijsen, correctie Langemeijer m.b.t. huurbeding in hypotheekakte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

HvB

Rolnr.: 6574580 RL EXPL 18-677

23 januari 2019

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. L.E.I.K. Jaminon,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

De Staat der Nederlanden,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid),

gevestigd te Den Haag,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. J. Perenboom.

1 Procedure

1.1

Partijen worden hierna ook aangeduid als respectievelijk [eiseres] en de Staat.

1.2

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 4 december 2017;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de in het geding gebrachte producties.

1.3

Op 2 mei 2018 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen [eiseres] , bijgestaan door haar gemachtigde en de Staat vertegenwoordigd door haar gemachtigde en mr. M.P.L. Lee. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden.

1.4

De zaak is na de comparitie van partijen naar de rol verwezen voor doorprocederen.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de inhoud van de door [eiseres] genomen conclusie van repliek ( met producties) en de door de Staat genomen conclusie van dupliek.

1.5

Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1

Vanaf 2 maart 2005 is [eiseres] eigenaresse (van het appartementsrecht dat recht geeft op) van de woning [adres] te [plaats] (hierna ook: de woning). Op die datum is de woning aan haar geleverd. Zij heeft de woning gekocht voor een bedrag van € 129.000,00.

2.2

Op diezelfde datum is op de woning een hypotheek gevestigd ten behoeve van Aegon Levensverzekering N.V. (hierna ook: Aegon) als zekerheid voor een door Aegon aan [eiseres] verleende geldlening van € 188.000,00.

Vanaf januari 2010 tot december 2012 heeft [eiseres] de woning verhuurd aan de heer [X] (hierna ook : [X] ) tegen een bedrag van laatstelijk € 700,00 per maand.

[eiseres] staat nog steeds ingeschreven op het adres van de woning maar woont feitelijk in Den Haag.

2.3

Op een gegeven moment is onder de naam [naam eenmanszaak] een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen de heer [Y] .

2.4

[eiseres] heeft zich op 1 januari 2006 laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel met de eenmanszaak [naam eenmanszaak] .

Op 16 maart 2009 is deze eenmanszaak omgezet in een besloten vennootschap genaamd In Nomine Sanctum B.V. met als directeur [Z] . [Z] is een neef van [eiseres] .

2.5

Op 25 januari 2011 is aan de officier van justitie een machtiging verleend tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna ook: sfo) tegen [Z] .

2.6

Op 21 februari 2011 is [eiseres] als verdachte in voormeld strafrechtelijk onderzoek gehoord door de FIOD.

Zij heeft toen – voor zover in dit geding van belang- het navolgende verklaard:

“…

Ik ben op verzoek van [Y] eigenaar geworden van een pand in [plaats] , [adres] . Volgens hem was het nodig om in verband daarmee op de loonlijst te komen bij dit bedrijf. Ik heb nooit werkzaamheden voor dit bedrijf verricht en heb ook nooit een loonstrook daarvan gekregen. Wel ben ik bij een notaris in Roosendaal geweest en heb daar mijn handtekening gezet. [Y] was daar ook bij.

Hoe de financiering bij de aankoop van dit pand verder is gegaan weet ik niet.

Wel heb ik brieven van o.a. de VVE en Aegon gekregen dat er ten aanzien van dit pand allerlei achterstallige rekeningen open staan. In dit huis woonde wel ene [X] .

Ik ben nooit naar dit huis geweest en weet dus niet of hij daar nog woont.

…”

2.7

Op grond van een bevel tot beslagneming op de voet van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv.) van 2 maart 2011in het sfo tegen [Z] , is op 3 maart 2011 conservatoir beslag gelegd op de woning onder [eiseres] ten laste van [Z] tot bewaring van het recht van verhaal ter ontneming van het door [Z] wederrechtelijk verkregen voordeel.

2.8

Op 11 december 2012 heeft de FIOD in opdracht van de officier van justitie beslag gelegd op de huurpenningen van de woning onder de bewoner van de woning. [X] is toen ook als getuige gehoord en hij heeft -kort weergegeven- verklaard dat hij wel problemen had met [Y] op dat moment maar dat dit gaat over de betaling van de hypotheek en de verhuur alsook dat [X] de huur nog steeds per bank betaalde op het door de FIOD genoemde rekeningnummer.

2.9

Kort daarop in december 2012 heeft [X] de huur opgezegd en is uit de woning vertrokken.

2.10

In verband met de omstandigheid dat [eiseres] haar hypotheek niet afloste heeft Aegon tot tweemaal toe getracht de woning executoriaal te verkopen. Tegen betaling van een bedrag van € 5.000,00 aan Aegon heeft [eiseres] deze executiorale verkopen weten te voorkomen.

