Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10302

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-09-2019
Datum publicatie
13-01-2020
Zaaknummer
C/09/564070 / HA RK 18-581
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Art 17 RWN. Verzoek afgewezen. De vraag is of verzoeker op grond van een in Marokko vastgestelde afstammingsrelatie van verzoeker met zijn juridische vader ook de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Van belang is of de afstammingsrelatie naar Marokkaans recht kan worden gelijkgesteld met een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap als bedoeld in artikel 1:207 BW dan wel met een erkenning als bedoeld in artikel 1:203 BW. Niet in geschil is dat de afstammingsrelatie kan worden gezien als een erkenning. De vraag is vervolgens of deze erkenning naar Marokkaans recht gelijk is te stellen aan de Nederlandse rechtsfiguur van erkenning. De rechtbank komt tot het oordeel dat dat het geval is. verzoeker heeft daarmee niet op grond van artikel 4 lid 4 RWN, dan wel op enige andere grond, het Nederlanderschap verkregen. Een beroep van verzoeker op artikel 14 juncto artikel 8 EVRM slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2020/5405
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: HA RK 18-581

Zaaknummer: C/09/564070

Datum beschikking: 27 september 2019

Beschikking op het op 28 november 2018 ingekomen verzoekschrift van:

[Y]

verzoeker,

wonende te [woonplaats] , Marokko,

in de onderhavige procedure woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat,

mr. V. Kidjan te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verder te noemen “de IND”),

zetelende te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Klis.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- een brief van 3 januari 2019 van de IND;

- een brief van 10 januari 2019, met bijlage, van de zijde van verzoeker;

- de brief van 11 april 2019 van de IND;

- de conclusie van de officier van justitie van 14 mei 2019;

- drie brieven van 18 juni 2019, met bijlagen, van de zijde van verzoeker.

Op 20 juni 2019 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: [ex moeder Y] en diens zoon [zoon ex moeder Y] met de advocaat van verzoeker, en de IND in de persoon van mr. J.A.M. van der Klis. Van de zijde van verzoeker en van de zijde van de IND zijn pleitnotities overgelegd.

De officier van justitie heeft schriftelijk medegedeeld geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de mondelinge behandeling.

Verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoeker.

De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek.

De officier van justitie heeft bij voormelde conclusie medegedeeld zich aan te sluiten bij het standpunt van de IND.

Feiten

- Verzoeker is op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] geboren uit [moeder Y] , geboren op [geboortedatum] 1958, die ten tijde van de geboorte van verzoeker de Marokkaanse nationaliteit had en ongehuwd was. Verzoeker verkreeg bij geboorte dan ook de Marokkaanse nationaliteit.

- Verzoeker is niet voorafgaand aan zijn geboorte erkend.

- Bij beschikking van 16 maart 2015, nummer 1506, heeft de rechtbank te [plaatsnaam rechtbank] , Marokko, vastgesteld dat verzoeker afstamt van [ex moeder Y] (hierna: [ex moeder Y] ), met de wettelijke gevolgen die daaruit voortvloeien. Voor zover bekend is tegen deze beschikking geen rechtsmiddel ingesteld.

- Op 8 juli 2016 is, op grond van voormelde beschikking, door de ambtenaar van de burgerlijke stand een latere vermelding betreffende erkenning, waarin [ex moeder Y] als erkenner van verzoeker is vermeld, aan de geboorteakte van verzoeker toegevoegd.

- Uit een door verzoeker overgelegd rapport van 25 oktober 2017 van het Labaratoire de Police Scientifique, nummer [nr.] blijkt - na DNA-onderzoek - dat het biologisch vaderschap van [ex moeder Y] ten aanzien van verzoeker niet is uitgesloten.

- [ex moeder Y] heeft vanaf zijn geboorte uitsluitend de Nederlandse nationaliteit.

- Op 20 november 2017 is een aanvraag van verzoeker tot afgifte van een Nederlands paspoort door de minister van Buitenlandse Zaken niet in behandeling genomen, omdat niet kon worden vastgesteld dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit bezit. Daartegen is geen rechtsmiddel ingesteld.

Beoordeling

Vast staat dat tussen verzoeker en [ex moeder Y] geen familierechtelijke betrekking is ontstaan bij geboorte. [ex moeder Y] was immers niet gehuwd met de moeder van verzoeker en heeft verzoeker ook niet voor de geboorte erkend.

Krachtens artikel 4 lid 1, 2 en 4 RWN kan het Nederlanderschap ook later worden verkregen door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap of door erkenning.

Tussen partijen staat vast dat de rechtbank te [plaatsnaam rechtbank] , Marokko, op 16 maart 2015 heeft vastgesteld dat er tussen verzoeker en [ex moeder Y] naar Marokkaans recht een afstammingsrelatie bestaat. Op grond van artikel 10:100 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt deze beschikking in Nederland erkend. Daarmee staat vast dat tussen verzoeker en [ex moeder Y] naar Marokkaans recht sinds 16 maart 2015 een afstammingsrelatie bestaat en dat [ex moeder Y] ook in de Nederlandse rechtsorde de juridisch vader van verzoeker is.

