Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10325

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-10-2019
Datum publicatie
04-10-2019
Zaaknummer
AWB 18/8934
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een Russische vreemdeling verzoekt op grond van artikel 8:88 van de Awb schadevergoeding. De asielaanvragen van verzoekster zijn in het verleden meerdere malen tot in hoger beroep afgewezen. Na haar uitzetting is zij in Rusland direct gedetineerd en in detentie is zij mishandeld en verkracht. Verzoekster is terug gevlucht naar Nederland en verweerder heeft op grond van de gebeurtenissen van na de uitzetting een asielvergunning verleend. De rechtbank heeft naar aanleiding van verschillende arresten van het EHRM bij de beoordeling de besluitvorming voorafgaand aan de uitzetting meegenomen als ook de gebeurtenissen van na de uitzetting. Verzoekster had in de laatste procedure zeven originele documenten en een deskundigenrapport overgelegd. Hoewel de Kmar zich niet kon uitlaten over de authenticiteit va de zeven documenten, had de deskundige van verzoekster verklaard dat de documenten ‘appear to be geniune and plausible’. Bewijs voor het tegendeel of dat de documenten vals waren, was er niet. Naar het oordeel van de rechtbank had het dan ook op de weg van verweerder gelegen om bij twijfel hieraan, gelet op de verklaringen van verzoekster ter zake en het rapport van de deskundige, de inhoud van de documenten te verifiëren. Verweerder had in het kader van de Bahaddar-exceptie in elk geval pas op de plaats moeten maken om dusdoende een reële mogelijkheid te creëren voor nader onderzoek naar de documenten (rigorous scrutiny) en verzoekster niet daags na de uitspraak moeten uitzetten naar Rusland met alle gevolgen van dien. Met verzoekster is de rechtbank van oordeel dat verweerder in deze specifieke omstandigheden door zijn handelwijze het risico heeft geaccepteerd dat een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM zou plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/8934

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 2 oktober 2019 in de zaak tussen

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedag] 1957, van Russische nationaliteit, verzoekster

(gemachtigde mr. T. de Boer),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. J.P. Heinrich, mr. E. Binnendijk en mr. W.H.J. Semijn).

Procesverloop

Bij brief van 25 juli 2018 heeft verweerder het verzoek van verzoekster van 20 februari 2018 om schadevergoeding afgewezen.

Op 23 november 2018 heeft de rechtbank het verzoekschrift om schadevergoeding op grond van artikel 8:80 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van verzoekster ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2019. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigden. Ook waren ter zitting aanwezig E. Batalova als tolk in de taal Russisch en mevrouw [halfzus] , de halfzuster van verzoekster. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Het griffierecht

1.1.

Verzoekster heeft het griffierecht per rekening courant van haar gemachtigde voldaan. Zij heeft vervolgens verzocht om vrijstelling daarvan wegens betalingsonmacht. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft zij een verklaring omtrent Inkomen en Vermogen en bankafschriften over de periode 1 oktober 2018 tot en met 1 december 2018 overgelegd. Ook heeft zij een uitkeringsspecificatie van 24 augustus 2019 overgelegd.

1.2.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet verzoekster niet aan de geldende regels voor vrijstelling. Zij ontvangt immers een volledige bijstandsuitkering naar de norm van alleenstaande. Het verzoek om vrijstelling wordt daarom afgewezen. Het betaalde bedrag wordt niet teruggestort.

Wat vooraf ging aan deze procedure

Eerste asielaanvraag

2.1.

