Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10407

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
09-10-2019
Zaaknummer
C/09/577348 / HA ZA 19-776
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident en incident schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad verstekvonnis in verzetprocedure. Bevoegdheid ogv 125 lid 5 UMVo beperkt tot Nederland tussen 2 partijen. In zoverre wordt uitvoerbaarheid bij voorraad geschorst. Geen zekerheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/577348 / HA ZA 19-776

Vonnis in incident in verzet van 25 september 2019

in de zaak van

1. de vennootschap naar vreemd recht

HANGZHOU HIKVISION DIGITAL TECHNOLOGY CO. LTD.,

te Hangzhou, China,

2. HIKVISION EUROPE B.V.,

te Hoofddorp,

eiseressen in de hoofdzaak,

gedaagden in het verzet,

verweersters in het bevoegdheidsincident,

verweersters in het incident houdende voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv, althans zekerheidstelling,

advocaat mr. P.L. Reeskamp te Amsterdam.

tegen

1. de vennootschap naar vreemd recht

LIGHT IN THE BOX LIMITED (HONG KONG),

te Hong Kong, China,

2. de vennootschap naar vreemd recht

LIGHT IN THE BOX LIMITED (UK),

te Londen, Verenigd Koninkrijk,

3. LITB NETHERLANDS B.V.,

te Amsterdam-Duivendrecht,

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het verzet,

eiseressen in het bevoegdheidsincident,

eiseressen in het incident houdende voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv1, althans zekerheidstelling,

advocaat mr. N.A. Winthagen te Amsterdam,

Eiseressen in de hoofdzaak, gedaagden in het verzet en verweersters in de incidenten zullen hierna gezamenlijk Hikvision c.s. (enkelvoud) genoemd worden en afzonderlijk Hikvision China en Hikvision Europe. De zaak wordt voor hen inhoudelijk behandeld door mr. Reeskamp voornoemd en mr. A.M. van der Wal, advocaat te Amsterdam. Gedaagden in de hoofdzaak, eiseressen in het verzet en in de incidenten zullen hierna gezamenlijk LITB c.s. (enkelvoud) genoemd worden en afzonderlijk LITB HK, LITB UK en LITB NL. De zaak wordt voor hen inhoudelijk behandeld door mr. Winthagen voornoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de verzetdagvaarding van 8 juli 2019, tevens houdende de vordering in het incident houdende exceptie pan-Europese bevoegdheid en de vordering in het incident houdende voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv, althans zekerheidstelling, van de zijde van LITB c.s., met productie 1 tot en met 14, waarbij LITB c.s. in verzet is gekomen tegen het verstekvonnis van deze rechtbank van 23 januari 2019;

  • -

    de conclusie van antwoord in incident, met producties 16 tot en met 21.

1.2.

Vonnis in het incident is bepaald op heden.

2 Het geschil in de hoofdzaak

2.1.

Hikvision c.s. heeft de procedure waarvan verzet jegens LITB c.s. ingesteld. In deze procedure heeft zij - samengevat - gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, voor recht zal verklaren dat LITB c.s. inbreuk heeft gemaakt op de Hikvision c.s. toekomende merkrechten / merklicentierechten en zij heeft een inbreukverbod in de Europese Unie gevorderd, met nevenvorderingen (opgave, schadevergoeding en winstafdracht) en versterkt met een dwangsom, inclusief een volledige proceskostenveroordeling.

2.2.

Bij verstekvonnis van 23 januari 2019 onder zaaknummer / rolnummer C/09/562446 / HA ZA 18-1117 (hierna: het verstekvonnis) is - verkort weergegeven - de gevorderde verklaring voor recht toegewezen. In de procedure tussen Hikvision Europe en LITB NL en LITB HK zijn de laatstgenoemden bevolen iedere inbreuk in de Europese Unie op het Hikvision-merk te staken, onder verbeurte van een dwangsom. In de procedure tussen Hikvision c.s. en LITB UK is laatstgenoemde bevolen om iedere inbreuk in Nederland op het Hikvision-merk te staken, onder verbeurte van een dwangsom. In de procedure tussen Hikvision c.s. en LITB c.s. voorts is LITB c.s. veroordeeld tot het doen van een opgave van inkoop-, en verkoop- en winstgegevens met betrekking tot de inbreuk, onder verbeurte van een dwangsom, en tot afdracht van de behaalde winst met de verkoop van de Inbreukmakende Hikvision-producten en/of tot vergoeding van de door Hikvision c.s. geleden schade, nader op te maken bij staat, en tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Hikvision c.s. tot op de dag van de uitspraak begroot op in totaal € 11.006,44.

