Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10453

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-08-2019
Datum publicatie
07-10-2019
Zaaknummer
7484247
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

luchtvaartzaak, vertragingsschade, buitengewone weersomstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Gravenhage

CB

Rolnummer: 7484247 RL-EXPL 19-1993

27 augustus 2019

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1 [eisende partij sub 1] , wonende te [woonplaats] ,

2. [eisende partij sub 2], wonende te [woonplaats] ,

3. [eisende partij sub 3], wonende te [woonplaats] ,

4. [eisende partij sub 4], wonende te [woonplaats] ,

5. [eisende partij sub 5], wonende te [woonplaats] ,

eisende partijen,
gemachtigde: mr. R. Bos,

tegen

de besloten vennootschap TUI Airlines Nederland B.V. mede handelende onder de naam TUI en TUIFly,

statutair zetelende te Oude Meer, mede gevestigd en kantoorhoudende te Rijswijk,
gedaagde partij,
gemachtigde: mevr. mr. M. Lustenhouwer (AKD).

Eisende partijen zullen hierna gezamenlijk “ [eisende partijen] ” worden genoemd en gedaagde partij zal worden aangeduid als “TUI”.

1 Het procesverloop

1.1

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 18 januari 2019 met vier producties (nrs. 1 tot en met 4);

  • -

    de conclusie van antwoord van 3 april 2019 met acht producties (nrs. 1 tot en met 8).

1.2

Op 14 juni 2019 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Daarbij is namens [eisende partijen] hun gemachtigde verschenen en is namens TUI [betrokkene] verschenen, samen met de gemachtigde van TUI. Tijdens de comparitie van partijen heeft de gemachtigde van [eisende partijen] notities overgelegd. Van het verhandelde ter comparitie van partijen zijn door de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt. Een schikking is niet bereikt.

1.3

Vonnis is bepaald op heden

2 De feiten

2.1

[eisende partijen] hadden een boeking voor vlucht OR558 van TUI van Las Palmas (Canarische Eilanden) naar Amsterdam op 1 juni 2018. Volgens schema zou deze vlucht vertrekken van Las Palmas op 1 juni 2018 om 17:05 uur en de aankomst in Amsterdam was voorzien voor 1 juni 2018 om 22:35 uur (lokale tijden).

2.2

Vlucht OR558 is op 1 juni 2018 uit Las Palmas vertrokken 20:36 uur en op 2 juni 2018 om 01:47 uur gearriveerd, derhalve met een vertraging van 3 uur en12 minuten (lokale tijden).

2.3

De vluchtafstand van Las Palmas naar Amsterdam bedraagt 3.185 km.

2.4

Het vliegtuig van het type Boeing 737 (met registratienummer: C-FLSW), waarmee vlucht OR558 is uitgevoerd, heeft op 1 juni 2018 voorafgaand aan de rotatievlucht Amsterdam – Las Palmas – Amsterdam, waarvan vlucht OR558 onderdeel is, een rotatievlucht uitgevoerd van Amsterdam – Ibiza - Amsterdam. Deze rotatievlucht is met een vertraging van 2 uur en 35 minuten vanuit Ibiza in Amsterdam gearriveerd.

3 De vordering

3.1

[eisende partijen] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, TUI te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 2000,= te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf 1 juni 2018 althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; TUI te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 300,= te vermeerderen met de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten te rekenen vanaf 1 juni 2018 althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; TUI te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening: TUI te veroordelen in de nakosten van het te wijzen vonnis.

3.2

Aan hun vordering leggen [eisende partijen] ten grondslag dat Europese regelgeving en jurisprudentie, meer in het bijzonder artikel 6 jo. artikel 7 van de EU-verordening 261/2004 (hierna; ‘de Verordening’) en (onder meer) de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 december 2008 (C-549/07, Wallentin-Hermann-arrest), van 19 november 2009 (C-402/07, Sturgeon-arrest) hen recht geven op een vergoeding van -in dit geval- vijfmaal € 400,00 in verband met opgelopen vertraging van hun vlucht van Las Palmas (Canarische Eilanden) naar Amsterdam.

