Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10477

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-09-2019
Datum publicatie
23-10-2019
Zaaknummer
AWB 18 / 9137
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Marokkaanse nationaliteit, aanvraag reguliere verblijfsvergunning, medische behandeling, buiten behandeling, beroep ongegrond, mondelinge uitspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/9137

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: mr. H. van der Heide-Boertien,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. K. Bruin.

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2018 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ buiten behandeling gelaten.

Bij besluit van 27 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 27 september 2019. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen B. Badouri. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser heeft verweerder verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ten behoeve van medische behandeling in Nederland. Verweerder heeft deze aanvraag buiten behandeling gelaten. Daarbij is niet in geschil dat eiser daarvóór, ondanks herhaalde verzoeken van verweerder, niet de vereiste medische informatie heeft overlegd en dat BMA1 verweerder om die reden niet kon adviseren over de aanvraag. BMA bepaalt zelf welke medische informatie nodig is.

2. De gestelde omstandigheid dat eiser hierbij afhankelijk was van een weigerachtige behandelaar leidt niet tot de conclusie dat verweerder niet heeft kunnen besluiten de aanvraag niet te behandelen. Het is de verantwoordelijkheid van eiser om voldoende informatie te verstrekken voor de beoordeling van de aanvraag.

3. De medische gegevens die in bezwaar alsnog zijn overgelegd kunnen evenmin leiden tot een geslaagd beroep. In bezwaar gaat het er immers ten eerste om de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit tot het buiten behandeling laten van de aanvraag. Indien rechtmatig, is verweerder, gegeven de aard van een dergelijk besluit, niet verplicht om de aanvraag alsnog inhoudelijk te behandelen op grond van nadien overgelegde gegevens. De rechtbank verwijst hierbij naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State2. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld waarom hij de aanvraag niet alsnog inhoudelijk heeft behandeld. Verweerder heeft daarbij kunnen wijzen op de duur van de procedure, het aantal malen dat eiser gevraagd is de benodigde medische informatie te overleggen en de mogelijkheid van eiser om een nieuwe aanvraag in te dienen. Verweerder heeft dan ook kunnen besluiten de aanvraag niet te behandelen.

4. De rechtbank stelt vast dat het in 2015 tegen eiser uitgebrachte terugkeerbesluit nog steeds van kracht is. Dat terugkeerbesluit is hier niet aan de orde. De rechtbank kan de gestelde schending van artikel 3 EVRM3 bij een eventuele gedwongen terugkeer naar Marokko dan ook niet beoordelen.

5. De stelling dat eiser suïcidaal is, dient te worden betrokken bij de inhoudelijke behandeling van een eventuele nieuwe aanvraag.

6. Het beroep is derhalve ongegrond.

7. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Paulus, griffier, op 27 september 2019.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Bureau Medische Advisering

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BO1604

3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden