Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10439

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
07-10-2019
Zaaknummer
09/767461-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Beslissing op het bezwaarschrift ex artikel 182, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

De raadsvrouw heeft de rechter-commissaris verzocht om bepaalde stukken aan het dossier toe te voegen. Een dergelijk verzoek om stukken aan het dossier toe te voegen, is een verzoek in de zin van artikel 34 Sv, dat aan de officier van justitie moet worden gericht. De rechter-commissaris heeft het schriftelijke standpunt van de officier van justitie, strekkende tot de afwijzing van dat verzoek opgevat als een vordering machtiging in de zin van artikel 34, vierde lid, Sv en heeft vervolgens deze machtiging aan de officier van justitie verleend. De rechtbank kan zich vinden in deze pragmatische werkwijze van de rechter-commissaris die de rechtbank ook in het belang van de verdachte acht. Tegen een dergelijke beslissing van de rechter-commissaris staat voor de verdachte echter geen rechtsmiddel open, gelet op het bepaalde in artikel 149b Sv in combinatie met de artikelen 445 en 446 Sv. De verdachte is daarom niet-ontvankelijk in zijn bezwaar tegen de verleende machtiging. De verdachte kan evenwel tijdens het onderzoek ter terechtzitting de zittingsrechter verzoeken de stukken alsnog toe te voegen aan het dossier.

Het verzoek om een contra-expertise ten aanzien van het uitgevoerde DNA-onderzoek is niet onderbouwd. Het bezwaarschrift is in zoverre ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Parketnummer: 09/767461-18

Raadkamernummer: 19/2781

Beslissing van 1 oktober 2019

Beslissing van de rechtbank Den Haag, meervoudige kamer, op het bezwaarschrift ex artikel 182, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] ,

gedetineerd in de penitentiaire inrichting Krimpen aan den IJssel te Krimpen aan den IJssel,

voor deze zaak domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsvrouw mr. B.G.M.C. Peters, [adres]

(hierna: de verdachte).

Inleiding

De verdachte wordt verdacht van het voorhanden hebben van en het gedurende langere tijd (bedrijfsmatig) handelen in vuurwapens en munitie. Bij beschikking van deze rechtbank van 11 april 2019 is de gevangenhouding van de verdachte bevolen voor een termijn van negentig dagen. Bij die beschikking is tevens de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst met ingang van 12 april 2019, voor zolang hij een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opgelegd in een andere zaak uitzit.

Namens de verdachte heeft de raadsvrouw op 6 juni 2019 de rechter-commissaris verzocht de volgende onderzoekshandelingen te verrichten:

  1. het horen van [getuige] als getuige;

  2. het benoemen van een expert voor het uitvoeren van een contra-expertise van het rapport Forensisch DNA-Onderzoek van 25 maart 2019;

  3. het voegen bij het dossier van alle stukken die ten grondslag liggen aan de DNA- rapportage van 25 maart 2019;

  4. het toevoegen aan het dossier van de volledige historische verkeersgegevens en uitdraaien van de telefoonnummers [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] , [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] ;

  5. het verstrekken van de opnames van alle WhatsApp- en tapgesprekken van de telefoonnummers [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] ;

  6. [het verstrekken van] de opnames van tapgesprekken via het telefoonnummer [telefoonnummer 4] , te weten de opnames in de periode van 7 januari 2019 tot en met
    10 januari 2019;

  7. uitdraai van de foto’s zoals genoemd op pagina 119-122 (met tijdstip ontvangst en herkomst van de foto’s).

Het bezwaarschrift van 27 augustus 2019, op diezelfde datum ter griffie van deze rechtbank ontvangen, richt zich tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 13 augustus 2019, voor zover deze betrekking heeft op de door de rechter-commissaris genomen beslissingen op de verzoeken onder 2 tot en met 7. Tijdens de behandeling van het bezwaarschrift in raadkamer op 17 september 2019 heeft de raadsvrouw het bezwaar dat ziet op de verzoeken onder 5 tot en met 7 ingetrokken. De rechtbank zal in deze beslissing daarom slechts ingaan op het bezwaar dat ziet op de verzoeken onder 2 tot en met 4.