In geschil is of verzoeker op grond van die vastgestelde afstammingsrelatie met [ex moeder Y] ook de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Hiervoor is van belang of de afstammingsrelatie naar Marokkaans recht tussen [ex moeder Y] en verzoeker kan worden gelijkgesteld met een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap als bedoeld in artikel 1:207 BW dan wel met een erkenning als bedoeld in artikel 1:203 BW.

De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens artikel 156 van de Code de la Famille is naar Marokkaans recht de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap alleen mogelijk onder de volgende voorwaarden:

- de man is verloofd met de moeder van het kind;

- de verloofden zijn bekend bij elkaars familie en de voogd van de vrouw heeft de verloving en het voorgenomen huwelijk goedgekeurd;

- er heeft aanbod en aanvaarding van het huwelijk plaatsgevonden maar door overmacht is geen akte opgemaakt van de huwelijksovereenkomst;

- de vrouw is zwanger geraakt tijdens de verloving.

Het vaderschap wordt vervolgens vastgesteld bij rechterlijke beslissing.

Verzoeker voert aan dat zijn moeder en [ex moeder Y] wel enige tijd met elkaar verloofd waren, maar dat het nog maar de vraag is of ten tijde van de zwangerschap van de moeder aan alle overige voorwaarden van de Marokkaanse wet werd voldaan.

Uit de beschikking van 16 maart 2015 blijkt van een toetsing door de Marokkaanse rechter aan de artikelen 152, 158, 160 en 162 van de Code de la Famille. Van een toetsing aan artikel 156 van de Code de la Famille, wat logisch zou zijn als sprake was van een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, blijkt niets. De rechtbank kan niet anders dan constateren dat de Marokkaanse rechter op grond van de artikelen 152, 158, 160 en 162 van de Code de la Famille heeft vastgesteld dat [ex moeder Y] heeft erkend dat hij de biologische vader van verzoeker is, zodat door de Marokkaanse rechter kon worden vastgesteld dat sprake is van een afstammingsrelatie tussen [ex moeder Y] en verzoeker. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval geen sprake van een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [ex moeder Y] naar Marokkaans recht, noch van een andere rechtsfiguur die gelijk is te stellen met een gerechtelijke vaststelling naar Nederlands recht.

Volgens artikel 160 van de Code de la Famille kan de afstamming worden vastgesteld doordat de vader de afstamming van een kind erkent. Daarvoor gelden de volgende voorwaarden:

  1. De vader die de erkenning aflegt is in het bezit van zijn verstandelijke vermogens.

  2. De afstamming van het kind op wie de erkenning betrekking heeft is onbekend.

  3. De aannemer van het vaderschap wordt niet door rede of gebruik gelogenstraft.

  4. De in het vaderschap aangenomene stemt in indien hij meerderjarig is ten tijde van de erkenning.

De door de vader aangewezen moeder van het kind kan zich tegen de erkenning verzetten.

Ingevolge artikel 161 van de Code de la Famille kan alleen de vader door erkenning afstamming vaststellen. Volgens artikel 162 van de Code de la Famille dient de erkenning te geschieden door een officiële getuigenis of door een handgeschreven verklaring welke geen twijfel laat.

Tussen partijen is op zich niet in geschil dat de beslissing ten aanzien van de afstammingsrelatie tussen verzoeker en [ex moeder Y] in Marokko in ieder geval kan worden gezien als een erkenning. De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of deze erkenning naar Marokkaans recht gelijk is te stellen aan de Nederlandse rechtsfiguur van erkenning.

Volgens artikel 1:203 lid 1 BW kan in Nederland een erkenning geschieden bij een akte van erkenning, opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand of bij notariële akte. Nietigheid van de erkenning ontstaat volgens artikel 1:204 BW onder meer wanneer niet voorafgaand schriftelijk toestemming door de vader of de moeder voor de erkenning is gegeven en wanneer bij ontbreken van die toestemming geen vervangende toestemming van de rechtbank is verkregen en wanneer er al twee ouders zijn. Op verschillende gronden, maar in elk geval omdat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, kan krachtens artikel 1:205 BW door het kind, door de erkenner of door de moeder een verzoek tot vernietiging van de erkenning worden gedaan.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de erkenning van verzoeker door [ex moeder Y] op grond van artikel 160 van de Marokkaanse Code de la Famille een vrijwillige erkenning van een kind door een man betreft, die gelijkgesteld kan worden aan de erkenning van een kind op grond van artikel 1:203 BW.

Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verzoeker door deze erkenning ook het Nederlanderschap heeft verkregen. Krachtens artikel 4 lid 4 RWN wordt Nederlander de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte, maar niet voor de leeftijd van zeven jaar wordt erkend door een Nederlander, die zijn biologisch ouderschap bij of binnen de termijn van één jaar na de erkenning aantoont.

