Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10254

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2019
Datum publicatie
17-10-2019
Zaaknummer
C/09/564486 / HA ZA 18-1223
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bevoegdheidsincident internationale bevoegdheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/564486 / HA ZA 18-1223

Vonnis in het bevoegdheidsincident en het voorwaardelijk vrijwaringsincident van 9 oktober 2019

in de zaak van

1 INMOBILIARIA VICA S.A., te Barcelona (Spanje),

2. ARD-CHOILLE B.V., te Den Haag,

eiseressen in de hoofdzaak, verweersters in het incident,

procesadvocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk,

behandeld advocaat mr. J.P. Koets te Haarlem,

tegen

1 AEGLE INTERNATIONAL LTD, te Tortola (Britse Maagdeneilanden),

gedaagde,

niet verschenen,

2. [gedaagde sub 2], te [plaats] (Spanje),

gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident,

advocaat mr. P. Sluijter te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Inmobiliaria, Ard-Choille, Aegle en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de gelijkluidende dagvaardingen van 30 augustus 2018, met producties;

  • -

    het op de rol van 12 december 2018 tegen Aegle verleende verstek;

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, tevens voorwaardelijk verzoek voor oproeping in vrijwaring van de zijde van [gedaagde sub 2] van 23 januari 2019, met productie;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid, tevens voorwaardelijk verzoek voor oproeping in vrijwaring van de zijde van Inmobiliaria en Ard-Choille van 20 februari 2019;

  • -

    het proces-verbaal van het pleidooi in de incidenten van 6 juni 2019 en de daarin vermelde stukken.

1.2.

Het proces-verbaal van het pleidooi is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Inmobiliaria, Ard-Choille en [gedaagde sub 2] hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. De brieven van 21 juni 2019 en 25 juni 2019 zijn aan het proces-verbaal gehecht. Het proces-verbaal wordt met inachtneming daarvan gelezen.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald in de incidenten.

2 De feiten voor zover van belang in de incidenten

2.1.

Eind 2007 hebben Banco Santander en Samos Servicios y Gestiones SLU (hierna: Samos), een vennootschap die is opgericht door de Engelse investeringsmaatschappij Sun Capital Partners Limited (hierna: Sun Capital) en Drago Real Estate Partners ltd. (hierna: Drago Real Estate), een sale and lease back overeenkomst gesloten met betrekking tot de vastgoedportefeuille van Banco Santander in Spanje. Inmobiliaria heeft daarbij bemiddeld voor Samos. Zij heeft hiervoor een succesvergoeding van € 5.300.000 betaald gekregen. De betaling vond plaats via de Nederlandse vennootschap Marway B.V. (hierna: Marway).

2.2.

Ard-Choille is een Nederlandse vennootschap die betaalmeesteractiviteiten voor buitenlandse partijen verricht.

2.3.

Op 8 februari 2008 hebben Ard-Choille en Sun Capital een financial advisory services agreement gesloten voor door Ard-Choille aan Sun Capital geleverde diensten voor de bemiddeling bij voormelde sale and lease back overeenkomst (hierna: de FASA). In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over de door Sun Capital aan Ard-Choille te betalen succesvergoeding en is aan Ard-Choille het recht verleend om diensten uit te besteden aan een derde. Artikel 12.9 van de FASA luidt, voor zover van belang, als volgt:

The Agreement shall be governed by and construed in accordance with the laws of England and the parties hereby submit to the non-exclusive jurisdiction of the courts of England”.

2.4.

Op 7 maart 2008 is tussen Ard-Choille, vertegenwoordigd door ITPS (Netherlands) B.V., en Aegle, vertegenwoordigd door ITPS (BVI) Ltd., een consultancy agreement tot stand gekomen (hierna: de Consultancy Agreement). In deze overeenkomst is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

Article 11 Governing Law and Arbitration

(…)

11.2

All disputes arising out of this Agreement or in connection with this Agreement shall be solely and finally settled by a court of arbitration consisting of three arbitrators in accordance with the international arbitration rules of the The Hague Chamber of Commerce and Industry. The place of arbitration shall be The Hague, the Netherlands.

(…)

2.5.

Op 10 maart 2008 hebben Ard-Choille, vertegenwoordigd door ITPS (Netherlands) B.V., en [gedaagde sub 2] een indemnity agreement gesloten (hierna: de Indemnity Agreement). In deze overeenkomst is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

1. The APPROVED PERSON [ [gedaagde sub 2] , rb] covenants and agrees to hold ARD-CHOILLE personally harmless against any and all claims, demands, actions, suits, proceedings, and to indemnify ARD-CHOILLE for any costs, expenses or damages including without limitation attorney’s fees (collectively “Claims”) arising out of or in connection with of resulting from ARD-CHOILLE entering into the Financial Advisory Services Agreement with SUN CAPITAL and to pay ARD-CHOILLE any amount that the latter has to pay SUN CAPITAL or any other third party on account of the latter, due to any provision, guarantee, obligation, covenant, indemnity or any other clause under the Financial Advisory Services Agreement or any subsequent amendment, reinstatement, side letter to the same or any other agreement previously accepted by AEGLE in the provision of the services sub-contracted under the Consultancy Agreement. ARD-CHOILLE is, however, not indemnified against Claims resulting from its own negligence.

(…)

4. For all claims and disputes arising out or relating to the present Indemnity the District Court of The Hague, the Netherlands shall have exclusive jurisdiction.”

2.6.

Bij brief van 15 maart 2018 heeft Inmobiliaria Ard-Choille aansprakelijk gesteld voor de schade die zij als gevolg van de door [gedaagde sub 2] en Aegle jegens haar gepleegde onrechtmatige daad heeft geleden.

2.7.

In reactie hierop heeft Ard-Choille bij brief van 5 juli 2018 aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.8.

Op 17 juli 2018 hebben Inmobiliaria en Ard-Choille bij de rechtbank Den Haag gezamenlijk een verzoekschrift ingediend tot het leggen van conservatoir beslag onder derden en op aandelen ten laste van Aegle en [gedaagde sub 2] .

2.9.

Op 2 augustus 2018 heeft (de heer [A] namens) The United Trust Company N.V. per e-mail aan (de heer [B] van) ITPS (Netherlands) B.V. het volgende bericht:

Hierbij bevestig ik nog eens mij namens Aegle akkoord te verlenen met een forumkeuze voor de rechter te Den Haag voor de door Ard-Choille met Inmobiliaria Vica tegen Aegle en [gedaagde sub 2] aan te vangen procedure”.

