Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10564

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
18-10-2019
Zaaknummer
C/09/546687 / HA ZA 18-92
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad; procesrecht; eiswijziging; bewijswaardering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/546687 / HA ZA 18-92

Vonnis van 18 september 2019 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. D.W. Giltay Veth te Haarlem,

tegen

GEMEENTE HILLEGOM,

gevestigd te Hillegom,

gedaagde,

advocaat mr. A.P.E. de Ruiter te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 23 januari 2019;

  • -

    de akte van de Gemeente van 6 februari 2019;

  • -

    de akte van de Gemeente van 15 mei 2019, met producties 14-16;

  • -

    de antwoordakte tevens houdende akte vermeerdering van eis van [eiseres] van 3 juli 2019, met producties 53-56;

  • -

    de antwoordakte van de Gemeente van 31 juli 2019;

  • -

    de B-formulieren van beide partijen van 28 augustus 2019, houdende het verzoek om vonnis te wijzen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

Eisvermeerdering

2.1.

[eiseres] heeft haar eis bij akte na deskundigenbericht vermeerderd. Deze eiswijziging is echter gebaseerd op feiten en omstandigheden die haar grotendeels al ten tijde van de dagvaarding bekend waren, en die haar vóór de mondelinge behandeling allemaal bekend waren. De rechtbank is daarom van oordeel dat [eiseres] haar eis in strijd met de goede procesorde pas ná de door de Gemeente genomen akte met het deskundigenrapport heeft vermeerderd. De rechtbank zal daarom aan de eisvermeerdering voorbijgaan.

Tegenbewijs

2.2.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de Gemeente jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld door de voorschriften van de keurvergunningen te schenden, de ondeugdelijke damwand te (doen) plaatsen en die ondeugdelijke damwand – ondanks de problemen, die mogelijk mede door de schending van de keurvoorwaarden waren ontstaan – ongewijzigd ter plaatse te laten.

Ook heeft de rechtbank voorshands bewezen geacht dat het plaatsen en ongewijzigd ter plaatse laten van de ondeugdelijke damwand heeft geleid tot schade aan de woning van [eiseres] . Dit oordeel was gebaseerd op het vermoeden dat de zanderige tussenlaag in de bodem wordt gevoed als gevolg van een door de (ver)plaatsing van de damwand veroorzaakte verstoring van de grondwaterhuishouding (rov. 4.14 tussenvonnis) en het feit dat de Gemeente in de loop der tijd meermalen informatie over de problemen rond de damwand heeft achtergehouden (rov. 4.15-4.19). De rechtbank heeft de Gemeente toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.

2.3.

De Gemeente heeft hiertoe een rapport van 10 mei 2019 overgelegd, opgesteld door drs. Gerhard W. Winters, senior specialist hydrogeologie van Crux Engineering BV (hierna: ‘Winters’ en ‘Crux’). Ook heeft de Gemeente een aan dit rapport voorafgaande notitie van 19 april 2019 overgelegd, opgesteld door J. Havik MSc van Crux (hierna: Havik), gecontroleerd door Winters en vrijgegeven door dr. ing. A.E.C. van der Stoel van Crux.

2.4.

In het rapport van Winters staat onder meer het volgende:

1. Inleiding

(…)

Doel en gebruikstoepassing

Het causaal verband kan in absolute zin worden onderzocht wanneer de juiste meetgegevens beschikbaar zijn van de periode waarin de damwand is geplaatst. Aangezien dit niet het geval is kan enkel worden gesproken over de waarschijnlijkheid van dit verband. (…)

(…)

2. Uitgangspunten

(…)

2.2.2

Scope

In dit onderzoek wordt gekeken naar het geohydrologisch effect dat teweeg wordt gebracht door het beoogde causaal verband. Hierbij dient onderscheid te worden gemaakt tussen geohydrologische en geotechnische effecten. In [j] wordt benoemd dat de damwand een ontwerpfout bevat. De ontwerpfout kan mogelijk nadelige gevolgen hebben ten aanzien van de macrostabiliteit van de dijk (geotechnisch effect), maar kan op zichzelf niet voor wateroverlast zorgen bij [adres] (geohydrologisch effect). In het voorliggend verslag wordt de nadruk gelegd op de geohydrologische effecten van de plaatsing van de damwand. Grondwater kan in theorie voor overlast zorgen wanneer deze de route aflegt zoals schematisch weergegeven in Bijlage 1.

Het voorliggend onderzoek betreft een modelstudie in combinatie met een kort veldonderzoek om de situatie ter plaatse van de damwand te bekijken en de grondwaterstand in een peilbuis ter plaatse van [adres] te registreren. In dit onderzoek is geen aanvullend bodemonderzoek gedaan of metingen verricht.