Verzoekster, etnisch Ossetische met de Russische nationaliteit, heeft in 2010 haar eerste asielverzoek ingediend. Daaraan heeft zij het volgende ten grondslag gelegd. Zij is beroepsmilitair geweest in de rang van luitenant-kolonel en heeft deelgenomen aan de Tsjetsjeense oorlogen. In 2009 is zij op medische gronden eervol ontslagen. Verzoekster is tot aan haar vertrek uit Rusland in 2010 voortdurend bedreigd door Tsjetsjeense strijders. Zij waren uit op wraak als gevolg van verzoeksters werkzaamheden als hoge, vrouwelijke militair in het Russische leger. Verweerder achtte de verklaringen over verzoeksters werkzaamheden als militair en haar deelname aan de Tsjetsjeense oorlog geloofwaardig, maar haar vrees voor de Tsjetsjeense strijders niet. Het beroep van verzoekster is door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, op 20 oktober 2011 gegrond verklaard.1 Naar aanleiding van die uitspraak heeft verweerder bij besluit van 10 maart 2012 opnieuw beslist op verzoeksters asielaanvraag en de afwijzing daarvan gehandhaafd. Het beroep daartegen is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 27 december 2012, ongegrond verklaard.2 Deze uitspraak is in rechte vast komen te staan door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 juni 2013.3

Tweede asielaanvraag

2.2.

Op 18 maart 2013 heeft verzoekster een opvolgende asielaanvraag ingediend, waaraan zij ten grondslag heeft gelegd dat zij ook in Nederland door Tsjetsjenen wordt bedreigd. Verweerder heeft de aanvraag met toepassing van artikel 4:6 van de Awb afgewezen, omdat geen sprake was van nieuw gebleken feiten en/of omstandigheden (nova). Het beroep daartegen is bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van

4 september 2013 ongegrond verklaard.4

Derde asielaanvraag

2.3.

Op 5 maart 2014 heeft verzoekster ten derde male een asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat zij inmiddels in de Russische Federatie (Rusland) verdacht wordt van een misdrijf tegen de militaire dienst, te weten het uitreizen en weg blijven met kennis van militaire geheimen. Zij vreest voor een lange gevangenisstraf in Rusland en is beducht voor de detentieomstandigheden en het oneerlijke proces dat haar daar te wachten staat. Ter onderbouwing van die vrees heeft verzoekster zeven originele documenten overgelegd. Verweerder heeft de documenten laten onderzoeken, maar wegens gebrek aan referentiemateriaal kon de Koninklijke Marechaussee (Kmar) niets zeggen over de authenticiteit van die documenten. Verzoekster heeft vervolgens een rapport overgelegd van Ruslanddeskundige R. Chenciner van 20 maart 2014, maar verweerder hechtte daaraan niet de door verzoekster gewenste waarde. Verweerder heeft ook deze aanvraag afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en een verzoek gedaan voor een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft direct op het beroep beslist en bij uitspraak van

31 maart 2014 het beroep ongegrond verklaard.5 Bij uitspraak van de Afdeling van

13 mei 2014 is die uitspraak in rechte vast komen te staan.6

Uitzetting

2.4.

Verzoekster is op 1 april 2014 – één dag na voornoemde uitspraak van de zittingsplaats Groningen en vóór voornoemde uitspraak van de Afdeling – uitgezet naar Rusland. Daarbij is zij begeleid door drie escorts van de Kmar mede vanwege suïcide gevaar. Verzoekster heeft meerdere malen gevraagd om haar als ‘gewone burger’ – dus zonder de drie escorts – van boord te laten gaan. Dat werd haar niet toegestaan. Zij is direct bij aankomst overgedragen aan de Russische autoriteiten en vervolgens gearresteerd en gedetineerd. In de gevangenis is zij meervoudig verkracht en mishandeld. Als gevolg daarvan is zij in het ziekenhuis opgenomen.

Vierde asielaanvraag

2.5.

Verzoekster is met hulp van haar halfzuster ontsnapt uit het ziekenhuis en teruggekeerd naar Nederland. Op 29 december 2014 heeft zij bij verweerder opnieuw een asielaanvraag ingediend. Aan die aanvraag heeft zij ten grondslag gelegd dat zij na haar uitzetting in Rusland gevangen is genomen en in detentie is mishandeld en verkracht. Verweerder heeft de verklaringen van verzoekster geloofwaardig geacht. Bij besluit van
27 september 2016 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoekster, alsmede die van haar halfzuster, ingewilligd.