3 De vordering in de hoofdzaak

3.1.

Inmobiliaria en Ard-Choille vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde sub 2] en Aegle hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan Inmobiliaria van een bedrag van € 5.300.000, te vermeerderen met 8% rente, althans de wettelijke rente vanaf 5 februari 2008, althans een door de rechtbank te bepalen datum, tot de dag der algehele voldoening;

2. [gedaagde sub 2] en Aegle hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan Ard-Choille van haar schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

3. [gedaagde sub 2] en Aegle hoofdelijk zal veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten.

3.2.

Hieraan leggen Inmobiliaria en Ard-Choille ten grondslag dat [gedaagde sub 2] en Aegle onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld.

3.3.

De onrechtmatige daad van [gedaagde sub 2] jegens Inmobiliaria bestaat uit:

- het op basis van een misleidende voorstelling van zaken Inmobiliaria ertoe bewegen genoegen te nemen met de helft van de aan haar toekomende succesvergoeding om vervolgens met hulp van Aegle zichzelf de andere helft toe te eigenen;

- het onder valse voorwendselen gebruik maken van twee betalingsstructuren in plaats van één betalingsstructuur om op die manier de betaling aan hem via Aegle ter zake de succesvergoeding te verbergen;

- het inhuren van ITPS Netherlands B.V. voor het opzetten van de betalingsstructuren.

3.4.

De onrechtmatige daad van Aegle jegens Inmobiliaria bestaat eruit dat Aegle heeft meegewerkt aan het uitvoeren van de door [gedaagde sub 2] jegens Inmobiliaria gepleegde onrechtmatige daad door de helft van de aan Inmobiliaria toekomende succesvergoeding in ontvangst te nemen en door te betalen aan [gedaagde sub 2] .

3.5.

De onrechtmatige daad van [gedaagde sub 2] en Aegle jegens Ard-Choille is erin gelegen dat zij Ard-Choille hebben gebruikt om de onrechtmatige daad jegens Inmobiliaria te plegen dan wel uit te voeren. [gedaagde sub 2] heeft de helft van de aan Inmobiliaria toekomende succesvergoeding laten overmaken naar Ard-Choille en haar de instructie gegeven om die helft door te betalen aan Aegle, die op haar beurt heeft doorbetaald aan [gedaagde sub 2] .

3.6.

Inmobiliaria lijdt schade door het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 2] en Aegle. Deze schade bedraagt de door haar misgelopen succesvergoeding, zijnde € 5.300.000.

3.7.

De schade die Ard-Choille als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 2] en Aegle heeft geleden is erin gelegen dat zij aansprakelijk is gesteld door Inmobiliaria en als gevolg daarvan kosten heeft moeten maken om zich hiertegen te verweren en dat zij daarnaast reputatieschade heeft geleden, waardoor zij opdrachten is misgelopen en winst heeft gederfd.

4 Het geschil in de incidenten

4.1.

[gedaagde sub 2] vordert primair dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om kennis te nemen van de vorderingen van Inmobiliaria en Ard-Choille. Hiertoe voert [gedaagde sub 2] aan dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van die vorderingen.

4.2.

Inmobiliaria en Ard-Choille voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.3.

Subsidiair, voor het geval de Nederlandse rechter wel rechtsmacht aanneemt, vordert [gedaagde sub 2] dat hem wordt toegestaan om de heer [X] (hierna: [X] ) in vrijwaring op te roepen. Hiertoe voert hij, samengevat, aan dat, indien in de hoofdzaak komt vast te staan dat hij schadeplichtig is jegens Inmobiliaria en Ard-Choille, zijn voormalig zakenpartner [X] hem dient te vrijwaren omdat [X] volgens Inmobiliaria en Ard-Choille aanwezig was bij de gesprekken waarop zij hun vorderingen baseren en [X] de betalingsstructuur zou hebben geregeld. [gedaagde sub 2] stelt dat hij bovendien op grond van de door hem met [X] gesloten partnership agreement regres op hem kan nemen. [gedaagde sub 2] verzoekt de rechtbank om een dagvaardingstermijn van drie maanden te hanteren.

4.4.

Inmobiliaria en Ard-Choille refereren zich in het (voorwaardelijk) incident tot vrijwaring aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat zij de rechtbank verzoeken om [gedaagde sub 2] een reguliere termijn voor het nemen van de conclusie van antwoord te geven teneinde onnodige vertraging in de procedure te voorkomen.

5 De beoordeling

Bevoegdheid

5.1.

De primaire vordering in het incident van [gedaagde sub 2] ziet op de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van de vorderingen die tegen hem zijn ingesteld. Aegle is niet verschenen. De rechtbank behoort ambtshalve ook haar bevoegdheid ten aanzien van de vorderingen van Inmobiliaria en Ard-Choille tegen Aegle te toetsen.

(i) Ten aanzien van de vordering van Inmobiliaria jegens [gedaagde sub 2]

5.2.

Zoals partijen onderkennen dient de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, te worden beantwoord aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1 (hierna: Brussel I bis-Verordening). Inmobiliaria en [gedaagde sub 2] zijn immers beide gevestigd op het grondgebied van lidstaten van de Europese Unie en de vordering in de hoofdzaak betreft een burgerlijke of handelszaak en is ingesteld na 10 januari 2015 (zie artikel 4, 5 en 66 lid 1 Brussel I bis-Verordening).

5.3.

Bij de beoordeling van de incidentele vordering van [gedaagde sub 2] stelt de rechtbank voorop dat de considerans bij de Brussel I bis-Verordening, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

(15) De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder (…).

(16) Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was (…)”.

5.4.

