Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10206

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-08-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
C/09/575269 / JE RK 19-1418
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing bij de met gezag belaste vader

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd & Bopz

Zaaksgegevens: C/09/575269 / JE RK 19-1418

Datum uitspraak: 30 augustus 2019

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van het op 19 augustus 2019 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad),

betreffende:

- [minderjarige 1]geboren op [geboortedag 1] 2006 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ;

- [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] 2008 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de man]

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 1] , en

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. M. van der Weerd, te Den Haag,

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling).

Het procesverloop

Bij beschikking d.d. 25 juni 2019 van de kinderrechter in deze rechtbank zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 12 september 2019 en is voor dezelfde duur een machtiging verleend om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de mede met het gezag belaste vader.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:

- voornoemde beschikking d.d. 25 juni 2019;

- het verzoekschrift d.d. 16 augustus 2019;

- het onderzoeksrapport van de Raad d.d. 16 augustus 2019, met bijlagen.

Op 30 augustus 2019 is de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij zijn verschenen:

- mevr. [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad;

- mevr. [vertegenwoordigers GI] namens de gecertificeerde instelling;

- de vader;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

[minderjarige 1] is op 30 augustus 2019 in raadkamer gehoord.

Feiten

- De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven feitelijk bij de vader.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de periode van één jaar en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de mede met het gezag belaste vader voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De Raad heeft daarbij benadrukt dat de alcoholafhankelijkheid bij de moeder de doorslaggevende factoor voor de verzochte uithuisplaatsing is. Dit dient voor een thuisplaatsing eerst voldoende onder controle te zijn.

De gecertificeerde instelling heeft naar voren gebracht dat naar verwachting een periode van een jaar noodzakelijk is. Drie maanden is in elk geval te weinig. Er is momenteel wat de hulpverlening betreft sprake van een voortraject. Er is nog weinig zicht op de problematiek bij de moeder en ook is nog niet te voorspellen wanneer haar situatie voldoende stabiel zal zijn om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] terug te plaatsen. Daarvoor is in elk geval meer nodig dan alleen de hulpverlening van De Brijder. Er dient voorts te worden bezien welke hulp [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben. De begeleide bezoeken verliepen goed. De moeder reageert adequaat op de kinderen en hun behoeften. De komende periode zal de omgang worden uitgebreid met behulp van de grootouders moederszijde.

De vader heeft ingestemd met het verzochte, althans heeft zich niet tegen toewijzing daarvan verzet. Een terugplaatsing bij de moeder is nu nog te vroeg. Het is afhankelijk van de ontwikkelingen bij de moeder wanneer [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen worden teruggeplaatst. Zij missen hun moeder.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen verzochte de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing. Door haar advocaat is primair bepleit de periode te bekorten tot drie maanden en subsidiair tot zes maanden.

De onderbouwing van de verzochte duur is te vaag om tot een uithuisplaatsing voor de periode van een jaar te komen. Voorts stelt moeder zich open voor hulpverlening en gaat zij de komende drie maanden bij De Brijder een behandeling (medicatie en één keer per week groepstherapie) volgen voor haar alcoholverslaving. De GGZ heeft aangegeven de moeder niet te kunnen helpen, omdat er geen sprake is van een stoornis of andere voldoende ernstige psychische problemen. Er dient bij de gecertificeerde instelling snel zicht te komen op de situatie bij de moeder. Ook dient de gecertificeerde instelling haar communicatie met de moeder te verbeteren, intensief aan een thuisplaatsing te werken en daarbij de omgang in frequentie en duur uit te breiden en verdere hulpverlening in te zetten.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn. Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn.