Deze procedure

3.1.

In deze procedure vordert verzoekster schadevergoeding. Zij betoogt (i) dat haar uitzetting op 1 april 2014 naar Rusland en de besluitvorming die daaraan vooraf is gegaan onrechtmatig is geweest. Daarnaast vordert verzoekster schadevergoeding vanwege (ii) de wijze van haar uitzetting. Verzoekster verzoekt ten aanzien van de door haar geleden immateriële schade7 een bedrag van € 50.000,--. Ter onderbouwing van dit bedrag verwijst verzoekster naar jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de mens (EHRM).8 Ten aanzien van haar materiële schade verzoekt verzoekster de volgende bedragen: € 9.000,-- voor de reis vanuit Georgië naar Nederland; € 2.144,-- voor de hulp van de verpleegster in het militaire ziekenhuis bij de ontsnapping; € 2.858,-- voor verblijfskosten en medische kosten op een onderduikadres in Georgië; € 18.585,-- winstderving vanwege de gehaaste en noodzakelijke verkoop van het huis van verzoekster voor een lager bedrag (aan een neef). Tot slot vordert verzoekster haar advocaatkosten. In totaal vordert zij een bedrag van € 137.270,-. Verzoekster benoemt ook de kosten van haar halfzuster ad € 12.000,--, maar deze heeft besloten om op dit moment geen gerechtelijke procedure te voeren.

Gronden verzoekschrift

Besluitvorming voorafgaande aan de uitzetting

4.1.

Verzoekster voert aan dat haar uitzetting naar Rusland onrechtmatig is geweest. De door verzoekster ten tijde van haar derde asielprocedure overgelegde zeven originele documenten heeft de Kmar niet beoordeeld wegens gebrek aan referentiemateriaal. De door verzoekster ingeschakelde deskundige Chenciner heeft de stukken wel beoordeeld en volgens hem was geen reden om te twijfelen aan de authenticiteit van de documenten. Meer kon van verzoekster niet worden verwacht. Zij had met de originele documenten en het rapport van de deskundige een arguable claim op een schending van artikel 3 van het EVRM.9 In dat geval dient verweerder aanvullend en gericht onderzoek te doen óf verzoekster moet het voordeel van de twijfel krijgen. Geen van beide is gebeurd en daarmee is het rigorous scrutiny vereiste van artikel 3 van het EVRM geschonden. Ter onderbouwing van haar betoog verwijst verzoekster naar rechtspraak van het EHRM, meer in het bijzonder naar de arresten [arrest 1]10 en M.D. en M.A.11

4.2.

Door de documenten niet nader te onderzoeken, heeft verweerder het risico geaccepteerd dat de documenten authentiek waren en dat verzoekster na terugkeer zou worden vervolgd. Dat is ook gebeurd. Het risico op schending van artikel 3 van het EVRM was voorzienbaar, althans het risico op schending van artikel 3 van het EVRM is door verweerder op de koop toegenomen. De toetsing van de voorzieningenrechter (vooraf) en de Afdeling (achteraf) van de uitzetting heeft dit risico niet kunnen wegnemen. Tegen de schending van artikel 3 van het EVRM is door deze rechterlijke instanties geen effective remedy geboden als bedoeld in artikel 13 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest.12

4.3.

Het feit dat de voorzieningenrechter de uitzetting niet heeft verboden, kan niet leiden tot een ander oordeel, nu deze onvoldoende bescherming heeft geboden tegen de schending van het absolute refoulement verbod. Ter onderbouwing van dit betoog heeft verzoekster gewezen op rechtspraak van het EHRM, meer in het bijzonder op de arresten [arrest 2] en X tegen Zwitserland.13 Uit deze arresten blijkt voorts dat informatie die bekend is geworden ná een uitzetting kan worden meegenomen bij de beoordeling van de zorgvuldigheid van de toetsing van de gestelde vrees voor de autoriteiten. De formele rechtskracht van besluiten doet daaraan niet af.

Wijze van uitzetting

4.4.