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) volgt dat de rechter die in het kader van de toepassing van (de voorlopers van) de Brussel I bis-Verordening onderzoekt of hem bevoegdheid toekomt, zich bij dit onderzoek niet dient te beperken tot de stellingen van de eisende of verzoekende partij, maar ook acht moet slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en, in voorkomend geval, op de stellingen van de verwerende partij. Wel geldt in dit verband de beperking dat indien de verwerende partij de stellingen van de eisende of verzoekende partij betwist, de rechter in het kader van de bepaling van zijn bevoegdheid geen gelegenheid hoeft te geven voor bewijslevering. Het onderzoek naar de bevoegdheid aan de hand van de Unierechtelijke instrumenten mag dus niet plaatsvinden op basis van enkel de door de eisende of verzoekende partij gekozen grondslag van haar vordering of verzoek (HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443 onder verwijzing naar HvJEU 28 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:37, Kolassa/Barclays Bank, HvJEU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:449, Universal Music/Schilling en HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694).

5.5.

In artikel 4 van de Brussel I bis-Verordening is bepaald dat, onverminderd deze verordening, zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Gelet op deze hoofdregel dient [gedaagde sub 2] in beginsel voor de Spaanse rechter te worden opgeroepen. Uit artikel 5 Brussel I bis-Verordening volgt dat slechts afwijking van deze hoofdregel mogelijk is op grond van de regels die zijn neergelegd in de afdelingen 2 tot en met 7 (de artikelen 7 tot en met 26) van hoofdstuk II Brussel I bis-Verordening. Derhalve is de vraag aan de orde of sprake is van een (van de hoofdregel afwijkende) bijzondere bevoegdheidsgrond die de Nederlandse rechter rechtsmacht verleent om van de vordering van Inmobiliaria kennis te nemen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval. Daartoe is het volgende redengevend.

5.6.

Inmobiliaria voert in de eerste plaats aan dat de Nederlandse rechter bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 7 sub 2 van de Brussel I bis-Verordening.

5.7.

De rechtbank overweegt dat op grond van die bepaling een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat – zoals [gedaagde sub 2] – ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad (ook) kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan.

5.8.

Artikel 7 sub 2 van de Brussel I bis-Verordening is de opvolger van het gelijkluidende artikel 5 sub 3 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG 2001, L 12/1 (hierna: Brussel I-Verordening). De considerans van de Brussel I bis-Verordening vermeldt in dat verband: “De continuïteit tussen het Verdrag van Brussel van 1968, Verordening (EG) nr. 44/2001 (de Brussel I-Verordening; rechtbank) en deze verordening moet gewaarborgd worden (…). Deze continuïteit moet ook gelden voor de uitleg door het Hof van Justitie van de Europese Unie van het Verdrag van Brussel van 1968 en de verordening ter vervanging daarvan”. De rechtspraak van het Hof van Justitie over (de uitleg van) artikel 5 sub 3 van de Brussel I-Verordening geldt daarom ook voor (de uitleg van) artikel 7 sub 2 van de Brussel I bis-Verordening.

5.9.

Uit die rechtspraak volgt dat artikel 7 sub 2 van de Brussel I bis-Verordening als volgt moet worden uitgelegd. Onder de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of kan voordoen is begrepen zowel de plaats van de gebeurtenis die de oorzaak van de schade is (het “Handlungsort”) als de plaats waar de schade is ingetreden (het “Erfolgsort”). De verweerder kan daarom in zoverre naar de keuze van de eiser voor het gerecht van de ene dan wel van de andere plaats worden opgeroepen (HvEG 30 november 1976, ECLI:EU:C:1976:166, Bier/Mines de potasse d’Alsace, HvJEU 19 april 2012, ECLI:EU:C:2012:220, Wintersteiger, HvJEU 28 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:37, Kolassa/Barclays Bank, en HvJEU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016, 449, Universal Music/Schilling). Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de bijzondere bevoegdheidsregels uit Hoofdstuk II, afdeling 2 van de Brussel I bis-Verordening, dus ook de bevoegdheid van artikel 7 sub 2, strikt en autonoom moet worden uitgelegd (HvJEU 16 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:305, Melzer/MF Global, HvJEU 5 juni 2014:ECLI:EU:C:2014:1318, Coty Germany/First Note Perfumes, en HvJEU 10 september 2015, ECLI:EU:C:2015:574, Holterman Ferho Exploitatie).

5.10.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie berust de bevoegdheidsregel van artikel 7 sub 2 van de Brussel I bis-Verordening op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en de gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen, zodat het uit oogpunt van een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting gerechtvaardigd is dat deze gerechten bevoegd zijn. Ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad is het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich dreigt voor te doen volgens het Hof van Justitie immers normaliter het beste in staat om uitspraak te doen, vooral omdat de afstand geringer is en de bewijsvoering gemakkelijker (HvJEU 21 mei 2015, ECLI:EU:C:2015:335, CDC/Akzo Nobel, HvJEU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016, 449, Universal Music/Schilling en HvJEU 17 oktober 2017, ECLI:EU:C:2017:766, Bolagsupplysningen en Ilsjan).

5.11.

Partijen zijn het er over eens dat de Nederlandse rechter te dezen geen bevoegdheid kan ontlenen aan het “Erfolgsort”. De rechtbank volgt hen hierin. De (gestelde) schade is geleden in Spanje waar Inmobiliaria is gevestigd.

5.12.

Resteert het “Handlungsort”.

5.13.

Inmobiliaria stelt dat het “Handlungsort” zich in Nederland bevindt. Zij verwijt [gedaagde sub 2] dat hij haar, in een tweetal in Spanje gehouden besprekingen, valselijk heeft voorgehouden dat de helft van de aan haar toekomende succesvergoeding moest worden betaald aan vier andere adviseurs en dat hij door zijn (hiervan afwijkende) latere instructie aan Ard-Choille het geld via Aegle naar zichzelf heeft toegesluisd. Dit betekent dat, hoewel de misleiding door [gedaagde sub 2] van Inmobiliaria in Spanje heeft plaatsgevonden, die misleiding gestalte kreeg in Nederland door de instructie van [gedaagde sub 2] aan de aldaar gevestigde betaalmeester Ard-Choille. Nederland kan worden beschouwd als het “Handlungsort”, aldus nog steeds Inmobiliaria.

5.14.

