Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10495

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-10-2019
Datum publicatie
11-10-2019
Zaaknummer
AWB 18 / 9193
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

artikel 9 document, schijnrelatie, tegenstrijdige verklaringen, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/9193

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[naam 1], eiser,

(gemachtigde: mr. A. Orhan),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 30 november 2018 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 november 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft op 20 augustus 2019 een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 5 september 2019. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is niet verschenen. Tevens was ter zitting aanwezig, [naam 2], referente. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Iraakse nationaliteit te bezitten. Op 8 januari 2018 heeft eiser een aanvraag ingediend tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vw1. Eiser wenst verblijf bij referente, zijn gestelde partner. Referente heeft de Poolse nationaliteit en is gemeenschapsonderdaan. Eiser stelt een deugdelijk bewezen duurzame relatie te hebben zoals bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, van het Vb2. Op 28 juni 2018 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen (het primaire besluit). Eiser heeft daartegen op 25 juli 2018 bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit is voornoemd bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er een aantal indicatoren zijn, op grond waarvan nader onderzoek naar een eventuele schijnrelatie gerechtvaardigd is. Dit nader onderzoek heeft plaatsgevonden in de vorm van een hoorzitting op 7 juni 2018 met zowel eiser als referente.

3. Naar aanleiding van deze hoorzitting is verweerder tot de conclusie gekomen dat er uiteenlopende, vage, bevreemdingwekkende en tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd over essentiële onderdelen van de relatie tussen eiser en referente. Dit betreft de ontmoeting, de wijze van verloving, de tijd tussen de eerste ontmoeting en de verloving, de reizen van referente naar Polen (inclusief de verklaring over de ziekte van referente), het moment van samenwonen, de wijze van huur en betrekking van de tweede woning en over de geloofsovertuiging en belijdenis van referente. Tijdens de hoorzitting zijn eiser en referente geconfronteerd met voornoemde tegenstrijdige verklaringen. Zij hebben de tegenstrijdigheden en vaagheden echter niet kunnen wegnemen. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat er sprake is van een schijnrelatie en dat er dus geen sprake is van een deugdelijk bewezen duurzame relatie.

4. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt

5. Niet in geschil is dat op grond van een aantal indicatoren nader onderzoek naar de vraag of er sprake is van een schijnrelatie gerechtvaardigd was. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden in de vorm van een hoorzitting. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het horen van eiser en referente een passend onderzoeksmiddel is om vast te stellen of er sprake is van een schijnrelatie. Zoals blijkt uit de richtsnoeren3 kan het onderzoek een afzonderlijk onderhoud met elk van de echtgenoten omvatten. Tevens wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling4 van 20 juli 20165.

6. In geschil is of er sprake is van een schijnrelatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er sprake is van een schijnrelatie. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

7. Niet is betwist dat eiser en referente tegenstrijdig hebben verklaard over essentiële onderdelen van hun relatie. Dit is door de gemachtigde van eiser ter zitting erkend. Zoals blijkt uit het verslag van de hoorzitting, hebben eiser en referente de tegenstrijdigheden – na daarmee te zijn geconfronteerd – niet weerlegd. Beide bleven bij hun eigen verklaringen.

8. Volgens eiser is er echter onvoldoende aandacht gegeven aan de gelijkluidende verklaringen van hem en referente. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen dat eiser en referente uiteenlopende, vage, bevreemdingwekkende en tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Tevens heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank gelet op het feit dat over essentiële onderdelen van hun relatie tegenstrijdig is verklaard, terecht meer waarde gehecht aan die tegenstrijdigheden dan aan de gelijkluidende verklaringen. De rechtbank ziet zich voor dit oordeel gesteund in de uitspraak van de Afdeling van 6 september 20176 en in de uitspraak van de Afdeling van 11 november 20167.

9. Voorts kan volgens eiser gelet op het tijdsverloop tussen het begin van de relatie en de hoorzitting, niet verwacht worden dat hij en referente gelijkluidend verklaren. Gelet op het summiere tijdsverloop is er naar het oordeel van de rechtbank echter geen aanleiding om aan te nemen dat verweerder niet mocht verwachten dat eiser en referente gelijkluidend zouden verklaren. Ten tijde van het hoorzitting waren eiser en referente immers slechts (ongeveer) een jaar en vier maanden samen. En ook in het geval er meer tijd verstreken zou zijn tussen het begin van de relatie en de hoorzitting, mag van eiser en referente verwacht worden dat zij over belangrijke gebeurtenissen in hun leven gelijkluidend verklaren. Verwezen wordt naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de eerder genoemde uitspraak van 6 september 2017.

10. Tot slot heeft eiser eerst in beroep op 25 augustus 2019 nadere stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn relatie met referente. De nadere stukken betreffen bankafschriften en foto’s van eiser en referente. Deze stukken kunnen aan het standpunt van verweerder dat er sprake is van een schijnrelatie niet af doen.

Horen

11. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar. Gelet op artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb8 mag slechts van het horen in bezwaar worden afgezien indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het bestreden besluit en de gronden in het bezwaarschrift, is in dit geval aan deze maatstaf voldaan, zodat verweerder van het horen heeft mogen afzien.

Conclusie

12. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Voorn, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Vreemdelingenwet 2000. Op grond van dit artikel verschaft verweerder aan een familielid van een gemeenschapsonderdaan die rechtmatig verblijf heeft een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt

2 Vreemdelingenbesluit 2000

3 Richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van Richtlijn 2004/83/EG (de Verblijfsrichtlijn) (COM(2009) 313 definitief)

4 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

5 ECLI:NL:RVS:2016:2120

6 ECLI:NL:RVS:2017:2434

7 ECLI:NL:RVS:2016:3081

8 Algemene wet bestuursrecht