Daarnaast betoogt verzoekster dat de wijze waarop de feitelijke uitzetting heeft plaatsgevonden, het gevaar op vervolging aanmerkelijk heeft verhoogd. Zelfs op grond van de vaststaande feiten, had verzoekster niet op deze manier mogen worden uitgezet door haar over te dragen aan de Russische autoriteiten.

4.5.

Verzoekster verzoekt in dit kader tot slot om op grond van artikel 8:45, eerste lid, van de Awb verweerder op te dragen om de onder hem berustende stukken die via de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) openbaar zijn gemaakt, ongelakt in te brengen in deze procedure.

Standpunt verweerder

5.1.

Verweerder heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen en voert daartoe het volgende aan.

Besluitvorming voorafgaande aan de uitzetting

5.2.

De besluitvorming voorafgaand aan de uitzetting kan in deze procedure niet aan de orde worden gesteld. De besluiten zijn al beoordeeld in de daartoe gevoerde asielprocedures en dat heeft niet geleid tot het oordeel dat die besluitvorming onrechtmatig of anderszins gebrekkig is geweest. Dat betekent dat voor deze schadevergoedingsprocedure van de rechtmatigheid van die besluiten moet worden uitgegaan. De omstandigheid dat aan verzoekster een asielvergunning is verleend op grond van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden na haar uitzetting, maakt niet dat de besluitvorming of de rechterlijke toets daarvan met terugwerkende kracht alsnog als onrechtmatig kan worden beschouwd. De schadevergoedingsprocedure die is neergelegd in artikel 8:88 van de Awb biedt daarvoor geen ruimte.

5.3.

Subsidiair heeft verweerder gesteld dat het onderzoek dat is uitgevoerd in het kader van de derde asielprocedure rechtmatig is geweest. De herhaalde asielaanvraag is op goede gronden afgedaan met toepasselijkheid van artikel 4:6 van de Awb. Verweerder heeft de zeven documenten laten onderzoeken door de Kmar en verzoeksters verklaringen ter zake alsmede de inhoud van de documenten betrokken bij de aanvraag, in tegenstelling tot de situatie in het arrest M.D. en M.A, zodat die vergelijking niet opgaat. De authenticiteit van de documenten was evenwel niet te beoordelen door de Kmar in verband met het voorhanden zijn van onvoldoende referentiemateriaal. Het deskundigenoordeel van R. Chenciner is ook beoordeeld en verworpen door de rechtbank.

Wijze van uitzetting

5.4

Het enige dat in deze procedure aan de orde kan komen, is de feitelijke gang van zaken bij de uitzetting van verzoekster en die is rechtmatig geweest. Verzoekster had Nederland zelfstandig kunnen verlaten, maar heeft dat niet gedaan. Zij nam daarmee het risico om uitgezet te worden. Bij een gedwongen uitzetting en het voorhanden hebben van een paspoort is het gebruikelijk dat de persoon wordt overgedragen aan de autoriteiten. In het geval van verzoekster kwam daarbij dat sprake was van risico op onttrekking en het risico op suïcide, zodat zij vergezeld is door begeleiders van de Kmar.

5.5.

Subsidiair heeft verweerder gesteld dat tussen de gestelde onrechtmatige uitzettingshandelingen en de gestelde schade geen causaal verband bestaat en dus niet kan leiden tot het toewijzen van een verzoek tot schadevergoeding.

5.6.

Verweerder ziet ten slotte geen aanleiding om de ongelakte versie van de door verzoekster gevraagde stukken in het geding te brengen. De stukken bevatten geen gegevens die voor de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding van verzoekster van belang zijn, aldus verweerder.

Schadeposten

5.7

Verweerder heeft de schadeposten gemotiveerd betwist.

Beoordeling rechtbank

Bevoegdheid bestuursrechter en bepaling van schade

6.1.

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of zij bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.

6.2.