[gedaagde sub 2] betwist dit. Hij voert daartoe aan dat hem wordt verweten dat hij bedrog zou hebben gepleegd en dat in dat geval de plaats waar de beweerdelijk misleidende of onjuiste mededelingen zijn gedaan heeft te gelden als de plaats waar de onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden. Die mededelingen zouden volgens Inmobiliaria zijn gedaan in Spanje. Het “Handlungsort” is dus in Spanje te lokaliseren. De vermeende instructies die [gedaagde sub 2] nadien aan Ard-Choille zou hebben gegeven vonden plaats nadat Inmobiliaria naar eigen zeggen kenbaar had gemaakt dat zij genoegen nam met de helft van de succesvergoeding en betreffen dus louter handelingen die zijn verricht nadat de gestelde schade is gerealiseerd en die bovendien voor Inmobiliaria geen effect meer hadden, aldus [gedaagde sub 2] .

5.15.

De rechtbank overweegt als volgt. De feiten die Inmobiliaria als onrechtmatige daad van [gedaagde sub 2] aanmerkt hebben zich voorgedaan in Spanje en in Nederland. Nu sprake is van een reeks verweten handelingen en gebeurtenissen gaat het er om de daadwerkelijk schadeveroorzakende gebeurtenis vast te stellen (HvJEU 5 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:553, flyLAL/Air Baltic). Uit de stellingen van Inmobiliaria volgt dat [gedaagde sub 2] in een tweetal besprekingen in Spanje Inmobiliaria ertoe bewogen zou hebben om ten gunste van vier adviseurs genoegen te nemen met de helft van de succesvergoeding en om ermee in te stemmen dat de betaling van de succesvergoeding via een Nederlandse rechtspersoon zou plaatsvinden. Dat [gedaagde sub 2] vervolgens niet één maar twee in Nederland gevestigde betaalmeesters zou hebben aangewezen en aan één daarvan (Ard-Choille) de instructie zou hebben gegeven om aan Aegle in plaats van aan de vier adviseurs te betalen, zijn handelingen waarmee uitvoering is gegeven aan dit eerdere gestelde gepleegde bedrog. Dat Inmobiliaria deze handelingen kwalificeert als een afzonderlijke onrechtmatige daad naast het in Spanje gestelde onrechtmatige gepleegde bedrog betekent niet dat het schadeveroorzakende feit dus in Nederland is gelegen. Ook die handelingen in Nederland vinden hun oorsprong in het bedrog dat in Spanje zou zijn gepleegd. De rechtbank verwijst in dit verband naar de rechtspraak van het Hof van Justitie, waarin is geoordeeld dat in kartelschadezaken het “Handlungsort” moet worden vastgesteld op de plaats waar de mededingingsbeperkende afspraken zijn gemaakt en niet de plaats waar die afspraken ten uitvoer zijn gelegd (zie HvJEU 21 mei 2015, ECLI:EU:C:2015:335 CDC/Akzo Nobel, en HvJEU 5 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:553 flyLAL/Air Baltic). Dit betekent dat het “Handlungsort” zich in Spanje bevindt.

5.16.

Uit het voorgaande volgt dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 sub 2 van de Brussel I bis-Verordening geen rechtsmacht heeft.

5.17.

Inmobiliaria stelt in de tweede plaats dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt op grond van artikel 8 sub 1 van de Brussel I bis-Verordening. Daartoe voert Inmobiliaria aan dat Aegle woonplaats houdt op Curaçao en dus (volgens haar) in een van de lidstaten die is aangesloten bij de Brussel I bis-Verordening (te weten Nederland). Voor zover de rechtbank hierover anders zou oordelen, zijn Ard-Choille en Aegle een rechtsgeldige forumkeuze voor deze rechtbank zovereengekomen, die ook ten aanzien van [gedaagde sub 2] rechtsmacht met zich brengt.

5.18.

De rechtbank overweegt dat artikel 8 sub 1 van de Brussel I bis-Verordening de eiser de mogelijkheid geeft om in een geval waarin er meerdere verweerders zijn een verweerder op te roepen voor het gerecht van de woonplaats van één van de andere verweerders. Deze bevoegdheidsgrond geldt als een alternatief ten opzichte van de hoofdregel van artikel 4 sub 1 van de Brussel I bis-Verordening. Dit betekent dat artikel 8 sub 1 van de Brussel I bis-Verordening slechts geldt ten opzichte van verweerders met een woonplaats in een lidstaat. Dit volgt ook uit de rechtspraak van het Hof van Justitie, waarin is bepaald dat een verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat niet op grond van artikel 6 sub 1 van de Brussel I Verordening, thans artikel 8 sub 1 van de Brussel I bis-Verordening, in een andere lidstaat kan worden opgeroepen voor het gerecht waar een vordering aanhangig is gemaakt tegen een medeverweerder die geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat (HvJEG 27 oktober 1998, ECLI:NL:XX:1998: AD2952, NJ 2000, 156, Réunion européenne /Spliethof). Zoals hierna in rov. 5.21 zal worden toegelicht, volgt uit de omstandigheid dat Aegle kantoor zou houden op Curaçao niet dat zij ook woonplaats als bedoeld in de Brussel I bis-Verordening heeft in Nederland (of op het grondgebied van een andere lidstaat). Dit betekent dat, daargelaten of sprake is van een rechtsgeldige forumkeuze tussen Aegle en Ard-Choille voor deze rechtbank, het aanwijzen van een gerecht van een lidstaat geen woonplaats voor partijen in die lidstaat schept. Gewezen wordt in dit verband ook op artikel 63 van de Brussel I bis-Verordening, dat bepaalt dat een vennootschap en een rechtspersoon, zoals Aegle, voor de toepassing van de Brussel I bis-Verordening woonplaats heeft in de plaats van hun statutaire zetel of hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging en niet (ook) op de plaats waar het door partijen voor de kennisneming van een geschil aangewezen gerecht zetelt.

5.19.

Het voorgaande betekent dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt op grond van artikel 8 sub 1 van de Brussel I bis-Verordening.

5.20.

De slotsom is dat deze rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van Inmobiliaria tegen [gedaagde sub 2] , aangezien hij zijn woonplaats heeft in Spanje (artikel 4 Brussel I bis-Verordening) en niet op grond van bijzondere bevoegdheidsgronden van (artikel 7 sub 2 en artikel 8 sub 1 van) de Brussel I bis-Verordening kan worden opgeroepen voor de rechter in Nederland.

(ii) Ten aanzien van de vordering van Inmobiliaria jegens Aegle

5.21.

