Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10411

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-10-2019
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
C/09/562452 / FA RK 18-7938
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen; vrouw niet-ontvankelijk in verzoek partneralimentatie; behoefte niet gesteld; huwelijkse voorwaarden - geen misbruik van omstandigheden of dwaling; geen vernieitiging huwelijkse voorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 18-7938 (scheiding) / FA RK 19-2587 (verdeling)

Zaaknummer: C/09/562452 (scheiding) / C/09/571375 (verdeling)

Datum beschikking: 4 oktober 2019

Scheiding

Beschikking op het op 23 oktober 2018 ingekomen verzoek van:

[Y]

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. J.K.S. Verhoek te Bleiswijk, gemeente Lansingerland.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[X] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. N. Köse-Albayrak te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    de brief van 19 november 2018, met bijlagen, van de zijde van de man;

  • -

    het verweerschrift, tevens verzoekschrift;

- het verweer tegen de zelfstandige verzoeken;

- de brief van 9 april 2019, met bijlage, van de zijde van de man;

- de brief van 23 augustus 2019, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- de brief van 23 augustus 2019, met bijlage, van de zijde van de man.

Op 6 september 2019 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de vrouw, vergezeld van de tolk mevrouw [naam tolk] en bijgestaan door haar advocaat.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot echtscheiding, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de man tot echtscheiding.

De vrouw heeft zelfstandig verzocht:

de echtscheiding uit te spreken;

te verklaren voor recht dat de tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden middels de buitengerechtelijke verklaring van [datum 1] 2019 zijn vernietigd, zo nodig deze alsnog te vernietigen, in ieder geval buiten beschouwing te laten en de man te bevelen openheid van zaken over zijn inkomens-/vermogenssituatie te geven ten behoeve van een nog toe te passen redelijke verdeling;

de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.500,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, zulks met ingang van datum aanvraag echtscheiding, derhalve vanaf 19 november 2018, totdat door de man openheid van zaken is gegeven over zijn inkomens-/vermogenssituatie en nader is bepaald welk bedrag aan partneralimentatie aan de vrouw toekomt;

in ieder geval artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden (partieel) te vernietigen voor zover de gevolgen van dit artikel ingaan bij overlijden en deze van toepassing te verklaren ook bij echtscheiding;

te bepalen dat de vrouw de woning aan de [adres] te [woonplaats] blijvend om niet kan blijven gebruiken, in ieder geval totdat de rechtbank heeft geoordeeld over de verzoeken van de vrouw en (onherroepelijk) tussen partijen vast is komen te staan wat ieders positie in deze is;

de man te veroordelen in de kosten van deze procedure,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man heeft verweer gevoerd tegen de door de vrouw verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2011 te [huwelijksplaats] .

- De man en de vrouw hebben de Nederlandse nationaliteit. Ten tijde van de huwelijkssluiting was de vrouw Burger van Rusland.

- Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Echtscheiding

Beide partijen stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de daarop steunende, over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn.

Huwelijkse voorwaarden

Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. In de huwelijkse voorwaarden is – voor zover thans van belang – opgenomen dat elke gemeenschap van goederen is uitgesloten en dat in geval van echtscheiding tussen partijen geen enkele verrekening zal plaatshebben.

Verzoek onder II

De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek onder meer gesteld dat de huwelijkse voorwaarden op [datum 1] 2019 buitengerechtelijk zijn vernietigd, nu deze tot stand zijn gekomen onder dwaling danwel misbruik van omstandigheden. De man heeft de vrouw niet op juiste wijze geïnformeerd over de gevolgen van ondertekening van deze voorwaarden. De man wist dat de vrouw de Nederlandse taal niet machtig was, zij net Nederland was ingereisd, zij het systeem van de huwelijkse voorwaarden niet kende en zij derhalve niet wist waar zij voor tekende. De vrouw verkeerde in de veronderstelling dat zij tekende voor documenten die benodigd waren voor het voorgenomen huwelijk. Dit is uitdrukkelijk door de man gezegd. Bij de notaris is zelfs herhaald dat het om documenten voor het huwelijk ging en dat de vrouw de man moest vertrouwen. De vrouw heeft alvorens naar Nederland af te reizen om het huwelijk met de man aan te gaan slechts één keer van de man mogen vernemen dat hij huwelijkse voorwaarden wilde doen opstellen, waarop de vrouw uitdrukkelijk en expliciet heeft aangegeven dat als dit het voornemen van de man is zij niet naar Nederland zal afreizen en geen huwelijk met de man zal aangaan. De vrouw heeft expliciet en uitdrukkelijk bezwaren geuit. De man heeft aangegeven toch in het huwelijk te willen treden en afstand van genoemd voornemen te doen en heeft met de vrouw nooit meer gesproken over huwelijkse voorwaarden. De vrouw wist niet beter of zij trad in het huwelijk met de man op grond van gemeenschap van goederen en zij is steeds in die veronderstelling geweest dat dit aan de orde was, nog belangrijker, de man heeft de vrouw steeds voorgehouden dat zij in gemeenschap van goederen een huwelijk aangingen.