Op grond van de artikelen 8:88 en 8:89 van de Awb in samenhang met artikel
72a van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 is de rechtbank van oordeel dat zij exclusief bevoegd is. De wetgever heeft beoogd de rechtsbescherming van de vreemdeling bij uitsluiting op te dragen aan de bestuursrechter, in het bijzonder de vreemdelingenrechter, zoals blijkt uit de parlementaire geschiedenis van de Vw 2000.14 Het werd onwenselijk geacht dat twee verschillende rechters, de bestuursrechter en de burgerlijke rechter, zouden oordelen over geschillen met betrekking tot de vreemdeling. Dat betekent dat de vreemdeling zich met zijn schadeverzoek kan en zelfs moet wenden tot de bestuursrechter.

6.3.

Daarnaast is op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb de bestuursrechter bevoegd op het verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van onder meer een onrechtmatig besluit. Op grond van artikel 8:88 van de Awb in samenhang met de artikelen 72, derde lid, en 72a van de Vw 2000, kan de vreemdeling niet alleen om schade verzoeken naar aanleiding van door een bestuursorgaan gegeven beschikking, maar ook jegens hem zodanig verrichte, rechtens relevante (feitelijke) handelingen. De rechtbank is van oordeel dat zij hiermee dit verzoek om schadevergoeding dient te beoordelen. Er bestaat geen aanleiding om de zaak te verwijzen naar de burgerlijke rechter, zoals door verzoekster – voor zover nodig – bepleit.

6.4.

De Awb geeft geen materiële criteria voor de bepaling van schade. Voor de beantwoording van de vraag of verweerder wegens onrechtmatig handelen verplicht is tot schadevergoeding, moet dan ook aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht.15 Daaruit komen onder meer de volgende criteria naar voren:

  • -

    er moet sprake zijn van een daad van de overheid;

  • -

    deze moet onrechtmatig zijn, dat wil zeggen in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsnorm;

  • -

    de daad moet aan de overheid zijn toe te rekenen;

  • -

    de geschonden norm moet er toe strekken het belang van de benadeelde te beschermen (relativiteitsvereiste);

  • -

    er moet schade zijn; en

  • -

    er moet voldoende causaal verband bestaan tussen de schade veroorzakende gebeurtenis en de geleden schade.

Artikel 3 van het EVRM

7.1

In artikel 3 van het EVRM staat dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederingen behandelingen of bestraffingen. Het uit artikel van het 3 van het EVRM (indirect) voortvloeiende verbod op refoulement heeft een absoluut karakter en kent geen uitzonderingen.16 Dit artikel ziet niet alleen op handelingen binnen de eigen jurisdictie van een Staat, maar ook op uitzettingen van vreemdeling naar landen die al dan niet bij het EVRM aangesloten zijn.17 Het is in principe aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat bij terugkeer sprake zal zijn van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM.

Besluitvorming voorafgaande aan de uitzetting

7.2.

Het standpunt van verweerder, dat de besluitvorming voorafgaand aan de uitzetting niet in deze procedure aan de orde kan worden gesteld, deelt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank zijn, vanwege het absolute verbod van refoulement, omstandigheden denkbaar waardoor de rechtbank hier niet geheel van kan wegblijven en zich een oordeel zal moeten vormen over de procedure die heeft geleid tot de uitzetting van een persoon en de schending van artikel 3 van het EVRM die zich vervolgens heeft gerealiseerd. De rechtbank voelt zich gesteund in dit oordeel door het eerdergenoemde arrest X tegen Zwitserland. In die zaak betrof het een asielaanvraag die de Federal Migration Office had afgewezen. De Federal Administrative Court heeft meerdere malen de afwijzing van de asielaanvraag in rechte in stand gelaten. Vervolgens is de vreemdeling met zijn gezin uitgezet en is hij door de Sri Lankaanse autoriteiten vastgezet en mishandeld. Het EHRM heeft in die zaak onder meer overwogen:

“(…) 62. With regard to the material date, the existence of the risk must be assessed primarily with reference to those facts which were known or ought to have been known to the Contracting State at the time of removal (see [arrest 3] and Others, cited above, § 121). The Court is not precluded, however, from having regard to information which comes to light subsequent to the deportation. This may be of value in confirming or refuting the appreciation that has been made by the Contracting Party of the well-foundedness or otherwise of an applicant’s fears (see [arrest 4] v. Turkey [GC], nos. 46827/99 and 46951/99, § 69, ECHR 2005‑I, and [arrest 2] and Others, cited above, § 107).