Aegle is statutair gevestigd op de Britse Maagdeneilanden en houdt volgens Inmobiliaria en Ard-Choille kantoor op Curaçao. De Britse Maagdeneilanden en Curaçao behoren tot de groep van landen en gebieden die in het recht van de Europese Unie de status hebben van ‘landen en gebieden overzee’ (LGO) en dus niet tot het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie. Dit volgt uit de in het tweede lid van artikel 355 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), genoemde bijlage II, welke bijlage een lijst bevat van LGO’s (PbEU 2010, C 83/47). De Brussel I bis-Verordening is gebaseerd op artikel 81 VWEU. Dit artikel maakt deel uit van het derde deel van de VWEU, inzake ‘Het beleid en intern optreden van de Unie’. Op LGO’s is dit derde deel van de VWEU niet van toepassing. Dit betekent dat de Nederlandse rechter jegens een verweerder uit een LGO – zoals de Britse Maagdeneilanden en Curaçao – geen rechtsmacht kan ontlenen aan enige bevoegdheidsregel in de Brussel I bis-Verordening. Dit is slechts anders indien sprake is van een forumkeuze als bedoeld in artikel 25 van de Brussel I bis-Verordening. Deze bepaling geldt immers ongeacht de woonplaats van partijen.

5.22.

Inmobiliaria stelt, althans zo begrijpt de rechtbank, dat in het forumkeuze beding dat Aegle en Ard-Choille op 2 augustus 2018 zijn overeengekomen ook de rechtsmacht van de Nederlandse rechter wordt aanvaard voor zover de procedure wordt aangevangen door Inmobiliaria. Inmobiliaria beroept zich dus op artikel 25 van de Brussel I bis-Verordening.

5.23.

De rechtbank volgt het standpunt van Inmobiliaria niet. Een forumkeuzebeding werkt in beginsel alleen tussen de partijen door wie het forumkeuzebeding tot stand is gebracht. Zij zijn immers degene tussen wie wilsovereenstemming is bereikt ten aanzien van de bevoegde rechter (HvJEU 21 mei 2015, ECLI:EU:C:2015:335 CDC/Akzo Nobel). Ongeacht of sprake is van een rechtsgeldig forumkeuzebeding tussen Aegle en Ard-Choille (hierover verschillen Inmobiliaria en Aegle), leidt de omstandigheid dat in het e-mailbericht van de zijde van Aegle van 2 augustus 2018 wordt gesproken over een door Ard-Choille “met” Inmobiliaria aan te vangen procedure tegen Aegle, er niet toe dat de in die e-mail gestelde gemaakte forumkeuze ook geldt in de rechtsverhouding tussen Inmobiliaria en Aegle. Immers, gesteld noch gebleken is dat Inmobiliaria op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de totstandkoming van de gestelde afspraken tussen Aegle en Ard-Choille, dat Ard-Choille heeft gehandeld ten behoeve van Inmobiliaria of dat Aegle rechtstreeks aan Inmobiliaria kenbaar heeft gemaakt dat zij wenste dat (ook) hun geschil zou worden voorgelegd aan hetzelfde gerecht. Daarbij dient te worden bedacht dat, zo blijkt uit de brief van Ard-Choille van 5 juli 2018, het verzoekschrift van 17 juli 2018 en de stellingen uit de dagvaarding, Inmobiliaria en Ard-Choille op 2 augustus 2018 al samen optrokken tegen Aegle. Onder die omstandigheden brengt de enkele eenzijdige (in deze procedure gedane) aanvaarding door Inmobiliaria van de gestelde forumkeuze tussen Ard-Choille en Aegle niet met zich mee dat die forumkeuze ook van toepassing is op de rechtsverhouding tussen Inmobiliaria en Aegle. De rechtbank kan derhalve aan het bepaalde in artikel 25 van de Brussel I bis-Verordening geen rechtsmacht ontlenen.

5.24.

Andere internationale regelingen of verdragen op het gebied van rechterlijke bevoegdheid missen toepassing. De vraag of deze rechtbank bevoegd is kennis te nemen van de vordering van Inmobiliaria tegen Aegle dient dan ook te worden beantwoord volgens de regels van het Nederlands commuun internationaal bevoegdheidsrecht van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), zoals de artikelen 1 tot en met 14 Rv (HR 2 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1063).

5.25.

Nu Aegle geen woonplaats heeft in Nederland komt de Nederlandse rechter – gelet op de hoofdregel van artikel 2 Rv – in beginsel geen rechtsmacht toe. De artikelen 3, 4, 5, 6a, 9 en 10 Rv zijn, gelet op de inhoud van die bepalingen, niet op de onderhavige zaak van toepassing. Omdat de vordering van Inmobiliaria betrekking heeft op een verbintenis uit onrechtmatige daad, dient te worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van artikel 6 sub e Rv. Dat is het geval indien, zo bepaalt artikel 6 sub e Rv, het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen.

5.26.

Bij de invoering en latere wijzigingen van artikel 1 tot en met 14 Rv heeft de Nederlandse wetgever aansluiting gezocht bij, onder meer, de voorlopers van de Brussel I bis-Verordening. Bij de uitleg van de commune regels voor internationale rechtsmacht moet in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het Hof van Justitie over (de voorlopers van) de Brussel I bis-Verordening. Dit is slechts anders indien aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever heeft beoogd om bij de inrichting van een commune regel af te wijken van de Unierechtelijke instrumenten of de uitleg daarvan door het Hof van Justitie (HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443).

5.27.

Aangezien artikel 6 sub e Rv is ontleend aan (de voorlopers van) artikel 7 sub 2 van de Brussel I bis-Verordening, dient voor de uitleg van artikel 6 sub e Rv aansluiting te worden gezocht bij (de voorlopers van) dat artikel. Dit betekent dat het toetsingskader dat de rechtbank hanteert bij de beoordeling van de rechtsmacht ten aanzien van de vordering van Inmobiliaria tegen [gedaagde sub 2] op grond van artikel 7 sub 2 van de Brussel I bis-Verordening (zie rov. 5.8-5.10), ook geldt ten aanzien van de vordering tegen Aegle.

5.28.