De beschikking van de rechter-commissaris van 13 augustus 2019

Contra-expertise (2)

De rechter-commissaris heeft het verzoek om een contra-expertise ten aanzien van het uitgevoerde DNA-onderzoek afgewezen. Hij heeft daartoe overwogen dat het enkele feit dat de verdachte ontkent geen reden is voor een contra-expertise. Dat sprake zou zijn van complexe sporen, is op zichzelf ook geen reden voor een contra-expertise, zeker nu de deskundigheid van de DNA-onderzoekers om dergelijke sporen te onderzoeken niet ter discussie staat of is gesteld. Verder heeft de verdediging onvoldoende onderbouwd waarom de conclusies onbetrouwbaar zouden zijn, nu het voor zich spreekt dat afzonderlijke onderzoeken aan verschillende sporen tot verschillende resultaten kunnen leiden (de bevindingen van het DNA-onderzoek onder hypothese A zijn bij spoor #02 meer dan 10 miljoen keer waarschijnlijk dan onder hypothese 3, en bij spoor #05 is dit meer dan 1 miljoen keer).

Toevoegen stukken DNA-onderzoek en historische verkeersgegevens (3 en 4)

De rechter-commissaris heeft overwogen dat de raadsvrouw niet de juiste procedure heeft gevolgd. Ingevolge artikel 34, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) had het verzoek immers gericht moeten worden aan de officier van justitie. Als de officier van justitie het voegen van de verzochte stukken op grond van artikel 34, vierde lid, Sv weigert is een machtiging van de rechter-commissaris vereist. De rechter-commissaris heeft het standpunt van de officier van justitie (bij brief van 2 juli 2019), inhoudende dat zij zich verzet tegen toewijzing van deze verzoeken, opgevat als een (impliciete) vordering aan de rechter-commissaris tot het afgeven van een dergelijke machtiging. De rechter-commissaris heeft deze (impliciete) vordering van de officier van justitie toegewezen en een machtiging tot het weigeren van het voegen van de verzochte stukken afgegeven. Naar het oordeel van de rechter-commissaris voldoet de algemene onderbouwing van het verzoek niet aan het wettelijke vereiste dat het verzoek met redenen omkleed is. Tegen deze achtergrond heeft de officier van justitie op goede gronden kunnen oordelen dat deze stukken niet als processtukken kunnen worden aangemerkt, aldus de rechter-commissaris.

De procedure in raadkamer

De rechtbank heeft het bezwaarschrift op 17 september 2019 in raadkamer behandeld.

De verdachte was niet aanwezig; hij heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Namens de verdachte is zijn raadsvrouw mr. B.G.M.C. Peters gehoord. Tevens is de officier van justitie mr. F.A. Kuipers gehoord.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechter-commissaris onbegrijpelijk is, omdat de resultaten van het gewenste onderzoek in belangrijke mate kunnen bijdragen aan enig in de zaak te nemen beslissing. De omstandigheid dat de verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept, impliceert niet dat hij geen recht heeft op nader onderzoek. De verdediging twijfelt aan de verrichte onderzoeken, is het niet eens met de onderzoeksresultaten en acht het dossier onvolledig.

Contra-expertise (2)

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het rapport Forensisch DNA-Onderzoek van 25 maart 2019 onvoldoende betrouwbaar is, omdat de bevindingen te algemeen zijn en de conclusies onvoldoende toetsbaar en onvoldoende onderbouwd. Ook een door haar ingeschakelde forensisch deskundige vindt het rapport te summier om er iets inhoudelijks en kritisch over te kunnen zeggen, aldus de raadsvrouw. De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de verdachte ontkent contact te hebben gehad met de onderzochte voorwerpen. Doordat sprake is van complexe sporen kunnen deze niet vergeleken worden met het opgeslagen materiaal in de reguliere databank. Er is sprake van een handmatige vergelijking, maar in het rapport is niet vermeld op welke wijze deze handmatige vergelijkingsprocedure is geschied. Bij een dergelijke procedure is voorts sprake van een subjectieve component van de onderzoeker bij zijn analyse. Er is reden te twijfelen aan de subjectieve conclusies van de onderzoeker. De vergelijkingen van de sporen leveren bovendien een verschillend resultaat op bij de beantwoording van de vraag hoe groot de waarschijnlijkheid is tussen de beide hypothesen. De conclusies van een contra-expertise kunnen in ontlastende zin bijdragen aan enig in de zaak te nemen beslissing.

Toevoegen stukken DNA-onderzoek en historische verkeersgegevens (3 en 4)

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, ook als het gaat om een artikel 34 Sv- procedure, de verdachte ontvankelijk is in het bezwaar, omdat de rechter-commissaris een beslissing op het verzoek heeft genomen in het kader van een artikel 182 Sv-procedure. Op een dergelijke beslissing van de rechter-commissaris staat een rechtsmiddel bij de raadkamer van de rechtbank open, aldus de raadsvrouw. De raadsvrouw meent bovendien dat de rechter-commissaris bevoegd is om stukken aan het dossier toe te voegen.

