Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10224

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-09-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
AWB 19/338
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MK. Ghanese. Verblijfsrecht als Unieburger bij zoontje. Chavez-Vilchez. Verblijfsrecht in Spanje. Referent hoeft de Unie niet te verlaten. Dereci. Eenheid van het gezin niet doorslaggevend. Handvest niet van toepassing. Geen verplichting om ambtshalve door te toetsen aan artikel 8 EVRM. Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/338

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de weigering om hem een document te verschaffen waaruit zijn rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan1 blijkt kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 14 januari 2019 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en het beroepschrift op 25 februari 2019 en 28 maart 2019 aangevuld met gronden.

Verweerder heeft op 1 en 2 april 2019 een (aanvullend) verweerschrift ingediend.

Eiser heeft op 3 april 2019 een schriftelijk reactie op de verweerschriften gegeven.

De rechtbank heeft de zaak op 9 april 2019 verwezen naar de meervoudige kamer.

Verweerder heeft op 12 juni 2019 een aanvullend verweerschrift ingediend.

Eiser heeft op 14 juni 2019 schriftelijk hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R. Ugiagbe. Tevens waren aanwezig [naam 2] (referent), [naam 3] (moeder van referent) en [naam 4] (halfzus van referent). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Ghanese nationaliteit. Hij heeft op 12 april 2018 een aanvraag ‘Toetsing aan het EU-recht (bewijs van rechtmatig verblijf)’ ingediend. Aan dit verzoek heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij een verblijfsrecht als Unieburger meent te ontlenen aan het arrest Chavez-Vilchez2 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Daarbij wijst hij erop dat hij de vader is van referent, die op 23 maart 2016 is geboren uit de relatie tussen eiser en mevrouw [naam 3] . Referent en mevrouw [naam 3] wonen in Nederland en bezitten de Nederlandse nationaliteit.

2. Bij besluit van 2 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag ‘tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER’ afgewezen, omdat eiser een verblijfsrecht in Spanje heeft. Referent wordt door het ontzeggen van rechtmatig verblijf aan eiser niet gedwongen om het grondgebied van de Europese Unie (de Unie) te verlaten. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser hiertegen kennelijk ongegrond verklaard.

3. Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat zijn bezwaar ten onrechte als kennelijk ongegrond is beoordeeld. Hij stelt dat verweerder niet heeft kunnen concluderen dat eisers situatie zonder meer buiten het toepassingsbereik van het arrest Chavez-Vilchez valt, althans dat geen aanleiding bestaat voor analoge toepassing van dit arrest. Hij meent dat verweerder onvoldoende acht heeft geslagen op de specifieke situatie van referent. Eiser wijst daarbij op het samengestelde gezin van referent, die een halfzus (geboren [geboortedatum 2] heeft met een andere vader. Verweerder had de belangen van deze beide kinderen als eerste overweging moeten nemen, zo stelt hij. Eiser stelt ook dat niet op voorhand garanties te geven zijn dat zijn zoon zich permanent in Spanje kan vestigen.

Eiser verwijst ter verdere onderbouwing van zijn standpunt naar de arresten Sen3 en Tuquabo-Tekle4 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en punt 51 van het arrest O.S en L.5 van het Hof. Daarnaast beroept hij zich op de bescherming van het recht op familieleven in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) en op het belang van het kind zoals dat is opgenomen in artikel 24 van het Handvest en in de verwijzing naar het IVRK6 in de preambule van de Kwalificatierichtlijn7. Ten slotte verwijst eiser naar een artikel van E. Hilbrink8. Eiser geeft de rechtbank in overweging om prejudiciële vragen te stellen over een (afgeleid) verblijfsrecht in verband met de rechten van het kind.

Subsidiair dient de rechtbank zich volgens eiser te buigen over de vraag of verweerder had moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM. In dat verband verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 21 februari 20199 en wijst hij op de punten 70 tot en met 73 van het arrest Dereci.10