(…)

5. Conclusie

(…)

De damwand is geplaatst als onderdeel van het nieuwbouwproject Vossepolder. Het ontbreken van historische gegevens ten aanzien van de grondwaterstanden en stijghoogtes in de Vossepolder en Weerlanerpolder zorgt ervoor dat een absoluut tegenbewijs niet kan worden geleverd. Het is echter ook niet mogelijk om een absoluut bewijs vóór het causaal verband te geven. Het verband wordt zodoende vermoed.

In dit rapport is onderzocht hoe waarschijnlijk het is dat het causaal verband voor wateroverlast heeft gezorgd ter plaatse van [adres] middels een modelstudie waarin verschillende scenario’s zijn getoetst en een bandbreedte analyse is uitgevoerd. De meest conservatieve variatie op het conservatieve basisscenario laat een verhoging van de freatische grondwaterstand van 15 cm zien als gevolg van het plaatsen van een damwand in combinatie met het ontstaan van een lekweg. Bij het correct functioneren van de perceelsdrainage en/of vorstrand zal deze, overigens beperkte, verhoging niet leiden tot het beschreven schadebeeld. In een realistisch modelscenario wordt verwacht dat de lekweg van de freatische naar de tussenzandlaag niet of in geringe mate aanwezig is door de lokaal aanwezige bodemeigenschappen en de waarneming van vernatting in de dijk. In dit scenario wordt geen verhoging van de grondwaterstand ter plaatse van de [adres] berekend.

Op basis van de modelberekeningen is een causaal verband tussen de werkzaamheden en de schade aan de woning op de [adres] zeer onwaarschijnlijk. De observaties uit het veldbezoek van 3 mei 2019 ondersteunen deze conclusie aangezien er geen aanwijzingen meer zijn voor vernatting in de dijk, maar de grondwaterstand ter plaatse van [adres] onverminderd hoog is.

De getoetste alternatieve oorzaken kunnen op basis van de modelresultaten niet worden aangewezen als alternatief causaal verband. Uit de gegevens van het KNMI is verder niet af te leiden dat neerslag in het jaar voorafgaand aan de schademeldingen uitzonderlijk hoog was.”

Winters komt tot de conclusie dat het scenario zonder lekweg het meest aannemelijk is, op grond van het feit dat deze uitkomsten stroken met de in de waterkering waargenomen waterophoping en te hoge waterstand (p. 11-12, § 3.2 rapport).

2.5.

De rechtbank is van oordeel dat de Gemeente er met dit rapport niet in is geslaagd het bewijsvermoeden te ontzenuwen. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.

2.6.

Het bewijsvermoeden waartegen de Gemeente tegenbewijs moet leveren, is mede gegrond op het vermoeden dat het plaatsen en onveranderd ter plaatse houden van de damwand hebben geleid tot scheurvorming in de bodem, waardoor een weg voor het grondwater door de tussenzandlaag heeft kunnen ontstaan (zoals ir. Sman in zijn rapport van 16 april 2015 had geopperd, zie rov. 2.32 van het tussenvonnis). Daarbij is relevant dat, zoals Winters in § 2.3 van zijn rapport bevestigt, dat de waterremmende silt/kleilaag van NAP -6,0 tot NAP -12,0 wordt onderbroken door de hiervoor bedoelde tussenzandlaag. Zoals Winters in § 3.2 en Tabel 1 van zijn rapport bevestigt, is dit een watervoerende laag.

2.7.

Winters en zijn collega’s bij Crux stellen voorop dat zij wegens een gebrek aan juiste meetgegevens geen absolute uitspraken kunnen doen over het causaal verband tussen de wateroverlast in de woning van [eiseres] enerzijds en het plaatsen en ongewijzigd ter plaatse houden van de damwand anderzijds. Zij kunnen daarom alleen iets zeggen over de waarschijnlijkheid van het causaal verband tussen die twee omstandigheden. Dit doen zij door enkele scenario’s door te rekenen op basis van een door hen opgesteld model. De rechtbank moet beoordelen of zij de op basis van dit model berekende grotere waarschijnlijkheid voldoende vindt om het voorshands aangenomen causaal verband tussen de schade en het plaatsen en ongewijzigd ter plaatse houden van de ondeugdelijke damwand te ontzenuwen.

Rapport gaat niet in op aantal dragende overwegingen

2.8.