De rechtbank begrijpt de stellingen van Inmobiliaria aldus dat zij Aegle verwijt te hebben meegewerkt aan de onrechtmatige daad die [gedaagde sub 2] jegens Inmobiliaria heeft gepleegd door de door Ard-Choille verrichte betaling van € 5.300.000 in ontvangst te nemen en door te betalen aan [gedaagde sub 2] . Zoals hiervoor in rov. 5.15 overwogen geldt Spanje als de plaats van het schadebrengende feit van de gestelde onrechtmatige daad van [gedaagde sub 2] jegens Inmobiliaria. Aangezien de aan Aegle verweten onrechtmatige handelingen hiervan onderdeel uitmaken, heeft Spanje ook ten aanzien van die handelingen te gelden als het “Handlungsort”. Dit geldt te meer daar [gedaagde sub 2] volgens de eigen stellingen van Inmobiliaria ten tijde van de verweten handelingen enig aandeelhouder van Aegle was. Voor zover Inmobiliaria betoogt dat Nederland moet worden beschouwd als “Handlungsort” omdat Aegle vanuit Curaçao (waar zij bankierde) heeft gehandeld en Curaçao behoort tot Nederland, faalt dit betoog. Het eiland Curaçao is immers een autonoom land binnen het Koninkrijk der Nederland met eigen wetgeving en een eigen rechtssysteem. Een bijzonder nauw verband tussen enerzijds de vordering van Inmobiliaria op Aegle en de daaraan ten grondslag liggende gestelde onrechtmatige gedragingen en anderzijds de Nederlandse rechter ontbreekt dan ook. Nu verder niet in geschil is dat het “Erfolgsort” in Spanje is gelegen, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 6 sub e Rv geen rechtsmacht toe.

5.29.

De rechtbank overweegt verder dat aan artikel 7 Rv evenmin rechtsmacht kan worden ontleend, omdat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van Inmobiliaria tegen [gedaagde sub 2] (zie rov. 5.2-5.20 hiervoor). Nu ook geen sprake is van een tussen Aegle en Inmobiliaria overeengekomen forumkeuze (zie rov. 5.23 hiervoor), heeft de Nederlandse rechter ook op grond van artikel 8 Rv geen rechtsmacht.

5.30.

Geconcludeerd kan worden dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van Inmobiliaria tegen Aegle.

(iii) Ten aanzien van de vordering van Ard-Choille jegens Aegle

5.31.

De Nederlandse rechter kan, zoals hiervoor overwogen (rov. 5.21), jegens Aegle geen rechtsmacht ontlenen aan de Brussel I bis-Verordening behoudens voor zover sprake is van een forumkeuze als bedoeld in artikel 25 van de Brussel I bis-Verordening.

5.32.

Ard-Choille stelt dat sprake is van een forumkeuze. Zij beroept zich in dat verband op artikel 11.2 van de Consultancy Agreement en het e-mailbericht van 2 augustus 2018.

5.33.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep van Ard-Choille op artikel 11.2 van de Consultancy Agreement niet slaagt. In dit artikel is immers arbitrage overeengekomen. Dat het aangewezen Haagse arbitrage-instituut niet meer bestaat, betekent niet zonder meer dat deze rechtbank hiervoor in de plaats mag worden gelezen. Ard-Choille heeft onvoldoende aanknopingspunten aangedragen om dit te kunnen aannemen, ook in het licht van de omstandigheid dat de Consultancy Agreement een uitvloeisel is van de FASA waarin de rechtsmacht voor de “courts of England” is gevestigd.

5.34.

Daarentegen is de rechtbank, met Ard-Choille, van oordeel dat Ard-Choille zich wel kan beroepen op de in het e-mailbericht van 2 augustus 2018 van The United Trust Company N.V. aan ITPS (Netherlands) B.V. vastgelegde forumkeuze. Uit dit e-mailbericht blijkt dat Ard-Choille en Aegle zijn overeengekomen dat zij hun geschil willen voorleggen aan deze rechtbank. Het enkele feit dat twee verschillende bestuurders die onderdeel uitmaken van één onderneming (ITPS) een overeenkomst sluiten over de aanwijzing van de bevoegde rechter, is onvoldoende om te kunnen aannemen dat een gebrek aan die overeenkomst kleeft. Partijen die verdeeld zijn over een inhoudelijke kwestie, zoals aansprakelijkheid, kunnen er juist belang bij hebben om samen een rechter aan te wijzen die zal beslissen over die kwestie. Een forumkeuze is bij uitstek bedoeld voor situaties waarin tussen partijen een geschil is ontstaan of in de toekomst zal kunnen ontstaan (en dus een tegenstrijdig belang hebben). Dat Aegle, hoewel op deugdelijke wijze gedagvaard, niet is verschenen in de procedure is in het licht van haar e-mailbericht van 2 augustus 2018 opmerkelijk, maar daarvoor kan zij allerlei redenen hebben gehad. Ook die omstandigheid doet aan de rechtsgeldigheid van het forumkeuzebeding daarom niet af.

5.35.

Een andere vraag is of het tussen Ard-Choille en Aegle overeengekomen forumkeuzebeding, via de weg van artikel 8 Rv, rechtsmacht ten aanzien van [gedaagde sub 2] schept. Voor zover van belang, zal dit hierna bij de bespreking van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter met betrekking tot de vordering van Ard-Choille op [gedaagde sub 2] aan de orde komen. Voor de rechtsgeldigheid van het forumkeuzebeding tussen Ard-Choille en Aegle doet dit echter niet ter zake.

5.36.

De slotsom is dat deze rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van Ard-Choille op Aegle.

(iv) Ten aanzien van de vordering van Ard-Choille op [gedaagde sub 2]

5.37.

Zoals hiervoor overwogen (zie rov. 5.2) dient aan de hand van de Brussel I bis-Verordening te worden bepaald of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van [gedaagde sub 2] . Conform de hoofdregel van artikel 4 van de Brussel I bis-Verordening dient [gedaagde sub 2] te worden opgeroepen voor de gerechten van Spanje, nu hij daar woonplaats heeft. Beoordeeld dient te worden of een bijzondere bevoegdheidsgrond aanwezig is die ertoe leidt dat deze rechtbank bevoegd is. Ard-Choille doet in dat kader een beroep op artikelen 7 sub 2, 8 en 25 van de Brussel I bis-Verordening.

5.38.