63. Turning to the circumstances of the present case, it would appear from the material in the case files that, at the time of his deportation, the Swiss authorities should have been well aware of the risk that the applicant and his family might be subject to treatment contrary to Article 3 of the Convention if expelled to Sri Lanka. (…)”

7.3.

Het EHRM kwam tot het oordeel dat the Swiss authorities failed to comply with their obligation under the Article 3 of the Convention in dealing with the applicants first asylum application. Het EHRM heeft zich dus een oordeel gevormd over de eerste in rechte vaststaande asielprocedure, die was geaccordeerd door de Zwitserse (federale) rechtbank en heeft daarin mede betrokken de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden na de uitzetting van de vreemdeling naar Sri Lanka. In de procedure die nu aan de orde is staat vast dat verzoekster direct na haar uitzetting naar Rusland is opgepakt, vastgezet en in de cel is mishandeld en verkracht. Onbetwist is dat hiermee sprake is geweest van een behandeling in strijd met het folteringsverbod van artikel 3 van het EVRM. Gelet op het arrest X t. Zweden vormt dit naar het oordeel van de rechtbank bij uitstek aanleiding om de besluitvorming voorafgaande aan de uitzetting in deze procedure aan de orde te stellen.

7.4.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verweerder door de uitzetting van verzoekster naar Rusland, mede gelet op de besluitvorming voorafgaande aan de uitzetting, zich schuldig heeft gemaakt aan een schending van het absolute verbod van refoulement van artikel 3 van het EVRM. De rechtbank overweegt als volgt.

7.5.

In de derde asielprocedure heeft verzoekster de eerder genoemde zeven originele documenten overgelegd, te weten:

  • -

    Een mededeling van het Ministerie van Defensie van de Russische Federatie aan het Bureau van rechtshulp van 11 november 2013, inclusief de vertaling;

  • -

    Een brief van advocaat Skripkina aan betrokkene van 19 december 2013, inclusief vertaling;

  • -

    Een brief van het bestuur van de Federale Veiligheidsdienst van Rusland gericht aan advocaat Skripkina van 5 november 2013, inclusief vertaling;

  • -

    Een brief van het departement van het militaire contraspionage van de Federale Veiligheidsdienst van Rusland van 19 november 2013, inclusief vertaling;

  • -

    Een brief van het bestuur van de Federale Veiligheidsdienst van Rusland voor de Oblast Rostov gericht aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken van de Republiek Kirgizistan, houdende een rechtshulpverzoek met een verzoek tot uitlevering, ongedateerd, inclusief vertaling;

  • -

    Een brief van het paspoort- en visabureau van de stad Grosny aan advocaat Skripina van 22 oktober 2013;

  • -

    Een schrijven van de toenmalige gemachtigde mr. U.H. Hansma van 13 februari 2014.

De zeven documenten konden volgens verweerder verzoeksters betoog niet onderbouwen, omdat van de authenticiteit van de documenten niet kon worden uitgegaan bij gebrek aan referentiemateriaal.

7.6.

Verzoekster heeft in die procedure verder voornoemd rapport van Chenciner overgelegd, die onder meer het volgende verklaarde:

“(…) appear to be genuine and plausible in the context of the Appellant’s account; and what would likely be obtained by her Kyrgyz lawyer on an offical request from the Russian authoritites. I cannot find anything to make me suspect they are fake.(…)”

Aan het rapport van Chenciner is voorbijgegaan, omdat daaraan niet de waarde kon worden gehecht die verzoekster daaraan wenste te hechten.

7.7.

