Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10400

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-09-2019
Datum publicatie
04-10-2019
Zaaknummer
NL19.18944
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag niet-ontvankelijk. Eiser heeft een asielvergunning in Griekenland. Beoordeling bijzondere kwetsbaarheid. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.18944


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 september 2019 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Bouius).


Procesverloop
Bij besluit van 9 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.18945, plaatsgevonden op 20 september 2019. Zowel eiser als verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Jemenitische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1983. Griekenland heeft eiser op 30 juli 2018 een vluchtelingenstatus verleend.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser internationale bescherming in een andere lidstaat van de Europese Unie geniet.

3. Eiser voert aan dat er aantoonbare tekortkomingen in het Griekse asiel- en opvangsysteem bestaan en dat deze leiden tot schrijnende omstandigheden voor personen die daar internationale bescherming genieten. Statushouders hebben in Griekenland namelijk wel dezelfde rechten als Griekse staatsburgers, maar vanwege allerlei belemmeringen krijgen zij moeilijk toegang tot onderdak, voedsel, inkomen of tot adequate gezondheidszorg. Eiser stelt dat hij met een rapport van zijn psychiater naar diverse instanties is geweest om hulp te vragen, maar dat hij niet werd geholpen. Ook heeft eiser verklaard dat hij is mishandeld en bestolen door een reisagent, maar dat aangifte doen bij de politie niet mogelijk bleek. Terugkeer naar Griekenland betekent voor hem een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM, aldus eiser. Hij onderbouwt deze stelling met een brief van Vluchtelingenwerk van 28 mei 2019 waarin enkele tientallen fragmenten van rapporten en andere openbare bronnen zijn opgenomen. In het bijzonder wijst eiser op de volgende onderliggende documenten:

  • -

    nieuwsbericht van Pro Asyl, ‘Protected only on paper: beneficiaries of international protection in Greece’, van 23 juni 2017;

  • -

    rapport van de UNHCR, ‘Self-reliance of beneficiaries of international protection in Southern Europe’, van 16 oktober 2017;

  • -

    artikel van de Greek Council for Refugees, ‘GCR replies to questions posed by a foreign public authority’, van 17 oktober 2017;

  • -

    rapport van Amnesty International, ‘“I want to decide about my future” – Uprooted women in Greece speak out’, van 5 oktober 2018;

  • -

    rapport van de UNHCR, ‘Country Report: Greece 2018’, van oktober 2018;

  • -

    rapport van de Raad van Europa, ‘Report of the Commissioner for Human Rights of the Council of Europe […]’, van 6 november 2018;

  • -

    rapport van het Department of State van de Verenigde Staten ‘Country Report on Human Rights Practices 2018 – Greece’, van 13 maart 2019;

  • -

    nieuwsbericht van France24, ‘Refugees face eviction in Greece as thousands more wait for homes’, van 22 april 2019.

3.1

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van

30 mei 2018 opgenomen wat verweerder in die zaak had toegelicht over de situatie van statushouders in Griekenland:1

“Zij kunnen moeilijk betaald werk vinden, de toegang tot gezondheidszorg is voor hen moeizaam en zij zijn volledig op zichzelf aangewezen om huisvesting te vinden. De juridische positie van statushouders in Griekenland is vergelijkbaar met die van Griekse staatsburgers. Zij hebben dan ook gelijke toegang tot werk, huisvesting, onderwijs, gezondheidszorg en sociale voorzieningen als Griekse staatsburgers. Wel hebben statushouders beperktere toegang tot het praktijkonderwijs, omdat het voor hen lastiger is dan voor staatsburgers om de vereiste documenten aan te leveren. Hoewel in de praktijk de toegang tot werk, huisvesting en gezondheidszorg voor statushouders moeizaam is, kan volgens de staatssecretaris niet worden gesteld dat statushouders in Griekenland in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM verblijven.”

De Afdeling onderschrijft deze omstandigheden, maar oordeelt dat de situatie niet zo slecht is dat sprake was van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig zouden staan. In de uitspraak van 15 juli 2019 heeft de Afdeling dit oordeel bevestigd, maar daaraan toegevoegd dat verweerder bij bijzonder kwetsbare statushouders nader moet motiveren waarom zij bij terugkeer naar Griekenland niet buiten hun eigen wil en keuzes om, zullen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie.2

3.2

De situatie zoals blijkt uit de door eiser overgelegde brief van Vluchtelingenwerk verschilt niet wezenlijk met de situatie zoals de Afdeling heeft beoordeeld. Hoewel in de praktijk de toegang tot werk, huisvesting en gezondheidszorg voor statushouders dus moeizaam verloopt, levert dit in het algemeen geen schending van artikel 3 van het EVRM op. De enkele stelling dat eiser geen hulp van instanties heeft gekregen en dat de politie hem niet in staat stelde aangifte te doen, geeft onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel. De vraag die overblijft is of eiser vanwege zijn (gestelde) psychische klachten als bijzonder kwetsbaar moet worden beschouwd.

3.3

In de door eiser overgelegde verklaring van een Griekse arts staat (onder meer) dat sprake is van verminderde aandacht en concentratie en daarnaast dysfunctie van de structuur en inhoud van het denken. Verder blijkt uit het document dat eiser wordt behandeld in een psychologisch centrum. Als kwalificatie van eisers kwetsbaarheid is het hokje ‘hoog’ aangevinkt, met daarbij (vertaald) de volgende uitleg:

“Het bestaan van kwetsbaarheid is duidelijk. Voortzetting van de beoordeling en ontwikkeling van een zorgplan zijn aanbevolen. Er dient een verwijzing te komen voor directe ondersteuning.”

Eiser heeft ook een uitdraai van het patiëntdossier van de Gezondheidszorg Asielzoekers overgelegd. Hieruit blijkt dat eiser heeft aangegeven zich depressief te voelen en dat hij slecht slaapt, onder meer vanwege nachtmerries. Hij is voor deze klachten doorverwezen naar een psycholoog.

3.4

De rechtbank overweegt dat aannemelijk is gemaakt dat eiser in meer of mindere mate lijdt aan klachten van psychische aard. Hoewel de Griekse arts stelt dat ‘het bestaan van kwetsbaarheid duidelijk is’, betekent dat nog niet dat eiser als bijzonder kwetsbaar in de zin van bovenstaande uitspraak van de Afdeling moet worden beschouwd. Van belang is volgens de Afdeling om na te gaan of de psychische problemen een negatieve invloed kunnen hebben op de mate waarin eiser zich zelfstandig staande kan houden in de Griekse maatschappij en zijn rechten kan effectueren. Het is aan eiser om dit aannemelijk te maken. Voor de beoordeling daarvan is van belang dat uit het stuk van de Griekse arts blijkt dat hij in Griekenland in staat is gebleken om zelf de hulp van een psycholoog in te schakelen. Hoewel dit geen garantie biedt dat dit in de toekomst ook lukt, biedt het overgelegde (en meer recente) patiëntdossier geen aanknopingspunt voor het tegendeel. Uit dat dossier blijkt dat hij de afgelopen maanden meermaals een consult heeft gehad bij de huisarts en dat eiser zelf heeft aangegeven dat hij doorverwezen wil worden naar een psycholoog. Bovendien blijkt uit dit dossier niet dat eisers kwetsbaarheid de afgelopen tijd is vergroot. Eiser moet daarom in staat worden geacht om zelf hulp in te schakelen voor zijn psychische klachten. Verweerder stelt zich daarom terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt. De beroepsgrond slaagt niet.

4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.F. van den Brink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 ECLI:NL:RVS:2018:1795.

2 ECLI:NL:RVS:2019:2385.