De rechtbank heeft in haar tussenvonnis mede op grond van de in rov. 4.14 onder a-g genoemde omstandigheden geoordeeld dat zij een scenario met lekweg voorshands waarschijnlijk acht. In de notitie van 15 april 2019 legt Crux uit hoe deze omstandigheden in het rapport zullen worden betrokken. Op de constateringen dat zich voor de plaatsing van de damwand ruim 25 jaar geen schade heeft voorgedaan, en dat de woning op circa 30 meter afstand van de dijk ligt (rov. 4.14 onder a en g) gaat Crux niet in. Over de verschuiving van de waterkering richting de watergang, het feit dat de damwand niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet en de scheurvorming in de grond aan de boezemzijde van de kade (rov. 4.14 onder b-d) merkt Crux slechts op dat deze punten “vooral grondmechanisch van aard zijn” en dus niet van belang voor het optreden van waterschade aan de woning van [eiseres] .

2.9.

Waarom grondmechaniek en/of de stabiliteit van de waterkering niet van belang zijn voor het optreden van waterschade, leggen Winters en zijn collega’s niet uit – noch in de notitie, noch in het rapport. Mogelijk is dit voor een hydrogeoloog evident; uit het feit dat de rechtbank de omstandigheden als relevant heeft benoemd, mag blijken dat zij daarop een nadere toelichting wenste.

Aannames in model Winters

2.10.

Blijven over de waterophoping en de te hoge waterstand die in 2009 en 2011 in de waterkering zijn geconstateerd, alsmede de constatering van het Hoogheemraadschap in 2011 dat de grondwaterhuishouding na de verplaatsing van de damwand was verstoord (tussenvonnis, rov. 4.14 onder e en f). Hierover merkt Crux in de notitie op dat dit kan komen doordat water vanuit de zuidkant van de Weerlanervaart richting de bodem infiltreert, maar lokaal op extra weerstand (de damwand) stuit. Dit hoeft volgens Crux nog niet te betekenen dat deze lokale ophoping zich doorzet richting de onderliggende watervoerende lagen. Dit heeft Winters vervolgens in zijn rapport gemodelleerd: de situatie met en de situatie zonder lekweg door de waterremmende lagen.

2.11.

Winters rekent de twee scenario’s in zijn rapport modelmatig door, aan de hand van een basisscenario waarin hij de volgende uitgangspunten hanteert:

Ҥ 2.6.1 Basisscenario

(…)

- In alle watergangen wordt het winterpeil gehanteerd (deze ligt hoger).

- De bodem van de Weerlanervaart heeft een hoge doorlatendheid (veel infiltratie naar het grondwatersysteem) terwijl de poldersloten een lage doorlatendheid hebben (verminderde afvoer van water).

- In Figuur 1 is te zien dat de damwand niet tot bij [adres] komt. In het model is de damwand in horizontaal opzicht verlengd tot voorbij [adres] .

- De damwand wordt dieper gemodelleerd (tot NAP -7,0m) zodat deze reikt tot in de tussenzandlaag. Bij een ondiepe damwand is het effect op de grondwaterstanden kleiner en de kans op een lekweg beduidend minder.

- Aan de boezemzijde van de damwand ontstaat door uitwijking van een lekweg van 1m breed met een zeer hoge doorlatendheid die uitkomt in de tussenzandlaag.

- Er vindt geen verdichting plaats ter plaatse van de grondverbetering. Dit betekent dat de verticale doorlatendheid gelijk is aan de horizontale doorlatendheid en grondwater vanuit de tussenzandlaag gemakkelijker in de freatische laag terecht komt.

(…)

§ 3 (Berekenings)resultaat

(…)

Bij het rapporteren van de resultaten wordt aangenomen dat een verandering van de grondwaterstand significant is vanaf 5 cm. Verder dient te worden gemeld dat een verhoging van de grondwaterstand negatief (-) wordt geclassificeerd en een verlaging positief (+).”

2.12.

Over de eerste aanname roept de afbeelding op p. 4 van de akte na deskundigenbericht van de Gemeente twijfel op, nu daarin staat vermeld:

Weerlanerpolder, zomerpeil -3,35 m NAP, winterpeil -3,45 m NAP”.

Hieruit volgt dat het winterpeil in de Weerlanerpolder juist 10 cm lager ligt dan het zomerpeil, en niet andersom. De opmerking in het rapport over de aanduidingen (+) en (-) gaan hier niet op, nu de afbeelding een beschrijving van de grondlagen en geen illustratie van hoogteverschillen bevat. Het verschil, dat in het nadeel van [eiseres] uitvalt, bedraagt meer dan 5 cm en is dus volgens de door Winters geformuleerde maatstaf significant.

2.13.