Inhoudelijk heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verzochte stukken in belastende en ontlastende zin kunnen bijdragen aan enig in de zaak te nemen beslissing.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Contra-expertise (2)

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaarschrift, omdat het verzoek onvoldoende is onderbouwd.

Toevoegen stukken DNA-onderzoek en historische verkeersgegevens (3 en 4)

De officier van justitie heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het bezwaar, omdat de verdachte een bezwaarschrift ex artikel 32 Sv had moeten indienen. Subsidiair heeft de officier van justitie geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaarschrift, omdat het verzoek onvoldoende is onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank

Ontvankelijkheid van het bezwaar

Toevoegen stukken DNA onderzoek en historische verkeersgegevens (3 en 4)

Anders dan de raadsvrouw stelt, is bij de punten 3 en 4 geen sprake van verzoeken als bedoeld in artikel 182 Sv. Zij vraagt immers niet om onderzoekshandelingen te verrichten, maar om stukken aan het procesdossier toe te voegen.

Een verzoek om stukken aan het dossier toe te voegen, moet worden gebaseerd op artikel 34 Sv. Dit artikel kent aan de verdediging een algemene bevoegdheid toe tot het doen van een verzoek aan de officier van justitie tot voeging van nader door de verdediging aan te duiden stukken bij de processtukken. De verdachte moet zijn verzoek motiveren. De officier van justitie toetst het verzoek aan het relevantiecriterium. Er moet sprake zijn van processtukken ex artikel 149a Sv, zijnde stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissing redelijkerwijze van belang kunnen zijn. Om te weigeren de verzochte stukken te voegen, heeft de officier van justitie een machtiging van de rechter-commissaris nodig.

De rechter-commissaris heeft in deze zaak het schriftelijke standpunt van de officier van justitie opgevat als een vordering machtiging in de zin van artikel 34, vierde lid, Sv en heeft deze machtiging verleend. De rechtbank kan zich vinden in deze pragmatische werkwijze van de rechter-commissaris, waarmee hij de verdachte in wezen tegemoet is gekomen. De rechter-commissaris had het verzoek van de verdachte immers ook niet-ontvankelijk kunnen verklaren, omdat het verzoek gericht was aan het verkeerde adres.

Er is aldus sprake van een machtiging, verleend door de rechter-commissaris aan de officier van justitie, om te weigeren de gevraagde stukken aan het procesdossier toe te voegen. Tegen deze beslissing van de rechter-commissaris staat voor de verdachte geen rechtsmiddel open, gelet op het bepaalde in artikel 149b Sv in combinatie met de artikelen 445 en 446 Sv. Het rechtsmiddel staat alleen open voor de officier van justitie tegen de afwijzende beslissing van de rechter-commissaris. De verdachte kan tijdens het onderzoek ter terechtzitting de zittingsrechter verzoeken de stukken alsnog toe te voegen aan het dossier.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in zijn bezwaar.

Inhoudelijke beoordeling

Contra-expertise (2)

De rechtbank is van oordeel dat de rechter-commissaris bij de beoordeling van het verzoek de juiste maatstaf heeft aangelegd. Ook in raadkamer heeft de raadsvrouw het verzoek niet onderbouwd, waarbij in het bijzonder geldt dat zij geen schriftelijke toelichting van de door haar ingeschakelde forensisch deskundige heeft overgelegd, waaruit zou moeten blijken dat het rapport Forensisch DNA-Onderzoek van 25 maart 2019 onbetrouwbaar en onvoldoende toetsbaar is. De rechtbank zal het bezwaarschrift daarom ongegrond verklaren.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn bezwaar, voor zover dit betrekking heeft op het verzoek de stukken die ten grondslag liggen aan de DNA-rapportage van 25 maart 2019 aan het dossier te voegen (3), alsmede op het verzoek de volledige historische verkeersgegevens en uitdraaien van een aantal telefoonnummers aan het dossier te voegen (4);

- verklaart het bezwaarschrift ongegrond, voor zover dit betrekking heeft op het verzoek een expert te benoemen voor het uitvoeren van een contra-expertise van het rapport Forensisch DNA-Onderzoek van 25 maart 2019 (2).

Aldus beslist te Den Haag door:

mr. H.P.M. Meskers, voorzitter,

mr. N.S.M. Lubbe, rechter,

mr. C.W.M. Giesen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R. Moese, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2019.

Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter en de griffier.