Ook gaf de toenmalige gemachtigde van verzoekster aan dat de inhoud van deze documenten geverifieerd kon worden bij de autoriteiten in Kirgizië bij voorbeeld door middel van een vertrouwenspersoon met de vraag of zij bekend waren met een uitleveringsverzoek. Verzoekster gaf toestemming om contact te zoeken met de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst of de militaire inlichtingendienst om onderzoek te doen naar de overgelegde documenten en de inhoud daarvan. Verweerder heeft met deze suggesties van de gemachtigde niets gedaan.

7.8.

De voorzieningenrechter heeft in de derde asielprocedure vervolgens geoordeeld dat verweerder toepassing kon geven aan artikel 4:6 van de Awb, omdat de authenticiteit van de documenten niet was vast komen te staan. Ook heeft de voorzieningenrechter in het kader van artikel 3 van het EVRM getoetst aan het arrest [arrest 1] . De voorzieningenrechter heeft bij die beoordeling gewezen op vaste rechtspraak van de Afdeling en overwogen dat voor de vraag of een document een uitzonderlijke omstandigheid als bedoeld in overweging 45 van het arrest [arrest 1] inhoudt, van belang is dat dat document authentiek is.18 Verzoekster had dat niet aangetoond dus was naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden zoals bedoeld in dat arrest.

7.9.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. In het arrest [arrest 1] staat, voor zover van belang, het volgende:

“(…) 45. (…) It follows that, even in cases of expulsion to a country where there is an alleged risk of ill-treatment contrary to Article 3, the formal requirements and time-limits laid down in domestic law should normally be complied with, such rules being designed to enable the national jurisdictions to discharge their caseload in an orderly manner. Whether there are special circumstances which absolve an applicant from the obligation to comply with such rules will depend on the facts of each case. It should be borne in mind in this regard that in applications for recognition of refugee status it may be difficult, if not impossible, for the person concerned to supply evidence within a short time, especially if – as in the present case – such evidence must be obtained from the country from which he or she claims to have fled. Accordingly, time-limits should not be so short, or applied so inflexibly, as to deny an applicant for recognition of refugee status a realistic opportunity to prove his or her claim.”

7.10.

Bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden in de zin van dit arrest kunnen er dus toe leiden dat de noodzaak bestaat om een in het nationale recht neergelegde procedureregel niet aan een vreemdeling tegen te werpen. De vraag is dan ook of verweerder destijds terecht toepassing heeft gegeven aan de procedurele regels van artikel 4:6 van de Awb of dat verweerder, gelet op de omstandigheden van zowel vóór als ná de uitzetting, aanleiding had moeten zien de asielaanvraag inhoudelijk te beoordelen en (dientengevolge) had moeten afzien van de uitzetting van verzoekster naar Rusland.

7.11.

Door verweerder is geloofwaardig geacht dat verzoekster in Rusland een beroepsmilitair is geweest met een hoge militaire rang. Ter onderbouwing van haar vrees voor de Russische autoriteiten had verzoekster de zeven eerder genoemde originele documenten overgelegd. Hoewel de Kmar zich niet kon uitlaten over authenticiteit daarvan, had de deskundige van verzoekster verklaard dat de documenten appear to be geniune and plausible. Bewijs voor het tegendeel, dat de stukken vals waren of anderszins niet klopten, was er niet. Naar het oordeel van de rechtbank had het dan ook op de weg van verweerder gelegen om bij twijfel hieraan, gelet op de verklaringen van verzoekster ter zake en het rapport van de deskundige, de inhoud van de documenten te verifiëren bijvoorbeeld op de wijze zoals door de destijds gemachtigde van verzoekster was voorgesteld. Verweerder had in het kader van de [arrest 1] exceptie in elk geval pas op de plaats moeten maken om dusdoende een reële mogelijkheid te creëren voor nader onderzoek naar de documenten (rigorous scrutiny) en verzoekster niet daags na de uitspraak moeten uitzetten naar Rusland met alle gevolgen van dien. Met verzoekster is de rechtbank van oordeel dat verweerder in deze specifieke omstandigheden door zijn handelwijze het risico heeft geaccepteerd dat een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM zou plaatsvinden. De grond van verzoekster dat haar uitzetting naar Rusland onrechtmatig is geweest slaagt dan ook.