De rechtbank overweegt met betrekking tot artikel 7 sub 2 van de Brussel I bis-Verordening dat het “Handlungsort” in dit geval in Spanje is gelegen. Verwezen wordt naar rov. 5.15 hiervoor. De rechtbank voegt daar aan toe dat gesteld noch gebleken is dat [gedaagde sub 2] vanuit Nederland instructies heeft gegeven aan Ard-Choille. Uit de producties bij de dagvaarding, in het bijzonder het als productie 17 overgelegde e-mailbericht van de Spaanse advocaat van [gedaagde sub 2] aan ITPS (Netherlands) B.V., lijkt juist te volgen dat de betalingsstructuur is opgezet, althans dat het initiatief daartoe ondernomen is, vanuit Spanje door de Spaanse advocaten van [gedaagde sub 2] en Sun Capital. De enkele omstandigheid dat Ard-Choille de betaling aan Aegle vanuit Nederland heeft verricht, maakt dat land, in de gegeven omstandigheden, niet tot “Handlungsort”.

5.39.

Ard-Choille stelt dat het “Erfolgsort” als bedoeld in artikel 7 sub 2 Brussel bis I-verordening gelegen is in Nederland. Zij voert daartoe aan dat zij op instigatie van [gedaagde sub 2] het geld vanuit Nederland, waar het centrum van haar activiteiten zich bevindt, en vanaf haar Nederlandse bankrekening heeft overgemaakt naar Aegle. [gedaagde sub 2] heeft bewust de Nederlandse rechtssfeer opgezocht en een Nederlandse vennootschap benaderd. De reputatie van Ard-Choille is geschonden, nu zij betrokken is geraakt bij een procedure in Spanje in verband met (de betrokken partijen bij) de vastgoedtransactie en de publiciteit die hieraan is besteed in het buitenland (waaronder Spanje). Zij krijgt geen opdrachten meer. Daarnaast heeft zij kosten (voor juridisch advies) moeten maken om zich te verweren tegen de aansprakelijkstelling van Inmobiliaria. De schade bestaat uit vermogensschade en andere schade, te weten reputatie- en gevolgschade, aldus steeds Ard-Choille.

5.40.

[gedaagde sub 2] stelt dat geen sprake is van een “Erfolgsort” in Nederland, omdat Ard-Choille stelt indirect via reputatieschade ook vermogensschade in Nederland te hebben geleden, alle gestelde onrechtmatige gedragingen van [gedaagde sub 2] in Spanje hebben plaatsgevonden en Nederland niet het centrum van de activiteiten van Ard-Choille is. Verder voert zij onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Dumez France (HvJEG 11 januari 1990, ECLI:EU:C:1990:8) aan dat het “Erfolgsort” niet in Nederland is gelegen omdat Ard-Choille een beweerdelijk indirect benadeelde van de jegens Inmobiliaria gepleegde onrechtmatige daad is.

5.41.

De rechtbank overweegt als volgt. De “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” mag volgens het Hof van Justitie niet zo ruim worden uitgelegd dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt (HvJEG19 september 1995, ECLI:EU:C:1995:289, Marinari/Lloyd’s Bank). Bijgevolg kan dit begrip niet zo ruim worden uitgelegd dat het ook ziet op de plaats waar de verzoeker woont of waar zich het centrum van zijn vermogen bevindt op de enkele grond dat hij aldaar financiële schade heeft geleden die voortvloeit uit het in een andere verdragsluitende staat ingetreden en door hem geleden verlies van onderdelen van zijn vermogen (HvJEU 10 juni 2004, ECLI:EU:C:2004:364, Kronhofer/Maier). De bevoegdheid van de gerechten van de woonplaats van verzoeker is daarentegen gerechtvaardigd voor zover de woonplaats van de verzoeker inderdaad de plaats is van de schadebrengende gebeurtenis of het intreden van de schade (HvJEU 28 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:37, Kolassa/Barclays Bank). De plaats van het intreden van de schade is de plaats waar de beweerde schade zich concreet voordoet (HvJEU 12 september 2018, ECLI:EU:C:2018:701, Löber/Barclays Bank, zie ook HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:925 ).

5.42.

Met Ard-Choille is de rechtbank van oordeel dat er voldoende aanknopingspunten zijn om Nederland als “Erfolgsort” aan te merken. Ard-Choille is uitsluitend in Nederland gevestigd en bedient van daaruit buitenlandse partijen als betaalmeester. Het centrum van haar economische belangen is dan ook gelegen in Nederland, zodat de schade als gevolg van het gestelde onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 2] uiteindelijk voor Ard-Choille in Nederland wordt geleden. De rechtbank acht daarbij van belang dat het, anders dan [gedaagde sub 2] stelt (en anders dan in arresten Kolassa/Barclays Bank, Universal Music/Schilling en Löber/Barclays Bank), bij de gestelde schade om beduidend meer gaat dan alleen zuivere vermogensschade die intreedt op de (Nederlandse) bankrekening van Ard-Choille. De stellingen van Ard-Choille volgend, bestaat die schade ook uit reputatieschade en gederfde winst. Volgens het Hof van Justitie kan winstderving worden beschouwd als schade die de grondslag vormt voor de bevoegdheid van de rechter van het “Erfolgsort” (HvJEU 5 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:553, flyLAL/Air Baltic). De rechtbank acht in dit kader ook van belang dat [gedaagde sub 2] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat bewust gekozen is voor een Nederlandse vennootschap als betaalmeester en dat de Nederlandse rechtssfeer is opgezocht. De enkele stelling van [gedaagde sub 2] dat de betaalmeester overal ter wereld gevestigd had kunnen zijn, acht de rechtbank ontoereikend, te meer daar [gedaagde sub 2] met Ard-Choille in de Indemnity Agreement is overeengekomen dat geschillen die verband houden met die overeenkomst, die onderdeel vormt van de betaalstructuur, zullen worden voorgelegd aan deze rechtbank. Onder deze omstandigheden is het voor [gedaagde sub 2] voorzienbaar geweest dat zij door Ard-Choille voor de Nederlandse rechter zou kunnen worden opgeroepen (HvJEU 1 december 2011, ECLI:EU:C:2011:798, Painer, HvJEU 28 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:37, Kolassa/Barclays Bank, HvJ EU 12 september 2018, ECLI:EU:C:2018:701, Löber/Barclays Bank).

5.43.