4 Het verweer

4.1

TUI heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering van [eisende partijen] Het verweer komt erop neer dat de vlucht van Las Palmas naar Amsterdam door buitengewone weersomstandigheden, namelijk slecht weer (mist en onweersbuien) en onderhoud aan een landingsbaan op de luchthaven van Amsterdam de tijdige uitvoering van de vlucht onmogelijk maakte.

5 De beoordeling

5.1

TUI beroept zich op buitengewone omstandigheden, waardoor zij niet gehouden is een compensatie aan [eisende partijen] te betalen in verband met de door hen opgelopen vertraging van hun reis van Las Palmas naar Amsterdam.

5.2

De kantonrechter neemt ten aanzien van de beoordeling van de vraag of er sprake was van buitengewone omstandigheden als uitgangspunt dat onbetwist is dat de betreffende vlucht van [eisende partijen] , vlucht OR554 van Las Palmas naar Amsterdam, is uitgevoerd zonder dat er factoren waren die die vlucht vertraagden.

5.3

Als buitengewone omstandigheden voert TUI aan dat op 1 juni 2018 er op en in de nabijheid van de luchthaven van Amsterdam sprake was van slechte weersomstandigheden (mist en cumulonimbus bewolking) èn dat er sprake was van capaciteitsreductie vanwege onderhoud aan een landingsbaan. Tezamen genomen leveren die factoren buitengewone omstandigheden op, waardoor TUI niet verplicht is [eisende partijen] voor de opgelopen vertraging te compenseren.

5.4

Als algemeen uitgangspunt naar aanleiding van verschillende uitspraken van het Europese Hof van Justitie geldt dat als buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van Verordening 261/2004 worden aangemerkt gebeurtenissen die vanwege hun aard of oorsprong niet inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteiten van de betrokken luchtvaartmaatschappij en waarop de laatstgenoemde geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen. Als voorbeelden van buitengewone omstandigheden worden in overweging 14 van de Verordening gevallen genoemd als politieke instabiliteit, weersomstandigheden die de uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen, beveiligingsproblemen, onverwachte stakingen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert1.

5.5

Voor zover het betreft de stelling van TUI dat de weersomstandigheden in de ochtend van de dag, waarop de vlucht van [eisende partijen] plaatsvond, aan te merken zijn als buitengewone omstandigheden, die bovendien zodanig doorwerkten ten aanzien van de inzet van het betreffende vliegtuig voor de vluchten, die het vliegtuig later die dag zou uitvoeren, volgt de kantonrechter TUI niet. Doorslaggevend daarvoor is dat naar het oordeel van de kantonrechter de weersomstandigheden niet buitengewoon waren.

5.6

Weliswaar wordt in overweging 14 van Verordening 261/2004 weersomstandigheden die de uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen genoemd als buitengewone omstandigheden. Naar het oordeel van de kantonrechter neemt dat echter niet weg dat sprake moet zijn van buitengewone weersomstandigheden. Immers, het weer is een factor van belang bij de uitvoering van elke vlucht. Zo is bijvoorbeeld de windrichting bepalend voor de keuze voor een bepaalde start- of landingsbaan, zo dient een vliegtuig bij sneeuw- en ijsvorming te worden ‘gede-iced’ en zo zal een gezagvoerder tijdens een vlucht gebieden met turbulentie trachten te omzeilen. Omdat zeker niet alle weersomstandigheden een vlucht verhinderen dienen naar het oordeel van de kantonrechter de weersomstandigheden buitengewoon zijn om te kwalificeren als buitengewone omstandigheden in de zin van de Verordening.

5.7

In voorgaande zin zijn naar het oordeel van de kantonrechter weersomstandigheden alleen als buitengewoon aan te merken als het weersomstandigheden betreft die gelet op de locatie van de betreffende luchthavens, de betreffende vliegroute en het betreffende seizoen als niet redelijkerwijs te verwachten zijn. Het anticiperen op, omgaan met en reageren op de normale in een bepaald gebied te verwachten weersomstandigheden is dus inherent aan de uitoefening van het vliegbedrijf.