2.3.

LITB c.s. vordert in het verzet in de hoofdzaak - samengevat - dat het verstekvonnis zal worden vernietigd, althans dat LITB c.s. zal worden ontheven van de veroordelingen tegen haar uitgesproken, en dat Hikvision c.s. in haar vorderingen niet ontvankelijk wordt verklaard, althans dat vorderingen alsnog worden afgewezen, met hoofdelijke veroordeling van Hikvision c.s. in de volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv.

2.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 Het geschil in het bevoegdheidsincident

3.1.

LITB c.s. vordert dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren kennis te nemen van de vorderingen die Hikvision c.s. in haar inleidende dagvaarding, die geleid heeft tot het verstekvonnis, jegens LITB HK heeft ingesteld, voor zover die zijn gegrond op de Uniemerken van Hikvision China en deze vorderingen zien op het grondgebied buiten Nederland, althans dat de rechtbank Hikvision c.s. te dien aanzien niet-ontvankelijk zal verklaren dan wel haar deze vorderingen zal ontzeggen, met hoofdelijke veroordeling van Hikvision c.s. in de volledige proceskosten van dit incident ex artikel 1019h Rv.

3.2.

LITB c.s. stelt daartoe - zakelijk weergegeven - dat grensoverschrijdende bevoegdheid voor de vorderingen van Hikvision China ten aanzien van LITB HK niet kan worden gebaseerd op artikel 125 lid 1 UMVo2, omdat LITB HK als gedaagde niet in de Europese Unie is gevestigd en LITB NL niet kwalificeert als “vestiging” van LITB HK in de zin van de UMVo. LITB NL houdt geen kantoor, heeft geen werknemers en ontplooit geen enkele activiteit.

Daarnaast betwist LITB c.s. dat grensoverschrijdende bevoegdheid voor de vorderingen van Hikvision China jegens LITB HK kan worden aangenomen op basis van artikel 125 lid 2 UMVo. Zij betwist bij gebrek aan wetenschap dat Hikvision Europe als “vestiging” van Hikvision China kwalificeert in de zin van de jurisprudentie van het HvJ EU3 ter zake.

Met betrekking tot de vorderingen van Hikvision Europe jegens LITB HK betwist LITB c.s. eveneens dat grensoverschrijdende bevoegdheid bestaat. Zij betoogt hiertoe dat de Nederlandse rechter pleegt aan te nemen dat vorderingen die een licentienemer samen met de merkhouder instelt, met instemming van die merkhouder worden ingesteld, maar daarnaast zal de licentienemer moeten stellen welk eigen belang hij heeft bij een grensoverschrijdend verbod of rekening en verantwoording. Een dergelijk belang heeft Hikvision Europe niet gesteld.

3.3.

Hikvision c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in het incident houdende voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv, althans zekerheidstelling

4.1.

LITB c.s. vordert, samengevat, dat de rechtbank

- primair Hikvision c.s. zal verbieden het verstekvonnis hangende het verzet ten uitvoer te doen leggen en Hikvision c.s. zal gebieden de eventueel aangevangen executie te staken en gestaakt te houden, op verbeurte van een dwangsom;

- subsidiair dat de rechtbank aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het verstekvonnis haar werking zal ontnemen;

- meer subsidiair dat Hikvision c.s. het verstekvonnis hangende het verzet uitsluitend ten uitvoer mag doen leggen indien door haar zekerheid wordt gesteld;

en Hikvision c.s. hoofdelijk zal veroordelen in de volledige proceskosten van dit incident ex artikel 1019h Rv.

4.2.