Daar komt bij dat Winters de uitkomsten voor de grondwaterstand die zijn basismodel geeft (NAP -2,69 m) vergelijkt met de grondwaterstand zoals die op 15 november 2011 is gemeten in een peilbuis op het perceel van [eiseres] (NAP -2,61 m). Winters acht de modelmatige uitkomst een goede benadering en neemt het verschil van 8 cm tussen de modelmatige uitkomsten en de meting uit 2011 niet mee in verdere berekeningen, en ook niet in zijn analyse van de uitkomsten. Ook dit verschil is in het nadeel van [eiseres] , bedraagt meer dan 5 cm, en is dus significant.

2.14.

Verder blijkt uit § 2.1 van het rapport dat Winters bij het opstellen van zijn model onder meer de volgende documenten heeft gebruikt:

“[2] Google; Google Maps; URL: https://google.com/maps/; d.d. 30-04-2019.

[3] Hoogheemraadschap Rijnland; Vigerende legger 2018; URL: https://rijnland.net/regels/legger/legger-oppervlaktewateren; d.d. 29-04-2019.

[4] Actueel Hoogtebestand Nederland; AHN viewer; URL: https://www.ahn.nl/index.html; d.d. 30-04-2019.

[5] Dinoloket; bodemmodel REGIS, Geologische eenheid; v.2.2; d.d. 30-04-2019.”

De rechtbank leidt hieruit af dat Winters en zijn collega’s hun model hebben gebaseerd op de situatie zoals deze na 2018 in de polder bestond. In deze situatie was het IT-riool, dat in strijd met de keurvergunning pas in 2017 is gerealiseerd, operationeel. Daardoor is ten opzichte van de situatie zoals die bestond in de voor de schade van [eiseres] relevante periode tussen mei 2009 en februari 2012 de afvoer van water in de polder vermeerderd en de freatische grondwaterstand afgenomen (vgl. de notitie van Crux van 15 april 2019, p. 7 onder “Damwandberekening (vervolg)” en het rapport van Winters in § 2.6.1).

2.15.

De in rechtsoverwegingen 2.12-2.14 genoemde punten maken dat de rechtbank de Gemeente niet volgt in haar stelling dat het door Winters gehanteerde model zeer conservatief en in het voordeel van [eiseres] is opgesteld. Zij maken ook dat de rechtbank Winters niet volgt in zijn conclusie dat (zijn berekeningen aantonen dat) het scenario zonder lekweg het meest aannemelijk is. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de Gemeente niet in het haar opgedragen tegenbewijs is geslaagd.

Conclusies

2.16.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de Gemeente jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld door de voorschriften van de keurvergunningen te schenden, de ondeugdelijke damwand te (doen) plaatsen en de ondeugdelijke damwand (ook na de gerezen problemen) ongewijzigd ter plaatse te laten. In dit vonnis acht de rechtbank bewezen dat er een causaal verband bestaat tussen deze onrechtmatige daad en de schade zoals die door [eiseres] is geleden.

2.17.

Dit betekent dat de voor de vestiging van de aansprakelijkheid van de Gemeente jegens [eiseres] nodige vragen nu zijn beantwoord. De rechtbank zal de gevraagde verklaringen voor recht daarom toewijzen voor zover zij zien op de hiervoor bedoelde onrechtmatige gedragingen. De rechtbank zal ook de vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure in zoverre toewijzen. De omvang van de aansprakelijkheid van de Gemeente jegens [eiseres] zal in de schadestaatprocedure aan de orde kunnen komen.

2.18.

Voor het overige zal de rechtbank de gevraagde verklaringen voor recht afwijzen, omdat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat terzake sprake is van onrechtmatig gedrag van de Gemeente (naast of in plaats van de bij de bouwwerkzaamheden in de Vosse- en Weerlanerpolder betrokken derden).

Proceskosten

2.19.

Gemeente zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 98,01

- griffierecht 291,00

- salaris advocaat 1.152,50 (2,5 punten × tarief € 461,00)

Totaal € 1.541,51

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart voor recht dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] door de voorschriften van de keurvergunningen van 22 mei 2006 en 29 november 2011 te schenden, de ondeugdelijke damwand te (doen) plaatsen en de ondeugdelijke damwand (ook na de gerezen problemen) ongewijzigd ter plaatse te laten;

3.2.

veroordeelt de Gemeente tot vergoeding van de door die onrechtmatige daad door [eiseres] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3.3.

veroordeelt de Gemeente in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.541,51, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.4.

veroordeelt de Gemeente in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

3.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.2, 3.3 en 3.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2019.1

1 type: coll: