Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1020

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
09/857161-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling (snijden met een mes in de rug van het slachtoffer). Veroordeling tot een gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De man is in Polen eerder veroordeeld voor geweldsdelicten.

Het door de verdediging gevoerde noodweerverweer is door de rechtbank verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/857161-18

Datum uitspraak: 6 februari 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] ,

vestigingsadres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 23 januari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.F. Baas en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.G.M. Haase naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 juli 2018 te Honselersdijk, gemeente Westland, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

persoon [slachtoffer] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen,

opzettelijk met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen,

althans éénmaal heeft gestoken/gesneden in de rug, althans in het lichaam van

voornoemde [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 juli 2018 te Honselersdijk, gemeente Westland,

[slachtoffer] heeft mishandeld door door deze met een mes, althans een

scherp en/of puntig voorwerp een of meermalen in de rug, althans in het

lichaam te steken/snijden.

3. Bewijsoverwegingen 1

3.1

Inleiding

In de nacht van 16 juli 2018 heeft zich in de woning aan de [adres] een incident voorgedaan waarbij aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) gewond is geraakt.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag (primair), een poging tot zware mishandeling (primair impliciet subsidiair) dan wel aan mishandeling (subsidiair) van [slachtoffer] .

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging doodslag.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, omdat onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen.

De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat indien de rechtbank van oordeel is dat het primair dan wel het subsidiair tenlastegelegde kan worden bewezen, de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld in een noodweersituatie.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Verklaring aangever [slachtoffer]

heeft het volgende verklaard. Hij had op 16 juli 2018 ruzie met de verdachte in hun gemeenschappelijke woning in Honselersdijk. De verdachte was boos op [slachtoffer] omdat hij door de mensen van het uitzendbureau uit de woning zou worden gezet en [slachtoffer] hem niet wilde helpen door ruzie met deze mensen te maken. De verdachte kwam de keuken in en schold hem uit voor klootzak. [slachtoffer] zei tegen de verdachte dat hij niet wilde vechten en op dat moment werd hij door de verdachte éénmaal in zijn rug gestoken. De aangever heeft niet gezien dat de verdachte een mes had gepakt.2

Geneeskundige verklaring

Uit de geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] blijkt dat het uitwendig waargenomen letsel een steekverwonding in de rug betrof. Hierbij was sprake van gering bloedverlies en waren er geen vermoedens van niet uitwendig waarneembaar letsel en interne bloedingen. Ook was bij [slachtoffer] sprake van alcoholintoxicatie. De geschatte genezingsduur bedroeg enkele dagen.3

Getuigenverklaringen

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de aangever ruzie had met de verdachte en zijn vrouw. De verdachte vond dat de aangever voor hem moest opkomen. De getuige hoorde vanuit haar slaapkamer dat er onafgebroken ruzie was op de avond van het incident. 4

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat de verdachte, [getuige 5] en [slachtoffer] alle drie erg dronken waren en ruzie met elkaar hadden.5 Later die nacht kwam [slachtoffer] bloedend haar slaapkamer in en hoorde zij hem zeggen dat er een ambulance moest worden gebeld.6

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij door [slachtoffer] werd gewekt. [slachtoffer] zei dat de verdachte hem met een mes had gestoken en vroeg hem om een ambulance te bellen.7

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij door [slachtoffer] werd gewekt en dat hij zei dat de verdachte hem had gestoken.8 De getuige heeft hierop de ambulance gebeld. Ook verklaarde hij dat de verdachte, [getuige 5] en [slachtoffer] elke dag drinken en dus ook op 16 juli 2018.9

Getuige [getuige 5] , de echtgenote van de verdachte, heeft verklaard dat zij heeft gezien dat [slachtoffer] met een bijltje in zijn handen in de keuken stond. Vervolgens pakte hij een mes en liep hij met versnelde pas in de richting van de verdachte. Ze hoorde dat [slachtoffer] iets zei, maar ze weet niet meer wat omdat ze had gedronken. Ze zag dat de verdachte de hand van [slachtoffer] vastpakte en die hand op de rug van [slachtoffer] draaide. Hierbij is [slachtoffer] gewond geraakt. Ze weet niet precies hoe het mes in zijn rug is gekomen. De getuige heeft verder verklaard dat er geen sprake was van ruzie tussen de verdachte en [slachtoffer] . 10

Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer] op hem af zag komen met een mes in zijn hand. Hij heeft hierop de handen van [slachtoffer] vastgepakt en naar achteren geduwd. Het mes is hierbij in de rug van [slachtoffer] terechtgekomen. De verdachte heeft verklaard dat het mogelijk is dat hij hierbij het heft van het mes heeft aangeraakt. Hij handelde uit zelfverdediging. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij en [slachtoffer] geen ruzie hadden en dat hij, [getuige 5] en [slachtoffer] alle drie hadden gedronken.11

Het mes

Verbalisant [verbalisant] heeft geverbaliseerd dat hij in de woonkamer/keuken een mes in de gootsteen heeft aangetroffen. Dit mes is in beslag genomen.12 Het Nederlands Forensisch Instituut (‘NFI’) heeft het mes onderzocht op de aanwezigheid van humane biologische sporen en DNA. Er zijn enkele bloedsporen aangetroffen op de snijrand en de punt van het lemmet. Twee van deze bloedsporen zijn bemonsterd en getest. Verder is het gehele oppervlak van het heft van het mes bemonsterd. In de bemonstering van het heft is geen bloed aangetroffen, wel biologische contactsporen.13

De DNA-profielen van de bemonstering van het lemmet en het heft zijn vergeleken met de DNA-profielen van de verdachte en van [slachtoffer] .

Uit het onderzoek14 is gebleken dat het DNA-profiel in de bloedsporen op de snijrand en de punt van het mes afkomstig kan zijn van [slachtoffer] . De matchkans is kleiner dan 1 op 1 miljard. Op het heft van het mes heeft het NFI een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen aangetroffen. Het afgeleide DNA-hoofdprofiel kan afkomstig zijn van de verdachte, met een matchkans die kleiner is dan 1 op 1 miljard. De DNA-nevenkenmerken van minimaal één onbekende persoon zijn niet nader onderzocht.

Het letsel

Door een forensisch arts verbonden aan het NFI is nader onderzoek verricht aan de hand van documenten en foto’s.15 Op een aantal foto’s heeft de deskundige waargenomen dat op de rug van de aangever een min of meer verticale streepvormige huidbeschadiging van circa 2 centimeter met een drietal hechtingen leek te zitten met daarnaast aan de rechterzijde van deze huidbeschadiging een bloeduitstorting van 1 cm breed en 3 cm hoog.16

De deskundige heeft geconcludeerd dat het mogelijk is dat deze huidbeschadiging met het in beslag genomen mes is toegebracht.17

De deskundige heeft verder een risico-inschatting gemaakt ten behoeve van de gevaarzetting van het letsel. Afhankelijk van de diepte en de richting van de verwonding kunnen bij een steekwond in de lendenregio van de rug diverse structuren worden geraakt.18 Bij beschadiging van de grote lichaamsslagader bestaat een acuut gevaar op overlijden door verbloeding. Indien inwendige organen zoals de nieren en darmen worden geraakt door een steekwapen, kunnen inwendige bloedingen ontstaan. Indien een darm wordt geraakt, kan naast een bloeding, het uittreden van ontlasting uit de darm in de buikholte volgen met een mogelijke levensbedreigende ontsteking van het buikvlies tot gevolg. De dikte van het onderhuidse vet en de spieren bepalen – samen met de afmetingen van het steekvoorwerp – in grote mate in hoeverre de diepere structuren kunnen worden geraakt.19

Overwegingen en conclusies van de rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende. Volgens de geneeskundige verklaring was de verwonding op de rug van [slachtoffer] een steekwond met gering bloedverlies. Verwacht werd dat de wond binnen enkele dagen zou genezen.

Gelet op het NFI-onderzoek naar de sporen op het mes gaat de rechtbank ervan uit dat het letsel bij [slachtoffer] is toegebracht met het in beslag genomen mes. Uit ditzelfde NFI-rapport is gebleken dat het DNA-hoofdprofiel op het heft van het mes zeer waarschijnlijk het DNA-profiel van de verdachte betreft.

De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] met het mes in zijn hand kwam aanlopen en dat hij het mes wellicht heeft aangeraakt bij het afweren van de aanval van [slachtoffer] . Zijn echtgenote, getuige [getuige 5] , heeft een soortgelijke verklaring afgelegd. De rechtbank acht het in het licht bezien van deze verklaringen opmerkelijk dat het DNA-profiel van [slachtoffer] niet op het heft is aangetroffen, zeker nu dit heft volledig is bemonsterd. De rechtbank acht deze verklaring van de verdachte en zijn echtgenote dan ook niet aannemelijk.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij is gestoken omdat hij ruzie had met de verdachte en diens vrouw. De laatste twee hebben verklaard dat er geen sprake was van onenigheid. Dat er wel ruzie was, wordt bevestigd door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . De getuigen [getuige 3] , [getuige 2] en [getuige 4] hebben verklaard dat zij ’s nachts door [slachtoffer] zijn gewekt en dat hij hen vertelde dat hij door de verdachte in zijn rug was gestoken. Al deze getuigen en het voornoemde technische bewijs ondersteunen de lezing van [slachtoffer] .

Hoewel het dossier onvoldoende informatie bevat om de precieze toedracht van het incident vast te stellen, is de rechtbank van oordeel dat op grond van voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte [slachtoffer] in zijn rug heeft gestoken.

Met betrekking tot de vraag hoe dit steken dient te worden gekwalificeerd, overweegt de rechtbank het volgende. Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen dat de verdachte ‘vol’ opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is of kan worden bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer] .