De man heeft de stellingen van de vrouw betwist. De man heeft onder meer gesteld dat de advocaat van de man de advocaat van de vrouw per e-mail (productie 3) direct te kennen heeft gegeven dat de man niet berust in een vernietiging van de huwelijkse voorwaarden. Het is onjuist dat de vrouw niet op de hoogte was van de huwelijkse voorwaarden en niet zou hebben geweten waar zij voor tekende. De vrouw geeft zelf aan dat zij van de man had vernomen dat hij huwelijkse voorwaarden wilde. De man was ervan op de hoogte dat er risico’s kleefden aan het starten van een relatie met een veel jongere vrouw uit Rusland. Als de vrouw niet had willen instemmen met huwelijkse voorwaarden dan was de man nooit met haar gehuwd. De vrouw had hier alle begrip voor. Zij heeft zelfs aangegeven dat zij niet afhankelijk wilde zijn van de man en van plan was snel Nederlands te leren en werk te zoeken. Twee dagen voor het huwelijk heeft de man de huwelijkse voorwaarden al aan de vrouw gemaild (productie 4). De vrouw kon de akte (laten) vertalen in het Russisch en/of Engels via Google Translate en eventuele vragen bij de notaris stellen. Dit is dan ook gebeurd. De notaris heeft alle vragen beantwoord waarna partijen de akte hebben getekend. De notaris verklaart dit in de door de man overgelegde e-mail (productie 5). De vrouw was dus zeer goed op de hoogte van de inhoud van de huwelijkse voorwaarden. Er is daarom geen grond voor (buitengerechtelijke) vernietiging.

De rechtbank stelt voorop dat van een buitengerechtelijke vernietiging van de huwelijkse voorwaarden geen sprake is, nu de man direct aan de vrouw heeft laten weten hier niet in te berusten. Dat betekent dat de rechtbank de door de vrouw verzochte vernietiging zal beoordelen. Een beroep op vernietiging van de huwelijkse voorwaarden is mogelijk op grond van een wilsgebrek als bedoeld in artikel 6:228 BW (dwaling) en artikel 3:44 BW (bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden). De bewijslast dat daarvan sprake is rust op de vrouw. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw, in het licht van de uitvoerig met stukken onderbouwde en gemotiveerde betwisting door de man, volstrekt onvoldoende heeft onderbouwd dat bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden sprake is geweest van dwaling of misbruik van omstandigheden, zoals de vrouw heeft gesteld. Niet gebleken is dat de vrouw niet wist dat de man wilde huwen onder het maken van huwelijkse voorwaarden. De rechtbank wijst in dat kader op de door de vrouw overgelegde mailwisseling van 4 mei 2011, waarin zij onder meer aan de man schrijft: “(…)[Y] , if you wish that our relationship base on the trust and love why you are going protect your property and make paper that after devorce I receive nothing from your property???!(…)” Hieruit blijkt duidelijk dat partijen met elkaar hebben gesproken over de vermogensrechtelijke gevolgen in het geval partijen uit elkaar zouden gaan. Voorts blijkt uit de door de man overgelegde e-mail van 11 maart 2019 van de bij de huwelijkse voorwaarden betrokken notaris, dat die het Nederlandse systeem van gemeenschap van goederen en huwelijkse voorwaarden zeer expliciet en uitgebreid aan partijen - aan de vrouw in het Engels - heeft uitgelegd. Volgens de notaris begreep de vrouw dit ook. Het beroep van de vrouw op onvoldoende kennis van de Nederlandse taal faalt, nu de vrouw kennelijk in de Engelse taal uitleg is gegeven en de rechtbank evenmin gebleken is dat de vrouw de Engelse taal niet of onvoldoende machtig was. Daar komt bij dat de rechtbank van oordeel is dat op de vrouw bovendien een eigen onderzoeksplicht rust. Als de vrouw destijds meer of preciezer wilde weten wat er in de te passeren akte stond vermeld, had het op haar weg gelegen daarnaar te informeren. Evenmin is aangetoond dat de man de vrouw willens en wetens verkeerde inlichtingen heeft verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat de man niet kan worden tegengeworpen dat hij tegen de vrouw gezegd zou hebben dat het allemaal goed was en dat de vrouw hem moest vertrouwen. Het feit dat het voor de vrouw een hectische dag was omdat op dezelfde dag de huwelijkssluiting was waardoor zij, zo begrijpt de rechtbank de stelling van de vrouw, mogelijk onoplettend was, maakt het voorgaande niet anders. Het beroep van de vrouw op dwaling danwel misbruik van omstandigheden slaagt dan ook niet. De rechtbank gaat er dus van uit dat de huwelijkse voorwaarden tussen partijen op geldige wijze tot stand zijn gekomen en dat deze van toepassing zijn. Het onderhavige verzoek van de vrouw zal daarom worden afgewezen.