De rechtbank overweegt in dit verband nog dat de onderhavige situatie, anders dan [gedaagde sub 2] stelt, niet vergelijkbaar is met die in het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Dumez France. In die zaak stelde een Franse moedermaatschappij schade te hebben gelegen als gevolg van het faillissement van haar Duitse dochtermaatschappijen die te wijten zou zijn aan het onrechtmatig handelen van Duitse banken. Het Hof van Justitie overwoog dat de bevoegdheidsregel van (de voorganger van) artikel 7 sub 2 Brussel I bis-Verordening niet met zich meebrengt dat een verzoeker “(…) die stelt schade te hebben geleden die het gevolg is van schade geleden door andere personen, die rechtstreeks door het schadebrengende feit zijn gelaedeerd, de veroorzaker van dat feit kan oproepen voor de gerechten van de plaats waar hijzelf de schade in zijn vermogen heeft vastgesteld”. Uit de stellingen van Inmobiliaria en Ard-Choille volgt weliswaar dat de door hun gestelde schade is veroorzaakt door hetzelfde schadebrengende feit, maar ook dat zij ieder eigensoortige schade stellen te hebben geleden die op hun eigen merites moet worden beoordeeld. De mogelijkheid dat de door Inmobliaria gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, laat onverlet dat de door Ard-Choille gestelde schade wel zou kunnen worden toegewezen, wat in de hoofdzaak moet worden beoordeeld. De schade van Ard-Choille kan daarom niet worden aangemerkt als schade die is afgeleid of het gevolg is van de door Inmobiliaria gestelde (elders ingetreden) geleden schade, te meer nu sprake is van tweeniet-gelieerde juridische entiteiten.

5.44.

Uit het voorgaande volgt dat nu het “Erfolgsort” in Nederland is gelegen, Ard-Choille [gedaagde sub 2] heeft mogen oproepen voor deze rechtbank. Aan de overige stellingen en verweren, waaronder het beroep op artikel 8 en artikel 25 van de Brussel I bis-Verordening, wordt daarom niet toegekomen.

Conclusie

5.45.

Uit het voorgaande volgt dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van Ard-Choille tegen Aegle en [gedaagde sub 2] en onbevoegd is voor wat betreft de vorderingen Inmobiliaria tegen Aegle en [gedaagde sub 2] . De primaire incidentele vordering van [gedaagde sub 2] wordt dus deels toegewezen en deels afgewezen.

Proceskosten

5.46.

Inmobiliaria zal als de in dit incident jegens [gedaagde sub 2] in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld, tot op heden begroot op € 1.086 (2 x tarief II). [gedaagde sub 2] heeft de als de jegens Ard-Choille in het ongelijk gestelde partij te gelden en zal dus in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van Ard-Choille tot op heden begroot op € 1.086 (2 x tarief II).

Vrijwaring

5.47.

Aangezien de rechtbank zich bevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen van Ard-Choille tegen [gedaagde sub 2] , wordt toegekomen aan de door [gedaagde sub 2] ingestelde voorwaardelijke incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring van [X] .

5.48.

De rechtbank stelt voorop dat een vordering tot oproeping van een derde in vrijwaring in beginsel toewijsbaar is, indien voldoende gemotiveerd en concreet wordt gesteld dat men krachtens een rechtsverhouding met die derde recht en belang heeft om de nadelige gevolgen van een ongunstige afloop van de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk op die derde te verhalen, dit in een zo veel mogelijk tegelijkertijd met de hoofdzaak te behandelen vrijwaringszaak.

5.49.

Uit de stellingen die [gedaagde sub 2] aan zijn (voorwaardelijke) vordering tot oproeping in vrijwaring ten grondslag heeft gelegd volgt dat niet valt uit te sluiten dat hij, indien de beslissing in de hoofdzaak voor hem negatief zal uitvallen, verhaal heeft op [X] . De verzochte vrijwaring zal derhalve worden toegewezen. De rechtbank merkt hierbij op dat, gelet op het feit dat de rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van Inmobiliaria, [gedaagde sub 2] [X] uitsluitend kan oproepen om hem te vrijwaren van de schade die Ard-Choille door zijn toedoen stelt te hebben geleden.

5.50.

Voor wat betreft de termijn van dagvaarding van [X] overweegt de rechtbank dat hoewel uit artikel 115 lid 1 Rv volgt dat de termijn van dagvaarding ten minste vier weken is nu [X] zijn woonplaats in Spanje heeft en dat land is aangesloten bij de Verordening (EG) nr. 1393/2007 van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, aan [gedaagde sub 2] een termijn van drie maanden zal worden toegestaan nu Ard-Choille hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt. Derhalve wordt [gedaagde sub 2] toegestaan om [X] in vrijwaring op te roepen tegen de zitting van 9 januari 2019.

5.51.

De rechtbank zal bepalen dat de hoofdzaak (tussen Ard-Choille enerzijds en [gedaagde sub 2] en Aegle anderzijds) op de rol komt voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde sub 2] op de gebruikelijke termijn van zes weken.

5.52.

De beslissing over de kosten van dit incident zullen worden aangehouden totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

Hoofdzaak

5.53.

De hoofdzaak (met Ard-Choille als eiseres) zal, zoals hiervoor overwogen, worden verwezen naar de rol van 13 november 2019 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde sub 2] .

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident tot onbevoegdheid

6.1.

verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak van Inmobiliaria tegen [gedaagde sub 2] en Aegle kennis te nemen,

6.2.

veroordeelt Inmobiliaria in de proceskosten van [gedaagde sub 2] in het bevoegdheidsincident, tot op heden begroot op € 1.086,

6.3.

wijst af de vordering tot onbevoegdverklaring in de hoofdzaak van Ard-Choille tegen [gedaagde sub 2] en Aegle,

6.4.

veroordeelt [gedaagde sub 2] in de proceskosten van Ard-Choille in het bevoegdheidsincident, tot op heden begroot op € 1.086,

6.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

in het (voorwaardelijk) incident tot oproeping in vrijwaring

6.6.

staat [gedaagde sub 2] toe om in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de terechtzitting van 16 januari 2020 van deze rechtbank:

- [X] , wonende [woonplaats] (Spanje),

6.7.

houdt de beslissing over de kosten in het vrijwaringsincident aan tot de einduitspraak,

in de hoofdzaak (met Ard-Choille als eiseres)

6.8.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 20 november 2019 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde sub 2] ,

6.9.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Honée en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2019.