[minderjarige 2] en [minderjarige 1] worden in hun ontwikkeling bedreigd. Er zijn zorgen omtrent de sociale, emotionele en cognitieve ontwikkeling van [minderjarige 1] . Hij is gediagnosticeerd met ADD/ADHD. Hij wordt omschreven als emotieloos, is op school weinig enthousiast of vrolijk en heeft moeite om adequate relaties aan te gaan met leeftijdsgenoten. Tot zijn plaatsing bij de vader was er sprake van fors schoolverzuim. Daarnaast heeft hij geen vrijetijdsbesteding. Voorts heeft hij vaak ruzie met zijn zus en bij de vader thuis vertoont hij soms agressief gedrag. Het is van belang dat [minderjarige 1] hulp krijgt bij het verbeteren van zijn emotieregulatie.

Bij [minderjarige 2] bestaan zorgen om haar emotionele ontwikkeling. Zij heeft zich een lange periode

onveilig gevoel bij de moeder, maar voelt zich nu wel veilig bij vader. De relatie tussen [minderjarige 2] en de moeder is verstoord en haar vertrouwen in de moeder moet worden hersteld. Er is voorts via de GGZ nader onderzoek nodig naar eventuele trauma’s bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen sinds medio juni 2019 bij de vader, vanwege grote zorgen bij de moeder omtrent middelengebruik (alcohol en drugs) en het onvoldoende kunnen stellen van grenzen en bieden van structuur aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] De zorgen over de moeder zijn de afgelopen twee maanden nog niet verdwenen. Moeder is wisselend in haar uitlatingen omtrent haar drugsgebruik. De moeder erkent inmiddels een alcoholverslaving te hebben en het is positief dat zij daarvoor een behandeling gaat volgen bij De Brijder. Het is voorts van belang dat zij werkt aan de verbetering van haar emotieregulatie en het stellen van grenzen en bieden van structuur aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] Bijvoorbeeld via De Waag (Veilig en Sterk).

Daarnaast kan de vader de komende periode in de thuissituatie opvoedondersteuning van bijvoorbeeld Kwadraad gebruiken, om goed te kunnen omgaan met de ADD/ADHD van [minderjarige 1] en zijn soms negatieve gedrag alsmede om te leren hoe hij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] sociaal-emotioneel kan ondersteunen.

Tevens is het van belang om de communicatie tussen de vader en de moeder te verbeteren, bijvoorbeeld via mediation.

Het is niet de verwachting dat de ouders zelfstandig met behulp van vrijwillige hulpverlening voornoemde problematiek voldoende weg kunnen nemen, omdat dit tot nu toe ook niet is gelukt. Het is daarom naar het oordeel van de kinderrechter van belang dat het komende jaar een jeugdbeschermer in het kader van een ondertoezichtstelling wordt ingezet om meer zicht te krijgen op de situatie, de benodigde hulpverlening in te zetten, te coördineren en te monitoren en toe te werken naar een veilige terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder. Wat dit laatste betreft acht de kinderrechter gelet op de omstandigheden een uithuisplaatsing van een jaar te lang en drie maanden te kort. Naar verwachting is een periode van zes maanden passend en geboden. Zij acht het wel van belang een vinger aan de pols te houden en zal het verzoek daarom voor het overige aanhouden tot een nader te bepalen zitting om te bezien of een machtiging uithuisplaatsing nog langer noodzakelijk is.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 30 augustus 2019 tot 30 augustus 2020 onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland;

en

machtigt Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de mede met het gezag belaste vader van 30 augustus 2019 tot 29 februari 2020;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een zitting gelegen vlak voor 29 februari 2020;

gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:

  • -

    de Raad;

  • -

    Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland;

  • -

    vader;

  • -

    moeder;

  • -

    mr. M. van de Weerd;

  • -

    [minderjarige 1] ;

verzoekt de Raad uiterlijk een week voor die nader te bepalen zitting een schriftelijke rapportage te overleggen met daarin de laatste stand van zaken, waarin tevens gemotiveerd wordt aangegeven of het aangehouden verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2019 door mr. C.F. Mewe, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Westerhof als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 30 september 2019.

Voor zover in deze beschikking eindbeslissingen staan, kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.