Ten bewijze van het biologisch vaderschap is het rapport van 25 oktober 2017 van het Labaratoire de Police Scientifique, nummer [nr.] overgelegd. De rechtbank constateert dat met de overlegging van dit rapport niet aan de voorwaarden van artikel 4 lid 4 RWN voor de verkrijging van het Nederlanderschap is voldaan. Verzoeker is weliswaar tijdens zijn minderjarigheid door een Nederlander erkend, maar het biologisch vaderschap van [ex moeder Y] is niet binnen één jaar na die erkenning aangetoond door overlegging van een (rechtsgeldig) DNA-rapport.

De eis van artikel 4 lid 4 RWN dat een minderjarige vreemdeling die niet voor de leeftijd van zeven jaar door een Nederlander is erkend, door erkenning door een Nederlander slechts Nederlander wordt indien het biologisch ouderschap van de erkenner binnen één jaar na de erkenning is aangetoond, strekt ertoe te verhinderen dat erkenningen van minderjarige vreemdelingen door een Nederlander die noch biologisch, noch sociaal de ouder van het kind is, kunnen leiden tot verkrijging van rechtswege van het Nederlanderschap. Omdat het Nederlanderschap van het kind dat zeven jaar of ouder is, van rechtswege verkregen wordt op het tijdstip van de erkenning, indien de erkenner aantoont de biologische vader te zijn, zal het bewijs van het verwekkerschap kort na de erkenning geleverd moeten worden teneinde de periode van onzekerheid over de verkrijging van korte duur te laten zijn (Zie onder meer Kamerstukken II 2005-2006, 30 584 (R1811), nr. 3, p. 7). Naar vaste rechtspraak is die termijn van één jaar in het licht van de mogelijkheid om dat bewijs te verkrijgen of van de duur van die periode van onzekerheid, geen onredelijke termijn (Hoge Raad 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:570).

Dit alles betekent dat verzoeker niet op grond van artikel 4 lid 4 RWN, dan wel op enige andere grond, het Nederlanderschap heeft verkregen.

Beroep op artikel 14 EVRM

Verzoeker heeft zich beroepen op artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit artikel verplicht verdragsstaten de rechten en vrijheden, vermeld in het Verdrag, te garanderen zonder discriminatie op welke grond dan ook. De bepaling heeft een accessoir karakter. Uit de tekst van artikel 14 EVRM kan worden afgeleid dat het discriminatieverbod alleen kan worden ingeroepen in samenhang met een van de andere bepalingen uit het EVRM of een van de Protocollen.

Waar verzoeker zich beroept op artikel 14 juncto artikel 8 EVRM is de rechtbank van oordeel dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van strijd met (artikel 14 juncto) artikel 8 EVRM. De rechtbank verwijst in dat verband naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 mei 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV9435) waarin is overwogen dat aan artikel 8 EVRM noch aan enige andere bepaling van het EVRM het zelfstandige recht kan worden ontleend op de verkrijging van een bepaalde nationaliteit. Ook in voornoemde uitspraak van de Hoge Raad van 31 maart 2017 is overwogen dat “ook indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat in dit geval voor de toepassing van artikel 14 EVRM van enig onderscheid sprake is, de klacht faalt, aangezien voor dat onderscheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Het doel van het onderscheid is, zoals hiervoor in rov. 3.3.3 is weergegeven, dat wordt voorkomen dat een schijnerkenning tot verkrijging van rechtswege van het Nederlanderschap kan leiden. Dat is een legitiem doel.”.

Uit artikel 8 EVRM an sich vloeit geen verplichting voort tot nationaliteitsverlening en het artikel stelt geen beperkingen aan de nationale autonomie met betrekking tot de regeling van het nationaliteitsrecht. Het onthouden van een nationaliteit aan een persoon zou strijdig met voormelde bepaling van het EVRM kunnen zijn indien het “family life” of de sociale identiteit van de betreffende persoon door de (toepassing van de) nationale (nationaliteitsbepalingen) in het geding zijn. Echter in het onderhavige geval heeft verzoeker onvoldoende gesteld om tot de conclusie te kunnen komen dat zijn “family life” of zijn sociale identiteit of andere door artikel 8 EVRM beschermde belangen in het geding komen bij onverkorte toepassing van artikel 4 lid 4 RWN. Verzoeker wil graag de Nederlandse nationaliteit verkrijgen om daarmee bij zijn vader in Nederland te kunnen verblijven en om in Nederland zijn toekomstig bestaan op te bouwen. De rechtbank volgt verzoeker in zijn stelling (voor zover verzoeker dit heeft betoogd) dat de familiale band tussen hem en [ex moeder Y] bescherming verdient op grond van artikel 8 EVRM. Gesteld noch gebleken is echter dat deze band door de bepalingen in de RWN in gevaar zouden worden gebracht: verzoeker heeft de Marokkaanse nationaliteit en een Marokkaans paspoort waarmee hij naar Nederland kan reizen om invulling te geven aan zijn relatie met [ex moeder Y] en laatstgenoemde kan naar Marokko reizen. Dat dit geen ideale situatie is realiseert de rechtbank zich terdege, maar dat enkele gegeven kan niet alsnog leiden tot vaststelling het Nederlanderschap voor verzoeker.

De rechtbank zal het verzoek afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C. Sluymer, H.M. Boone en A.M. Gruschke, rechters, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 september 2019.