Het verzoek onder IV

De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek onder meer gesteld dat de bescherming in geval van overlijden van de man zoals opgenomen in artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden ook zou moeten gelden bij scheiding. Volgens de vrouw heeft de man zich misdragen en zou onder normale omstandigheden en indien de man zich zou hebben gedragen conform hetgeen op grond van de wet en het maatschappelijke verkeer als deugdelijk, integer en schappelijk wordt aangemerkt, het huwelijk hebben voortgeduurd.

De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw, stellende dat een rechtsgrond voor het verzoek van de vrouw ontbreekt.

Met de man is de rechtbank van oordeel dat een rechtsgrond voor het verzoek van de vrouw ontbreekt. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. Dat de vrouw de uitkomst daarvan niet redelijk en billijk acht, leidt niet tot een ander oordeel.

Alimentatie

De vrouw heeft de rechtbank verzocht ten behoeve van haar levensonderhoud partneralimentatie vast te stellen van € 2.500,-- per maand.

De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw. De man heeft primair gesteld dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek, subsidiair dat het verzoek moet worden afgewezen omdat partijen in 2013 al een overeenkomst hebben gesloten waarin de vrouw afziet van partneralimentatie en meer subsidiair dat het verzoek moet worden afgewezen omdat de vrouw haar behoefte niet heeft onderbouwd en nog meer subsidiair dat de man geen draagkracht heeft.

Op grond van artikel 1:157 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter bij echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen.

Nu de vrouw in het geheel niets heeft gesteld over haar mogelijk huwelijksgerelateerde behoefte aan partneralimentatie, slaagt het primaire verweer van de man en zal de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.

Voortgezet gebruik echtelijke woning

Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat zij de woning aan de [adres] te [woonplaats] blijvend om niet kan blijven gebruiken, in ieder geval totdat de rechtbank heeft geoordeeld over de verzoeken van de vrouw en (onherroepelijk) tussen partijen vast is komen te staan wat ieders positie in deze is, vindt geen steun in de wet.

Ter zitting heeft de man te kennen gegeven dat hij geen bezwaar heeft tegen het voortgezet gebruik van de echtelijke woning door de vrouw voor de duur van zes maanden.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw begrijpen als een verzoek tot het voortgezet gebruik van voormelde woning als bedoeld in artikel 1:165 BW en dit verzoek als zodanig toewijzen. Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.

Proceskosten

De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen in de proceskosten. In procedures van familierechtelijke aard is het gebruikelijk de proceskosten te compenseren. De rechtbank ziet in deze procedure geen aanleiding hiervan af te wijken. De rechtbank zal daarom de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [huwelijksplaats] op [huwelijksdatum] 2011;

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot vaststelling van partneralimentatie;

bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de woning te [woonplaats] [adres] en het gebruik van de zaken, die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, mits deze woning op het ogenblik van die inschrijving door de vrouw wordt bewoond en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.S. Vonck, K.M. Braun en M.J.C. Dijkstra, rechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 oktober 2019.