Aan haar primaire en subsidiaire vordering legt LITB c.s. ten grondslag - zakelijk weergegeven - dat de vorderingen van Hikvision c.s. in het verstekvonnis, gezien de door LITB c.s. thans aangevoerde verweren bij verzetdagvaarding, ten onrechte door de rechtbank zijn toegewezen. Hikvision c.s. heeft de executie van het verstekvonnis in gang gezet door betekening van het vonnis. Als achteraf door de rechtbank wordt vastgesteld dat de vorderingen van Hikvision c.s. niet toewijsbaar zijn, is Hikvision c.s. onrechtmatig tot executie overgegaan. Mede in verband met de aanzienlijke hoogte van de mogelijk door LITB c.s. te verbeuren dwangsommen is er sprake van een aanzienlijk restitutierisico, aangezien het voor LITB c.s. lastig zal blijken te zijn haar schade bij Hikvision China feitelijk te verhalen.

4.3.

Ter onderbouwing van haar meer subsidiaire vordering stelt LITB c.s. dat het, in verband met het restitutierisico, aangewezen is dat Hikvision c.s. zekerheid stelt ter hoogte van het bedrag waaraan LITB c.s. ten gevolge van de onrechtmatige executie maximaal blootstaat.

4.4.

Hikvision c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in de incidenten en in de hoofdzaak

Ontvankelijkheid LITB NL

5.1.

In haar conclusie van antwoord in de incidenten betoogt Hikvision c.s. dat LITB NL niet ontvankelijk is in haar incidentele en principale vorderingen omdat de verzettermijn voor LITB NL al was verstreken op het moment dat de verzetdagvaarding werd uitgebracht. Volgens Hikvision c.s. is het verstekvonnis op 8 maart 2019 aan LITB NL betekend zodat zij vóór 5 april 2019 in verzet diende te komen.

5.2.

De rechtbank constateert dat LITB c.s. nog niet in de gelegenheid is geweest op dit betoog van Hikvision c.s. te reageren. Daarvoor zal zij ter comparitie alsnog de gelegenheid krijgen waarna definitief op dit geschilpunt zal worden beslist.

5.3.

Vooralsnog gaat de rechtbank voorbij aan het betoog van Hikvision c.s. nu uit het betekeningsexploot (overgelegd als productie 16 bij de conclusie van antwoord in de incidenten) blijkt dat het exploot door de deurwaarder in een gesloten envelop is achtergelaten op het in de inleidende dagvaarding met betrekking tot LITB NL genoemde adres. Daarmee is voorshands niet aan het vereiste van artikel 143 lid 2 Rv voldaan dat de betekening van het verstekvonnis moet zijn geschied aan gedaagde in persoon.4 Dat betekent dat (thans) niet kan worden aangenomen dat de verzettermijn door de betekening op 8 maart 2019 is aangevangen. Daarmee heeft LITB NL belang bij een beslissing op het mede door haar opgeworpen incident ex 223 Rv en is zij voor wat betreft dat incident ontvankelijk. De vraag of LITB NL ontvankelijk is in het verzet speelt overigens geen rol bij het bevoegdheidsincident dat alleen door LITB HK is opgeworpen en evenmin in het incident ex 223 Rv, althans zekerheidstelling, voor zover dat is opgeworpen door LITB HK en LITB UK.

6 De beoordeling in het bevoegdheidsincident

Grensoverschrijdende bevoegdheid voor de vorderingen van Hikvision China jegens LITB HK

6.1.

De rechtbank constateert dat in het verstekvonnis de grensoverschrijdende bevoegdheid voor de vorderingen van Hikvision China jegens LITB HK is gebaseerd op (artikel 123 lid 1 jo 124 sub a en) 125 lid 2 UMVo. De rechtbank ziet daarin aanleiding om eerst de betwisting van LITB c.s. met betrekking tot de grensoverschrijdende bevoegdheid op basis van artikel 125 lid 2 UMVo te beoordelen. LITB HK bestrijdt dat Hikvision China, vanwege de vestiging in Nederland van Hikvision Europe, een werkelijke en stabiele aanwezigheid heeft in Nederland van waaruit een bedrijfsactiviteit wordt verricht in de zin van het Hummel / Nike arrest van het HvJ EU5. Hikvision China heeft in het bevoegdheidsincident tegen dit betoog geen verweer gevoerd, terwijl artikel 125 lid 2 UMVo ambtshalve door de rechtbank in het verstekvonnis is toegepast. Gelet op dit een en ander slaagt dit verweer van LITB HK en kan de grensoverschrijdende bevoegdheid van deze rechtbank met betrekking tot de vorderingen van Hikvision China jegens LITB HK niet op artikel 125 lid 2 UMVo worden gebaseerd.