8. Verzoekster heeft daardoor (causaal verband) schade geleden, want zij is direct na aankomst in Rusland gedetineerd en in detentie mishandeld en verkracht. Ook is voldaan aan het relativiteitsvereiste, want de geschonden norm strekte tot bescherming van de lichamelijke integriteit van verzoekster. Verweerder is dan ook gehouden de door verzoekster geleden schade te vergoeden. Omdat het verzoek om schadevergoeding reeds hierom wordt toegewezen, behoeven verzoeksters overige gronden geen verdere bespreking. Gelet op bovenstaande, ziet de rechtbank geen aanleiding om het Wob-verzoek van eiseres toe te wijzen.

9. Op grond van artikel 8:92, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb moet het verzoekschrift een opgave van de aard van de geleden of te lijden schade bevatten en voor zover redelijkerwijs mogelijk het bedrag en de specificatie daarvan. Verzoekster heeft gewezen op de al ingediende schadeposten, maar heeft de rechtbank verzocht om haar in de gelegenheid te stellen de schadeposten nader te onderbouwen. Vanuit het oogpunt van finaliteit heeft verweerder zich hiertegen niet verzet, maar de rechtbank wel verzocht om einduitspraak te doen op de geschilpunten ten aanzien van de aansprakelijkheid. In dat kader zal de rechtbank op grond van artikel 6:6 van de Awb in samenhang met artikel 8:94 van de Awb verzoekster in de gelegenheid stellen om de schadeposten nader te onderbouwen. De rechtbank zal het onderzoek met betrekking tot de schadeposten heropenen onder nummer AWB 19/7412.19

10. De rechtbank ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in samenhang met artikel 8:94 van de Awb, verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,--, en een wegingsfactor 1).

11. Omdat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding toewijst, ziet de rechtbank, gelet op artikel 8:74 van de Awb in samenhang met artikel 8:94 van de Awb, aanleiding te bepalen dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- bepaalt dat de uitzetting van verzoekster naar Rusland op 1 april 2014 onrechtmatig is geweest;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe met dien verstande dat het onderzoek ten aanzien van de schadeposten wordt heropend;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 1.024,-.

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan verzoekster te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, voorzitter en mr. B.C. Langendoen en
mr. M.J. van den Bergh als leden, in aanwezigheid van mr. T. Pourjalili, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 AWB 11/13356, niet gepubliceerd.

2 AWB 12/10086, niet gepubliceerd.

3 201301336/1/V1 en 201301336/2/V1, niet gepubliceerd.

4 AWB 13/8497, niet gepubliceerd.

5 AWB 14/5709, niet gepubliceerd.

6 201402892/1/V2, niet gepubliceerd.

7 Zie ook het rapport van Stichting iMMO van 3 mei 2016.

8 Zie arresten van het EHRM, onder meer M.S.S. t. België [GC], 21 januari 2011, nr. 30696/09 en Kasymakhunov t. Rusland, 14 november 2013, nr. 29604/12.

9 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

10 Arrest van EHRM, [arrest 1] tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 25094/94.

11 EHRM M.D en M.A. t. België, 19 januari 2016, nr. 58689/12.

12 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

13 EHRM [arrest 2] t. het Verenigd Koninkrijk, 30 oktober 1991, nrs. 13163/87 en 13164 en EHRM, X. t. Zwitserland, 26 januari 2017, nr. 16744/14.

14 Zie ook het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3135.

15 Zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ875, en van de Afdeling van 20 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA7572 en 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3347.

16 Zie bijvoorbeeld het eerder genoemde arrest [arrest 2] .

17 EHRM, Soering t. het Verenigd Koninkrijk, van 7 juli 1989, nr. 14038/88.

18 In de uitspraak wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4911.

19 De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1404.