Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10401

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-10-2019
Datum publicatie
04-10-2019
Zaaknummer
NL19.20763
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

dublin Italië, interstatelijk vertrouwensbeginsel, bijzonder kwetsbaar, interim measure, beroep gegrond,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.20763


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. N.A.P. Heesterbeek),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E.P. Pijnenburg).

Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.20764, plaatsgevonden op 19 september 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen O. Jobe. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Gambiaanse nationaliteit te bezitten. Eiser heeft op 20 april 2019 in Nederland een asielaanvraag ingediend.

2. Uit onderzoek in Eurodac blijkt dat eiser eerder in Italië een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft bij Italië een verzoek om terugname gedaan en de Italiaanse autoriteiten hebben dit verzoek aanvaard1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen2, omdat Italië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling hiervan. Verweerder is uitgegaan van de aanvankelijk door eiser genoemde geboortedatum [geboortedatum2].

3. Eiser heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de overgelegde geboorteakte waaruit blijkt dat de geboortedatum van eiser [geboortedatum] is. Verder heeft eiser betoogd dat ten aanzien van Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ter onderbouwing hiervan wijst eiser op een aantal recente rapporten3. Eiser heeft psychische klachten en wordt hiervoor behandeld in het in het Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht in Balkbrug (hierna: CTP Veldzicht). Gelet op zijn medische problematiek moet eiser worden aangemerkt als bijzonder kwetsbare asielzoeker en kan hij niet zonder aanvullende garanties aan Italië worden overgedragen. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser in beroep overgelegd medische informatie van 17 september 2019 van zijn behandelaars in CTP Veldzicht.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Niet is in geschil dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. De beroepsgrond die ziet op de geboorteakte van eiser mist relevantie. Immers, ook als afgegaan wordt op de daarin genoemde geboortedatum, blijft eiser meerderjarig en verandert er in zoverre niets aan de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat. Wel is in geschil of verweerder de behandeling van de asielaanvraag met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken, omdat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraken van onder andere 19 december 20184, 8 april 20195, 29 april 20196, 12 juni 20197 en 22 augustus 20198 bevestigd dat verweerder ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan en dat asielzoekers in Italië toegang zullen krijgen tot adequate zorg en opvang.

6. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat de informatie in de door eiser aangehaalde rapporten geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Italië. Weliswaar bevestigen deze rapporten dat sprake is van tekortkomingen, maar ze bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië op grond waarvan overdracht aan Italië zonder meer in strijd is met artikel 3 van het EVRM9. Naar het oordeel van de rechtbank kan de informatie in het in beroep genoemde rapport van HRW van 17 januari 2019 evenmin tot de conclusie leiden dat in Italië sprake is van structurele verslechtering van de opvangomstandigheden. In het algemeen mag verweerder dan ook ten opzichte van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Bijzondere kwetsbaarheid

7. Ter beantwoording staat vervolgens de vraag of eiser behoort tot de categorie bijzonder kwetsbare personen als bedoeld in het arrest Tarakhel10.

8. Vaststaat dat eiser sinds 27 augustus 2019 is opgenomen in CTP Veldzicht en dat hij daar wordt behandeld voor zijn medische problemen. De medische informatie van CTP Veldzicht van 17 september 2019 vermeldt het volgende:

Patiënt is op 27 augustus 2019 vrijwillig opgenomen in één van de gesloten BOPZ afdelingen in CTP Veldzicht (...)

Beschrijvende diagnose

Er is sprake van PTSS met psychotische kenmerken. Het denkpatroon is gekleurd door deze traumatische ervaringen en wanhoop. Er is geen sprake van suïcidaliteit (…).

Conclusie

(…) ernstig getraumatiseerd in het land van herkomst. Patiënt heeft last van slaapproblemen, nachtmerries, herbelevingen en flashbacks. Hij is hiervoor momenteel in behandeling bij CTP Veldzicht, deze behandeling bestaat uit een medicatiebeleid, een gestructureerd dagprogramma en traumatherapie.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met zijn patiëntendossier én deze recente medische informatie van CTP Veldzicht aannemelijk gemaakt dat hij een bijzonder kwetsbaar persoon is als bedoeld in het arrest Tarakhel. Weliswaar is eiser vrijwillig opgenomen, maar dat betekent niet dat eiser deze bijzondere medische zorg niet nodig heeft.

10. Verweerder heeft ter zitting terecht opgemerkt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in beginsel voor hem in Italië geen of onvoldoende medische zorg beschikbaar is. In de zeer onlangs door het EHRM getroffen ordemaatregelen (‘interim measures’)11 ziet de rechtbank evenwel aanknopingspunten voor het oordeel dat voor de categorie bijzonder kwetsbare personen, zoals eiser, nog steeds individuele garanties nodig zijn om te waarborgen dat de noodzakelijke opvang- en zorgvoorzieningen aanwezig zijn. De rechtbank wijst in dit verband naar de door het EHRM aan de Nederlands autoriteiten gestelde vragen in deze zaken:

1) Heeft de Nederlandse overheid (medische) informatie over de vreemdeling(en) uitgewisseld met de Italiaanse overheid en heeft de Nederlandse overheid zekerheid verkregen van de Italiaanse overheid ter zake de ontvangst van de vreemdeling en ter zake de daaropvolgende medische zorg (met referentie naar Tarakhel t. Zwitserland en daaropvolgende jurisprudentie)?

2) Hoe zal/zullen de vreemdeling(en) worden ontvangen op de plek van bestemming? Waar zal/zullen zij worden opgevangen in Italië?

11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich er onvoldoende van heeft vergewist dat de opvang van en de medische zorg voor eiser in Italië voldoet aan de eisen die het arrest Tarakhel daaraan stelt. Verweerder had in dit geval daarvoor aan de Italiaanse autoriteiten individuele garanties moeten vragen. Verweerder heeft ook ter zitting onvoldoende gemotiveerd waarom ervan is afgezien om die individuele garanties te verkrijgen. De uitleg dat de door het EHRM getroffen ordemaatregelen ongemotiveerd zijn en zien op ander omstandigheden dan die van eiser, is hiervoor onvoldoende. In die zaken betreft het weliswaar een vrouw met twee jonge kinderen en een zwangere vrouw, maar eiser behoort, net als deze vreemdelingen, tot de groep bijzonder kwetsbare personen als bedoeld in het Tarakhel-arrest. De beroepsgrond slaagt.

Slotsom

12. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens schending van artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Gelet op het nog door verweerder uit te voeren nadere onderzoek is het immers onzeker binnen welke termijn en op welke wijze opnieuw op de asielaanvraag kan worden beslist. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op

€ 1.024 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draag verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024 (duizendvierentwintig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening)

2 op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

3 USDOS (US Department of State), Annual report on human rights in 2018, 13 maart 2019; HRW (Human Rights Watch), World Report 2019-Italy, 17 januari 2019

4 ECLI:NL:RVS:2018:4131

5 ECLI:NL:RVS:2019:1085

6 ECLI:NL:RVS:2019:1395

7 ECLI:NL:RVS:2019:1861

8 ECLI:NL:RVS:2019:2845

9 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

10 Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712

11 in de zaak M.T. tegen Nederland (46595/19), 6 september 2019 en in de zaak A.S. tegen Nederland (48397/19), 17 september 2019