6.2.

LITB HK betoogt voorts dat de grensoverschrijdende bevoegdheid niet kan worden gebaseerd op artikel 125 lid 1 UMVo, omdat zij zelf geen werkelijke en stabiele aanwezigheid heeft in Nederland van waaruit een bedrijfsactiviteit wordt verricht in de zin van voornoemd Hummel / Nike arrest. Zij wijst er op dat LITB NL geen kantoor houdt in Nederland, geen activiteiten verricht en geen werknemers heeft. Hikvision c.s. bestrijdt dat, waarbij zij wijst op de handelsregisterinschrijving van LITB NL, waarin een kantooradres van LITB NL is vermeld. Hikvision c.s. wijst daarnaast op een jaarverslag van LITB HK aan de Amerikaanse SEC, waarin is vermeld dat LITB NL een ‘wholly owned subsidiary’ is die ‘primarily engages in marketing in Europe’ als haar ‘representative office’ en die blijkens datzelfde jaarverslag aangeslagen wordt voor vennootschapsbelasting (‘profits tax’) in Nederland.

6.3.

De rechtbank acht die uitingen onvoldoende om te kunnen spreken van een werkelijke en stabiele aanwezigheid in Nederland. Daarvoor is nodig dat er sprake is van een eigen directie, materiële uitrusting en werknemers. Een zodanige vestiging van LITB HK in Nederland kan niet worden afgeleid uit enkel een kantooradres in de inschrijving in het handelsregister en een paar verklaringen tegenover de Amerikaanse SEC, zonder dat de (door Hikvision c.s. gestelde) vestiging door een verdere onderbouwing wordt ondersteund. De rechtbank kan derhalve ook geen grensoverschrijdende bevoegdheid aannemen op grond van 125 lid 1 UMVo in de procedure tussen Hikvision China en LITB HK.

6.4.

Daarmee slaagt het bevoegdheidsincident in zoverre, dat de bevoegdheid van deze rechtbank in de procedure tussen Hikvision China en LITB HK op grond van artikel 125 lid 5 jo. 126 lid 2 UMVo is beperkt tot Nederland. De in dit incident gevorderde verklaring is derhalve toewijsbaar op de wijze als vermeld in het dictum. Voor zover de vorderingen van Hikvision China in de hoofdzaak grensoverschrijdend zijn, liggen zij derhalve voor afwijzing gereed.

Grensoverschrijdende bevoegdheid voor de vorderingen van Hikvision Europe jegens LITB HK

6.5.

Met betrekking tot de betwisting van LITB c.s. dat Hikvision Europe voldoende belang heeft bij haar grensoverschrijdende vorderingen jegens LITB HK, constateert de rechtbank dat dit geen bevoegdheidsverweer is maar een materieel verweer dat aan de orde dient te komen in de hoofdzaak.

6.6.

Het voorgaande betekent dat dit onderdeel van het bevoegdheidsincident zal worden afgewezen.

Proceskosten

6.7.

De rechtbank zal de beslissing over de proceskosten in het incident aanhouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak.

7. De beoordeling in het incident houdende voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv, althans zekerheidstelling

Primair: schorsing executie voor de duur van de verzetprocedure

7.1.

De rechtbank heeft het verstekvonnis van 23 januari 2019 waarin LITB c.s. is veroordeeld tot - samengevat - het staken van merkinbreuk met nevenvorderingen, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Ingevolge artikel 145 Rv schorst het door LITB c.s. ingestelde verzet de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard verstekvonnis niet. In de wet ontbreekt een uitdrukkelijke bepaling op grond waarvan de rechtbank bevoegd is de schorsende werking van het verzet te herstellen (artikel 351 Rv geldt niet in de verzetprocedure). Het staat een partij - in beginsel - wel vrij om in kort geding te trachten de schorsing of staking van de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis te verkrijgen. Nu LITB c.s. de vordering als voorlopige voorziening voor de duur van de verzetprocedure heeft voorgelegd, zal de rechtbank de incidentele vordering als een executiegeschil beoordelen.