4. Verweerder wijst er in reactie op het beroep op dat het hier de vaststelling betreft van het bestaan van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan. Het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM, het Handvest en het IVRK kan volgens hem niet leiden tot het verstrekken van een verblijfsdocument in de zin van artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000. Een verdere belangenafweging is niet aan de orde. De door eiser genoemde uitspraak van de AbRS van 21 februari 2019 ziet op verblijf als gemeenschapsonderdaan ingevolge artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en betreft daarmee een niet vergelijkbaar geval. Verweerder verwijst ter onderbouwing van de juistheid van het bestreden besluit nog naar het arrest Dereci, punten 66 tot en met 70, 72 en 74, het arrest Chavez Vilchez, punt 69 en het arrest O.S. en L., punt 56. Verweerder concludeert dat er geen sprake is van de omstandigheid dat het kind van eiser wordt gedwongen om de Unie te verlaten. Er is geen sprake van het ten uitvoer brengen van Unierecht.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Uit het door eiser ingeroepen arrest Chavez-Vilchez volgt dat een derdelander-familielid van een Unieburger een afgeleid verblijfsrecht ontleent aan het verblijfsrecht dat een Unieburger van rechtswege heeft op grond van artikel 20 van het VWEU11, indien de weigering van verblijf aan de derdelander tot gevolg zou hebben dat de Unieburger gedwongen wordt het grondgebied van de Unie te verlaten. Door een gedwongen vertrek zou aan die Unieburger namelijk het effectieve genot worden ontzegd van de belangrijkste aan zijn status van Unieburger ontleende rechten, te weten verblijf in één van de lidstaten. Om die reden verzet artikel 20 van het VWEU zich in dat geval tegen het onthouden van een verblijfsrecht aan de derdelander. Dit is mogelijk aan de orde bij derdelander-ouders en van hen afhankelijke kinderen met de nationaliteit van een van de lidstaten van de Unie.

6. Vaststaat dat eiser rechtmatig verblijf heeft in Spanje. Dat betekent dat de weigering van verblijf aan eiser in Nederland niet tot gevolg heeft dat hij de Unie zal moeten verlaten. Bijgevolg geldt dit dan evenmin voor zijn minderjarige zoon (referent). Referent heeft op grond van zijn Unieburgerschap het recht om in Spanje te verblijven. Voor zover eiser vraagtekens plaatst bij de mogelijkheid van permanent verblijf, heeft hij dit niet onderbouwd met concrete feiten of omstandigheden. Er was voor verweerder dan ook geen aanleiding om dit nader te onderzoeken.

7. Eiser meent dat verweerder onvoldoende oog heeft voor de situatie van het samengestelde gezin van referent. Hij stelt met een beroep op de bescherming van de eenheid van het gezin en de belangen van het kind, dat referent niet voor de keuze mag worden gesteld tussen verblijf bij zijn moeder en halfzus in Nederland en verblijf bij eiser in Spanje.

8. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Het Hof heeft in punt 65 van het arrest Dereci benadrukt dat het door hem aangenomen afgeleide verblijfsrecht afhankelijk is van het criterium ‘van zeer bijzondere aard’ van gedwongen vertrek van de Unieburger uit de EU.

In punt 66 van het arrest Dereci overweegt het Hof verder dat de enkele wens om uit het oogpunt van eenheid van het gezin als derdelander op het grondgebied van de Unie bij de Unieburger te verblijven niet leidt tot een gedwongen vertrek van de Unieburger uit de EU. Het Hof heeft dit herhaald in punt 52 van het arrest O.S. en L. Een en ander biedt naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunt voor een ruimere invulling van het van artikel 20 VWEU afgeleide verblijfsrecht, zoals eiser bepleit. De door eiser in zijn aanvullend beroepschrift van 25 februari 2019 genoemde overwegingen van het Hof in punt 51 van O.S. en L. leiden niet tot een ander oordeel. Die betreffen namelijk de situatie waarin de derdelander-ouder het uitsluitende gezag over de Unieburger heeft en het gedwongen vertrek van die ouder tot gevolg heeft dat de Unieburger geen contact meer met zijn biologische ouder zal hebben. Die situatie doet zich hier niet voor.

9. Eiser kan zich in dit geval niet met succes beroepen op de bepalingen uit het Handvest over het recht op gezinsleven en het belang van het kind, omdat het Handvest alleen van toepassing is indien het recht van de Unie ten uitvoer wordt gebracht12. Met de uitsluitende vaststelling dat in dit geval geen sprake is van een nationale maatregel waartegen artikel 20 van het VWEU zich verzet, is geen sprake van het ten uitvoer brengen van Unierecht. De omstandigheid dat het familieleven van eiser, referent en diens halfzus feitelijk wordt beïnvloed door het bestreden besluit, leidt als zodanig niet tot de toepasselijkheid van de desbetreffende bepalingen van het Handvest. Verweerder heeft in dit verband in zijn verweerschrift van 2 april 2019 terecht gewezen op punt 69 uit het arrest Dereci, waarin het Hof herhaalt dat het Handvest niet zorgt voor uitbreiding van de bevoegdheden en taken van de EU.