2.11

De enkelvoudige raadkamer in strafzaken van de rechtbank Den Haag heeft bij beslissing van 5 november 2013 op het beklag van [eiseres] op de voet van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), onder meer, het beslag op de woning en het beslag op de huurvordering van [eiseres] op [X] opgeheven.

Deze beslissing is gegrond op de overweging dat het Openbaar Ministerie bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 januari 2013 niet ontvankelijk is verklaard in de vervolging van [Z] omdat er geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld jegens [Z] , zodat de beslagen naar het oordeel van rechtbank op 5 november 2013 geen sprake was van een verdenking van of een veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.

2.12

Bij arrest van 12 november 2014 heeft het gerechtshof te den Haag voormeld strafvonnis van 18 januari 2013 vernietigd, het Openbaar Ministerie in de zaak tegen [Z] ontvankelijk verklaard en de zaak voor verdere behandeling terugverwezen naar de rechtbank Den Haag.

2.13

Bij strafvonnis van 25 februari 2016 heeft de rechtbank [Z] veroordeeld tot een onvoorwaardelijk gevangenisstraf van 20 maanden.

Van dit vonnis is hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Den Haag.

Vóór de behandeling van dit hoger beroep is [Z] op 10 juni 2018 overleden. Daardoor is op grond van artikel 69 Sv het recht op verdere strafvordering jegens [Z] vervallen.

3. De vordering

3.1

[eiseres] vordert - zakelijk weergegeven - veroordeling van de Staat om bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

voor recht te verklaren dat de Staat jegens haar een onrechtmatige daad heeft gepleegd en de Staat daarom te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen 7 dagen na dit vonnis aan [eiseres] te voldoen de door haar geleden schade ten bedrage van € 15.131,00, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2014, dan wel vanaf de dag van de dagvaarding;

de Staat te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 4.312,44, subsidiair € 916,00 aan buitengerechtelijke kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;

de Staat te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten.

3.2

[eiseres] legt aan deze vordering, naast voormelde feiten, het navolgende ten grondslag.

Het Openbaar Ministerie (de Staat) heeft ten onrechte en in strijd met de toenmalige regelingen in het Wetboek van Strafvordering onder haar derdenbeslag gelegd op de woning en op de door haar van [X] te vorderen huurpenningen.

[eiseres] heeft daardoor schade geleden, die niet voor haar rekening dient te blijven.

Doordat [X] op de hoogte raakte van het beslag heeft hij de huur opgezegd. [eiseres] heeft daardoor vanaf december 2012 tot de opheffing van het beslag huurinkomsten gederfd.

3.3

[eiseres] begroot deze schade op 12 maanden gederfde huur à € 700,00 per maand en totaal op € 8.400,00.

[eiseres] loste met de huur van de woning de op de woning rustende hypotheek af. Door het gemis aan huurinkomsten kon zij haar hypotheeklasten niet meer dragen. Dit heeft geleid tot het voornemen van Aegon om de woning executoriaal te verkopen. [eiseres] heeft dit tegen betaling van € 5.000,00 aan Aegon weten te voorkomen.

Op die grond vordert zij van de Staat een bedrag van € 5.000,00.

Daarnaast heeft [eiseres] kosten moeten maken om verweer te voeren in de door Aegon tegen haar aangespannen procedures tot een bedrag van € 1.031,00.

Ook dit bedrag voert [eiseres] jegens de Staat op als schadepost.

Ten slotte vordert [eiseres] veroordeling van de Staat in de buitengerechtelijke kosten, die zij begroot op € 4.312,44, de proceskosten en de nakosten.

4. Het verweer

4.1

De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna - voor zover van belang - zal worden ingegaan.

Kort weergegeven komt het verweer van de Staat er op neer dat hij niet onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld en niet schadeplichtig is jegens [eiseres] .

De beslagen op 3 maart 2011 en 11 december 2012 zijn rechtmatig gelegd. Daarbij komt dat [eiseres] door het afleggen van haar verklaring tegenover de FIOD zelf heeft bijgedragen aan de omstandigheid dat er jegens [Z] op dat moment een redelijk vermoeden van schuld bestond. Dit laatste brengt mee dat de door [eiseres] geleden schade voor haar rekening dient te blijven en niet voor vergoeding door de Staat in aanmerking komt.

5. De beoordeling

5.1

De eerste vraag die in deze zaak ter beantwoording voorligt is de vraag naar welke maatstaf (voor zover van belang) beoordeeld moet worden of de beslagen onder [eiseres] rechtmatig zijn gelegd.