5.8

TUI heeft naar voren gebracht dat de eerste vlucht van het betreffende vliegtuig op 1 juni 2017 is vertraagd door mist op de luchthaven van Schiphol. Naar het oordeel van de kantonrechter is mist op 1 juni ter plaatse van de luchthaven van Schiphol geen ongewoon verschijnsel. Ook de door TUI genoemde andere weersfactor, de aanwezigheid van actieve cumulonimbus wolken in het gebied van de Benelux, kwalificeert niet als een buitengewone weersomstandigheid. Regelmatig is er in dat gebied actieve cumulonimbus bewolking. In ieder geval heeft TUI onvoldoende gesteld dat de betreffende weersomstandigheden in het betreffende gebied en in het betreffende jaargetijde als niet redelijkerwijs te verwachten zijn.

5.9

Dat de luchtverkeersleiding als gevolg van de weersomstandigheden een bepaalde maatregel oplegt, zoals bijvoorbeeld beperkingen in het aantal vliegbewegingen als gevolg van de mist, is daarmee een rechtstreeks gevolg van de weersomstandigheden en niet aan te merken als een beslissing van de luchtverkeersleiding in het kader van de algemene vliegveiligheid, die specifiek de betreffende vlucht raakt. Het beperken van het aantal vliegbewegingen raakt immers ook alle andere vluchten die in de betreffende periode niet kunnen opstijgen of landen.

5.10

Omdat de door TUI gestelde weersomstandigheden naar het oordeel niet kwalificeren als buitengewone omstandigheden hoeft de vraag niet meer te worden beantwoord in hoeverre deze doorwerken naar de vertraagde vlucht van [eisende partijen]

5.11

Voor zover TUI nog heeft aangevoerd dat de vertraging ook het gevolg was van capaciteitsreductie op de luchthaven van Schiphol vanwege onderhoud aan een van de startbanen (Buitenveldertbaan) in de periode 20 mei 2018 tot 3 juni 2018 oordeelt de kantonrechter dat in deze procedure TUI dat argument, mede gezien in het licht van de reactie van (de gemachtigde van) [eisende partijen] tijdens de comparitie van partijen dat een en ander onvoldoende uit het overgelegde bewijs, niet kan baten. Het feit dat er sprake was van baanonderhoud blijkt alleen de in productie 4 bij dagvaarding overgelegde e-mail van TUI van 31 oktober 2018 (13:15 uur). Daarin wordt echter de baanvermindering in verband gebracht met de weersomstandigheden. In de conclusie van antwoord gaat TUI niet nader op dat argument in. Ook tijdens de comparitie van partijen gaat TUI niet nader op het argument in, laat staan dat TUI nader bewijs heeft aangeboden van deze omstandigheid. In dat licht verwerpt de kantonrechter dit argument van TUI als onvoldoende onderbouwd respectievelijk voldoende gemotiveerd door [eisende partijen] betwist.

5.12

Slotsom van al het voorgaande is dat onvoldoende is gebleken van buitengewone omstandigheden als gevolg waarvan TUI niet gehouden zou zijn. De vordering van [eisende partijen] zal daarom worden toegewezen.

5.13

Tegen de vordering voor buitengerechtelijke incassokosten van € 300,- heeft TUI geen zelfstandig verweer gevoerd, zodat deze, gelet op het voorgaande zullen worden toegewezen. Dat geldt evenzeer voor de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 juni 2018 voor wat betreft de hoofdsom en vanaf de 14e dag na de datum van betekening van dit vonnis voor wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten.

5.14

Als de in het ongelijk gestelde partij zal TUI worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt TUI om aan [eisende partijen] te betalen een bedrag van € 2.300,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.000,00 vanaf 1 juni 2018 en over € 300,- vanaf de 14e dag na de datum van betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt TUI in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eisende partijen] vastgesteld op € 695,81, waaronder € 360,00 als het aan de gemachtigde van [eisende partijen] toekomende salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de 14e dag na de datum van betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 augustus 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Zie onder meer rechtsoverwegingen 21 en 22 van het arrest van het Europese Hof van Justitie van 4 mei 2017 (ECLI:EU:C:2017:342, Peŝková)