10. Het artikel van Hilbrink13 waarnaar eiser heeft verwezen geeft de rechtbank geen grond voor een ander oordeel. De auteur betoogt daarin dat bij de vraag naar een afgeleid verblijfsrecht voor derdelanders ook betekenis toekomt aan gevolgen die niet rechtstreeks zien op gedwongen vertrek uit de Unie. De hiervoor in het artikel besproken arresten Alokpa14 en Rendón Marin15 betreffen beide echter de situatie dat de derdelander-ouder – anders dan eiser - (mogelijk) geen verblijfsrecht heeft in één van de lidstaten van de Unie.

11. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof over de uitleg van artikel 20 VWEU.

12. Anders dan eiser heeft betoogd, kan de overweging van verweerder dat referent eiser kan volgen naar Spanje niet worden uitgelegd als de toepassing van de Verblijfsrichtlijn16. De vergelijking die eiser maakt met de uitspraak van de AbRS van 21 februari 2019 over toepassing van de Verblijfsrichtlijn (artikel 8.12 van het Vb) gaat dan ook niet op. Ook het beroep van eiser op het arrest Åkerberg Fransson17 faalt. In die zaak was namelijk sprake van ten uitvoer brengen (middels strafvervolging) van Unierecht, te weten Richtlijn 2006/112/EG en artikel 325 van het VWEU. Overigens wordt ook in de punten 17 tot en met 23 van dit arrest benadrukt dat het Handvest geen verruiming beoogt van bevoegdheden of taken voor de Europese Unie.

13. Het bestreden besluit betreft de declaratoire vaststelling van het bestaan van een verblijfsrecht op grond van Unierechtelijke bepalingen. Nu daarvan geen sprake is, komt in dit geval geen verdere betekenis toe aan niet-Unierechtelijke verdragen en rechtspraak. Eisers beroep op punt 72 uit het arrest Dereci leidt niet tot een ander oordeel. Het Hof heeft daarin weliswaar overwogen dat de vraag of het ontzeggen van verblijf een inbreuk vormt op het recht op eerbiediging van het familieleven zal moeten worden onderzocht in het licht van artikel 8 van het EVRM indien de betreffende situatie niet binnen het recht van de Unie valt, maar daarmee heeft het Hof niet gezegd dat de uitkomst van een dergelijk onderzoek ook kan leiden tot het vaststellen van een Unierechtelijk verblijfsrecht. Evenmin bestaat voor verweerder de ambtshalve verplichting om in dit geval verder te onderzoeken of er reden is voor het verlenen van een verblijfsvergunning op grond artikel 8 van het EVRM.

14. Gezien de inhoud van het bezwaarschrift en de overwegingen van het primaire besluit was er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst zou leiden. Verweerder heeft daarom van het horen van eiser kunnen afzien.

15. Het beroep is ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter en voorzitter, en mr. M.J.L. Holierhoek en mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechters, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2019.

de griffier is niet in de gelegenheid

om de uitspraak te ondertekenen.

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Hierna ook aangeduid als Unieburger

2 Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354

3 EHRM 21 december 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:1221JUD003146596

4 EHRM 1 december 2005, ECLI:CE:ECHR:2005:1201JUD006066500

5 HvJ EU 6 december 2012, C-356/11 en C-357/11

6 Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind

7 Richtlijn 2011/95/EU

8 Asiel- en Migrantenrecht 2018/9

9 ECLI:NL:RVS:2019:567

10 HvJ EU 15 november 2011, C-256/11

11 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

12 Artikel 51, eerste lid, van het Handvest.

13 E. Hilbrink, ‘Kan een verblijfsrecht worden ontzegd aan een derdelandse ouder van Nederlandse kinderen die van die ouder afhankelijk zijn, op de enkele grond dat de derdelandse ouder over een geldig verblijfsrecht in een andere lidstaat beschikt?’, A&MR 2018/9, p. 450 – 452

14 HvJ EU 10 oktober 2013, C-86/12

15 HvJ EU 13 september 2016, C-165/14

16 Richtlijn 2004/38/EG

17 HvJ EU, 26 februari 2013, ECLI:EU:C:2013:105