Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10482

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-10-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
AWB 18 / 9645
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

mvv, Syrië, meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/9645

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1], eiser,

gemachtigde: mr. K. Yousef,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 december 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 4 september 2019. Eiser en verweerder zijn, met voorafgaande berichten, niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te hebben. Op 6 december 2017 heeft de moeder van eiser (hierna: referente) namens eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als verblijfsdoel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 2]’.

2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser met verwijzing naar het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat er geen sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM1. Eiser heeft de familierechtelijke relatie met referente niet met een gelegaliseerde geboorteakte aangetoond. Desalniettemin wordt de familierechtelijke relatie wel aangenomen. Tussen referente en haar meerderjarige zoon is echter niet gebleken van een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie.

3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Volgens paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 dient de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, beschermenswaardig familie- of gezinsleven te hebben zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerder beoordeelt de familie- of gezinsband per individueel geval en neemt aan dat sprake is van deze beschermenswaardige band tussen een ouder en een meerderjarig kind dat niet jongvolwassen is, indien tussen het kind en de ouder sprake is van een ‘meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie’.

5. Uit vaste rechtspraak van het EHRM2 volgt dat de vraag of er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, een vraag van feitelijke aard is. Er kan pas worden gesproken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie indien er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn. Voor de beoordeling daarvan kunnen verschillende elementen relevant zijn zoals: eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkene en de banden met het land van herkomst.

6. Eiser heeft gesteld dat er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen hem en referente omdat eiser zowel emotioneel als fysiek afhankelijk is van referente. Referente en eiser hebben dagelijks contact per telefoon en internet, hij is ongetrouwd, heeft altijd tot het gezin van referente behoord, is financieel afhankelijk en heeft niemand meer in Syrië die voor hem kan zorgen. Eiser is zorgbehoevend en afhankelijk van mantelzorg vanwege zijn medische en psychologische aandoeningen. De situatie wordt verder bemoeilijkt door de dreigende dienstplicht en de algemene oorlogssituatie. Gelet op 46 vergelijkbare mvv-aanvragen die wel door verweerder zijn ingewilligd, stelt eiser zich op het standpunt dat zijn omstandigheden een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie aantonen en dat verweerder het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft genomen.

Verweerder heeft echter mogen stellen dat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiser en referente. Verweerder heeft bij zijn beoordeling alle relevante feiten en omstandigheden zorgvuldig betrokken, waaronder het feit dat eiser reeds een aantal jaren zonder referente in Syrië woont. De stelling van eiser dat hij exclusief afhankelijk is van referente omdat er niemand is in Syrië die nog voor hem kan zorgen, heeft verweerder niet hoeven volgen. Eiser heeft immers in zijn brief van 5 maart 2018 verklaard dat vrienden zorg voor hem dragen. Dat de broer van eiser niet voor hem zou kunnen zorgen omdat hij in België zou verblijven wordt ook niet gevolgd. Eiser heeft deze stelling enkel met een onleesbaar document onderbouwd. Reeds in de herstelverzuimbrief van 19 februari 2018 heeft verweerder gevraagd een leesbare kopie over te leggen, tot op heden heeft eiser dit niet gedaan.

Dat eiser financieel afhankelijk zou zijn van referente heeft verweerder ook niet hoeven volgen omdat deze stelling niet nader is onderbouwd en haaks staat op eerder afgelegde verklaringen. In de brief van 5 maart 2018 heeft eiser laten weten dat hij leeft van spaargeld en het verkopen van persoonlijke bezittingen. Uit het aanmeldgehoor van referente blijkt dat eiser werkt dan wel heeft gewerkt.

Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM bestaat tussen hem en referente.

7 Ten aanzien van eisers grond dat de hoorplicht is geschonden overweegt de rechtbank dat van het horen in bezwaar slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef, en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht mag worden afgezien. Uit deze bepaling volgt dat alleen van horen mag worden afgezien indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het bestreden besluit en de gronden in het bezwaarschrift is in dit geval aan deze maatstaf voldaan.

8. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

2 Waaronder het arrest Kopf en Liberda tegen Oostenrijk van 17 april 2012, 1598/06