7.2.

In het geval van een executiegeschil is het uitgangspunt bij de beoordeling de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de partij, wiens vorderingen bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis zijn toegewezen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat in een executiegeschil geen inhoudelijke bezwaren tegen de uitspraak kunnen worden aangevoerd, behoudens die welke nopen tot het oordeel dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Slechts indien Hikvision c.s. geen in redelijkheid te respecteren belang bij executie heeft, kan tenuitvoerlegging van het verstekvonnis verboden worden. Hiervan kan sprake zijn indien het te executeren vonnis op een juridische of feitelijke misslag berust of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten een noodtoestand doen ontstaan voor LITB c.s., waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet aanvaardbaar is.

7.3.

LITB c.s. heeft niet gesteld dat het verstekvonnis op een feitelijke of juridische misslag berust. LITB c.s. heeft evenmin feiten gesteld die na het verstekvonnis zijn voorgevallen of aan het licht gekomen die een noodtoestand voor haar doet ontstaan. Voor een algehele schorsing van de executie van het verstekvonnis is dan ook geen aanleiding.

7.4.

Voor de executie van het verstekvonnis door Hikvision China jegens LITB HK dient echter een uitzondering te worden gemaakt. In het bevoegdheidsincident is voor deze instantie definitief beslist dat deze rechtbank slechts bevoegdheid toekomt ten aanzien van inbreukmakende handelingen van LITB HK in Nederland. Voor zover de vorderingen van Hikvision China jegens LITB HK grensoverschrijdend zijn, liggen zij voor afwijzing gereed. Onder deze omstandigheden mag Hikvision China in zoverre in redelijkheid geen gebruik maken van haar recht tot executie van het verstekvonnis. In die eindbeslissing ziet de rechtbank dan ook aanleiding de executie van het verstekvonnis te schorsen voor zover die betrekking heeft op het grensoverschrijdende deel van de veroordelingen van LITB HK jegens Hikvision China.

7.5.

Concreet betekent dat dat de executie van de in r.o. 3.4 van het verstekvonnis gegeven veroordeling in de procedure tussen Hikvision China en LITB HK, die ziet op handelingen door LITB HK in de Europese Unie waarvan in het verstekvonnis is geoordeeld dat die inbreuk maken, geschorst wordt voor zover het gaat om inbreuken op het grondgebied van andere lidstaten dan Nederland. Dezelfde beperking geldt voor de executie van de in r.o. 3.5 van het verstekvonnis gegeven veroordeling tot winstafdracht en/of schadevergoeding. In andere woorden: voor de duur van deze procedure wordt het recht op executie door Hikvision China van deze veroordelingen van LITB HK beperkt tot Nederland, op dezelfde wijze als dat in het verstekvonnis al voor LITB UK geldt. De executie van de veroordelingen door Hikvision Europe jegens LITB HK wordt echter niet geschorst.

Subsidiair: aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het verstekvonnis voor de duur van de verzetprocedure haar werking ontnemen

7.6.

Voor zover de primaire vordering niet wordt toegewezen, komt de rechtbank toe aan het subsidiair gevorderde. Het is de rechtbank - met Hikvision c.s. - niet duidelijk op welke juridische grondslag LITB c.s. haar subsidiaire vordering baseert. De rechtbank constateert dat als deze vordering zou worden toegewezen, dat feitelijk hetzelfde effect heeft als het schorsen van de executie van het verstekvonnis. Zoals in r.o. 7.1 tot en met 7.3 al is overwogen, ligt een dergelijke vordering voor afwijzing gereed.

Meer subsidiair: zekerheidstelling

7.7.

De door LITB c.s. gevorderde zekerheidstelling van Hikvision c.s. tot het bedrag waaraan LITB c.s. ten gevolge van de executie door Hikvision c.s. blootstaat, is een vordering gegrond op artikel 235 Rv.

7.8.

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van deze vordering in het incident de volgende maatstaven in acht genomen moeten worden.6

  • -

    i) LITB c.s. moet belang hebben bij de door haar gevorderde zekerheidstelling.