Gelet op het strafrechtelijke en strafvorderlijke legaliteitsbeginsel (artikel 1 Wetboek van Strafrecht dan wel artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering), moet deze vraag beantwoord worden aan de hand van het recht dat gold op het moment van het leggen van het beslag dus op 3 maart 2011 wat betreft het beslag op de woning en op 11 december 2012 wat betreft het beslag op de huurpenningen.

De beslissing van de rechtbank van 5 november 2013 is bij deze beoordeling dus niet van belang omdat daarin alleen is getoetst of het beslag ten tijde van het nemen van die beslissing gehandhaafd kon blijven.

5.2

Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] schade heeft geleden door het afzonderlijk op de woning zelf gelegde beslag. Daarom heeft [eiseres] geen zelfstandig belang bij de beoordeling van dit beslag.

Zij grondt haar vordering immers met name op de stelling dat [X] de woning heeft verlaten toen hij bekend raakte met het beslag op de woning waardoor zij huurinkomsten misliep en vervolgens haar hypotheeklasten niet meer kon dragen.

5.3

Gelet op productie 21 bij de conclusie van repliek (vermeld in rechtsoverweging 2.8) moet dus geoordeeld worden dat voor de beoordeling van de vordering van belang is het afzonderlijk op 11 december 2012 gelegde beslag op de huurpenningen van de woning omdat [eiseres] kennelijk daarop doelt wanneer zij stelt dat [X] de woning heeft verlaten op het moment dat hij bekend werd met het beslag op de woning.

Beoordeeld moet dus worden of het beslag op de huurpenningen ten tijde van dat beslag kon worden gegrond op artikel 94a, derde lid Sv, zoals dit luidde op 11 december 2012.

Die bepaling luidde toen als volgt :

Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval, de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, of degene aan wie, in het in het derde lid bedoelde geval, de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht kan worden opgelegd, kunnen in beslag worden genomen indien voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden.

5.4

Bij conclusie van antwoord (randnummer 3.3) heeft de Staat met een beroep op de hiervoor onder 2.6 weergegeven verklaring van [eiseres] aangevoerd dat [eiseres] op zijn minst redelijkerwijs kon vermoeden dat de woning, die zij verhuurde en de huurpenningen die zij als gevolg van de eigendom van die woning ontving aan haar zijn gaan toebehoren met het doel de uitwinning van die huurpenningen te bemoeilijken of te verhinderen. De kantonrechter onderschrijft dit standpunt van de Staat. Een verdere aanwijzing dat [Z] financieel belang bij de woning had wordt gevonden in de door [X] op 11 december 2012 tegenover de FIOD afgelegde getuigenverklaring.

5.5

Dit leidt tot de conclusie dat het strafvorderlijke beslag op de huurpenningen rechtmatig is gelegd.

5.6

Gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad HR 30 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0801 (Staat/Lavrijsen), moet dan worden beoordeeld of de gestelde schade niet toch voor vergoeding in aanmerking komt omdat deze schade onevenredig is en daarom niet ten laste van [eiseres] mag blijven daar deze schade buiten het normale door haar te dragen maatschappelijk risico valt.

5.7

Dat is hier niet het geval. Uit de inhoud van de hiervoor onder 2.6 vermelde verklaring van [eiseres] moet worden afgeleid dat [eiseres] voldoende besef had van de omstandigheid dat de woning op haar naam werd gezet onder zodanige omstandigheden dat zij minst genomen had moeten doorvragen over de financiële gang van zaken rond deze transactie. Dit geldt te meer nu de levering van de woning op dezelfde datum heeft plaatsgevonden als de vestiging van de hypotheek op de woning. Dat zij hieraan toch heeft meegewerkt dient in de omstandigheden van dit geval dan ook voor haar rekening en risico te blijven.

Dit geldt zowel voor de omstandigheid dat [X] de huur heeft beëindigd als voor de daaruit volgens [eiseres] voor haar voortvloeiende betalingsproblemen wat betreft de hypotheeklasten.

Daarbij wordt uitdrukkelijk overwogen dat [eiseres] het in de hypotheekakte voorkomende verbod om het verhypothekeerde goed te verhuren niet aan de Staat kan tegenwerpen.

Dat verbod strekt immers ter bescherming van de hypotheeknemer (de bank) en niet ter bescherming hypotheekgever ( [eiseres] ). Zij kon de eventueel uit dit beding voor haar voortvloeiende problemen bijvoorbeeld voorkomen door aan een nieuwe huurder mee te delen dat op het pand het recht van eerste hypotheek rust.

5.8

De vorderingen van [eiseres] moeten dus worden afgewezen.

Zij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

6. Beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt gedaagde partij in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de Staat vastgesteld op € 900,00 als het aan de gemachtigde van eisende partij toekomende salaris.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. L.C. Heuveling van Beek, kantonrechter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2019.