  • -

    ii) Bij de beoordeling moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij zullen mede de gevolgen moeten worden betrokken die de voorwaarde van zekerheidstelling heeft voor Hikvision c.s., die de veroordeling verkreeg.

  • -

    iii) Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van het gewezen verstekvonnis en blijft de kans van slagen van het verzet in beginsel buiten beschouwing.

7.9.

LITB c.s. heeft in het kader van dit incident enkel gesteld dat, in het geval de rechtbank in de onderhavige verzetzaak zou oordelen dat de vorderingen van Hikvision c.s. niet toewijsbaar zijn, zij met een aanzienlijk restitutierisico geconfronteerd wordt, omdat het voor haar bijzonder lastig zal blijken haar schade (vanwege onrechtmatige executie) bij Hikvision China te verhalen. Volgens LITB c.s. is het een feit van algemene bekendheid dat het recht van China op het vasteland met aanzienlijk minder waarborgen is omkleed dan het onafhankelijke rechtssysteem in Hongkong.

7.10.

Hikvision c.s. betwist dat het een feit van algemene bekendheid is dat het recht van China op het vasteland met aanzienlijk minder waarborgen is omkleed dan in het onafhankelijke rechtssysteem van Hong Kong. Dat verweer slaagt. In zijn algemeenheid kan al niet gezegd worden dat de gestelde afwezigheid van voldoende waarborgen in het rechtssysteem van China een feit van algemene bekendheid in de zin van artikel 149 Rv is waarvoor LITB c.s. geen enkele nadere onderbouwing zou hoeven te geven, laat staan dat dat voor verhaalsmogelijkheden geldt. LITB c.s. heeft deze stelling echter in het geheel niet toegelicht.

7.11.

Het voorgaande betekent dat ook de meer subsidiaire vordering zal worden afgewezen.

Proceskosten

7.12.

De rechtbank zal de beslissing over de proceskosten in het incident aanhouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak.

8 Het vervolg van de procedure in de hoofdzaak

Bepaling comparitie van partijen

8.1.

De rechtbank zal een comparitie van partijen bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden (een schikking beproeven). De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de rol van 9 oktober 2019 voor opgave verhinderdata van alle partijen in de periode januari tot en met mei 2020.

Informatieverstrekking door partijen

8.2.

Op grond van het bepaalde in artikel 85 lid 3 jo artikel 21 Rv bestaat de mogelijkheid om vóór de comparitie stukken in het geding te brengen. Advocaten dienen deze stukken, zo nodig voorzien van een korte toelichting op de relevantie ervan, alsmede een gespecificeerde kostenopgave als kosten ex artikel 1019h Rv worden gevorderd, ingevolge artikel 2.9 Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken uiterlijk twee weken vóór de comparitiedatum, met gelijktijdige kopie aan de advocaat van de wederpartij, per brief te sturen aan: Paleis van Justitie, CNA-bureau kamer P2-1415, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. In de brief dienen de naam van de comparitierechter alsmede de datum en het tijdstip van de zitting te worden vermeld.

Een aanvulling van de kostenopgave ex artikel 1019h Rv (met overzicht van de kosten gemaakt sinds de kostenopgave) dient uiterlijk 24 uur vóór de zitting te worden ingediend, met gelijktijdige kopie aan de advocaat van de wederpartij.

Informatieverzoek van rechter

8.3.

De comparitierechter kan op de voet van artikel 22 Rv een partij verzoeken om op de zitting bepaalde stellingen toe te lichten of op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen dan wel een informant mee te nemen. In dat geval zullen advocaten een formulier ontvangen met nadere instructies.

Wijze van indiening stukken

8.4.

Alle (proces)stukken moeten voldoen aan de eisen voor het indienen van papieren processtukken en producties zoals opgenomen in de ‘Instructies voor het indienen van stukken in IE-zaken’, raadpleegbaar via de website van de rechtbank Den Haag van de Sectie Intellectuele Eigendom (IE) op www.rechtspraak.nl (https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken/Rechtbank-Den-Haag/Over-de-rechtbank/Rechtsgebieden-en-teams/Paginas/Intellectuele-Eigendom.aspx).

Digitale kopieën van stukken

8.5.

Tegelijk met het aanleveren van papieren processtukken en producties dienen deze tevens op een digitale drager te worden aangeleverd conform de ‘Instructies voor het indienen van stukken in IE-zaken’, hiervoor vermeld. Iedere partij levert voorts de reeds ingediende (proces)stukken op een digitale drager aan uiterlijk twee weken vóór de zitting.

Pleiten

8.6.

Advocaten kunnen op de comparitie een juridische toelichting geven maar géén pleitnota voordragen, tenzij de rechter dit van te voren heeft toegestaan. Een advocaat kan daartoe uiterlijk vier weken voorafgaand aan de comparitie een gemotiveerd schriftelijk verzoek bij het CNA-bureau indienen.

Verzoek om uitstel comparitie wegens verhindering

8.7.

Een uitstelverzoek wegens verhindering, overmacht, klemmende reden of lopende onderhandelingen over een schikking moet schriftelijk worden gedaan aan het CNA-bureau, en wel bij voorkeur per B-formulier (conform artikel 1.8 van het Landelijk procesreglement), met gelijktijdige kopie aan de advocaat van de wederpartij. In het verzoek dienen te worden vermeld: de naam van de comparitierechter, de datum en het tijdstip van de zitting, alsmede de verhinderdata voor de eerstkomende drie maanden na de comparitiedatum.

De rechtbank zal elk verzoek tot uitstel afwijzen dat niet binnen twee weken na een ambtshalve dagbepaling van de zitting is ontvangen (conform artikel 8.3 van het Landelijk procesreglement) of dat is ontvangen na een dagbepaling in overleg met partijen, tenzij sprake is van overmacht of klemmende reden en behoudens het bepaalde onder 8.8.

Verzoek om uitstel comparitie wegens schikkingsonderhandelingen

8.8.

Een verzoek om uitstel wegens lopende schikkingsonderhandelingen gedaan binnen twee weken voor de zitting, is in beginsel te laat. De comparitie zal gewoon doorgang vinden.

Een uitzondering op deze regel wordt (in ieder geval) gemaakt in het geval dat alle betrokken advocaten het CNA-bureau uiterlijk twee werkdagen vóór de comparitiedatum schriftelijk hebben bericht dat a) de zaak op eenstemmig verzoek moet worden verwezen naar een mediator of b) de procedure kan worden doorgehaald wegens een alsnog getroffen schikking.

In dat laatste geval kunt u de rechtbank verzoeken een door of namens alle partijen getekende en vóór de zitting ontvangen vaststellingsovereenkomst aan te hechten aan een in executoriale vorm opgemaakt proces-verbaal.

Indien de rechter een uitstel wegens lopende schikkingsonderhandelingen toestaat maar partijen zijn niet tot een regeling gekomen, dan zal bij de bepaling van een nieuwe zittingsdatum geen voorrang worden verleend boven andere zaken.

9 De beslissing

De rechtbank

in het bevoegdheidsincident

9.1.

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen van Hikvision China jegens LITB HK voor zover die vorderingen zijn gegrond op handelingen of dreigende handelingen in de zin van artikel 126 UMVo buiten Nederland,

9.2.

wijst het gevorderde in het bevoegdheidsincident tussen LITB HK en Hikvision Europe af,

9.3.

houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

in het incident houdende voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv, althans zekerheidstelling

9.4.

schorst de executie van het verstekvonnis door Hikvision China jegens LITB HK voor zover de veroordelingen van LITB HK zien op het grondgebied van de Europese Unie buiten Nederland, totdat in de hoofdzaak uitspraak is gedaan,

9.5.

wijst het gevorderde overigens af,

9.6.

houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

in de hoofdzaak

9.7.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op een nader te bepalen datum en tijdstip, in het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag, ten overstaan van een nader aan te wijzen rechter,

9.8.

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 9 oktober 2019 voor het verstrekken door partijen van hun verhinderdata voor de maanden januari tot en met mei 2020,

9.9.

bepaalt dat ingeval sprake is van een rechtspersoon die partij vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

9.10.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. Bus en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2019.

1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

2 Verordening (EU) nr. 2017/1001 van het Europees parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk

3 Hof van Justitie van de Europese Unie

4 Vergelijk Hoge Raad 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1928

5 HvJ EU 18 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:390

6 Hoge Raad 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:61, Hoge Raad 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1115 en Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688