De rechtbank concludeert op grond van de hiervoor vastgestelde feiten dat de verdachte [slachtoffer] eenmaal met een mes aan de linkerzijde in de lendenregio van zijn rug heeft gestoken, met als gevolg een steekwond met een lengte van circa 2 cm en een onbekende diepte. Evenmin is iets bekend geworden over de dikte van het onderhuidse vet en de spieren van de aangever of met welke kracht de verdachte heeft gestoken. Gelet op deze feitelijkheden is onvoldoende komen vast te staan dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] . De verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Op grond van voorgaande feiten en omstandigheden en de gebezigde bewijsmiddelen komt de rechtbank wel tot (voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel. Hoewel zich op de plek waar is gestoken geen vitale lichaamsdelen zoals de lichaamsslagader bevinden, gaat het blijkens het rapport van de forensische arts om een kwetsbare plek van het lichaam. Door op deze plek van het lichaam te steken heeft de verdachte zich aldus willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat het primair impliciet subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

op 16 juli 2018 te Honselersdijk, gemeente Westland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een mes éénmaal heeft gesneden in de rug van voornoemde [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 Noodweer

4.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een beroep op noodweer gedaan. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte een aanval slechts heeft omgezet in een verdediging en hij zich niet aan deze ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding had kunnen en moeten onttrekken. De verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier geen omstandigheden blijken die een noodweersituatie aannemelijk maken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Voor noodweer is vereist dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging noodzakelijk was.

De rechtbank overweegt dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat die het scenario van de verdachte en zijn echtgenote ondersteunen dat hij door het slachtoffer met het mes werd aangevallen. In dat geval had het NFI op het heft van het mes ook – of zelfs voornamelijk – als DNA-hoofdprofiel het DNA-profiel van het slachtoffer moeten aantreffen. Dit is echter niet het geval gebleken. De rechtbank weegt verder mee dat de verdachte en zijn echtgenote hebben verklaard dat er geen sprake was van een conflict tussen hen en de aangever, terwijl uit de verklaringen van de aangever en de onafhankelijke getuigen blijkt dat de verdachte en zijn vrouw op de avond van het incident onafgebroken ruzie maakten met de aangever.

De rechtbank acht daarom onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een noodweersituatie en komt om die reden tot de conclusie dat niet is voldaan aan de vereisten voor een geslaagd beroep op noodweer.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat indien de rechtbank het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen acht, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van gelijke duur aan het voorarrest passend is.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte reeds meer tijd in voorarrest heeft doorgebracht dan dat de op te leggen straf groot kan zijn.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door zijn collega en huisgenoot met een mes in zijn rug te snijden. De verdachte heeft hiermee de grenzen van het toelaatbare volstrekt overschreden en op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is niet aan hem te danken dat het letsel en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer beperkt zijn gebleven. Daarnaast versterkt een dergelijk gewelddadig optreden de in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid.

Uit het door de officier van justitie ter terechtzitting overgelegde Poolse strafblad van de verdachte van 19 juli 2018 blijkt dat de verdachte zich in het verleden – langer dan vijf jaar geleden – ook schuldig heeft gemaakt aan geweldsfeiten. De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Nederlandse strafblad van de verdachte van 18 juli 2018, hieruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij al lange tijd kampte met een forse alcoholverslaving en dat hij zich hiervoor na zijn detentie vrijwillig wil laten behandelen.

Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank alleen een gevangenisstraf een passende strafmodaliteit. De rechtbank legt een lagere straf op dan door de officier van justitie gevorderd, omdat de rechtbank geen poging doodslag maar poging zware mishandeling bewezen verklaart.

Alles afwegende legt de rechtbank aan de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op, zonder bijzondere voorwaarden. De verdachte heeft verklaard zelf hulp te zullen zoeken voor zijn alcoholproblematiek en het voorwaardelijk deel dient er dan ook met name toe om de verdachte ervan te doordringen dat hij gemotiveerd moet blijven voor deze behandeling en dat hij zich in de toekomst moet onthouden van het plegen van strafbare feiten.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair impliciet subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

- primair impliciet subsidiair: poging tot zware mishandeling;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 2 (twee) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.C.M. Bouman, voorzitter,

mr. N.S.M. Lubbe, rechter,

mr. F.W. van Dongen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. van der Velden, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 februari 2019.

Mr. E.C.M. Bouman, voorzitter, en mr. M. van der Velden, griffier zijn buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018190501, van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Westland-Delft, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 138 en een deel ongenummerd).

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 49.

3 Geneeskundige verklaring d.d. 16-07-2018, p. 54.

4 Proces-verbaal van getuigenverhoor, p. 102.

5 Proces-verbaal van getuigenverhoor, p. 107 en 108.

6 Proces-verbaal van getuigenverhoor, p. 108.

7 Proces-verbaal van getuigenverhoor, p. 95.

8 Proces-verbaal van getuigenverhoor, p. 113 en 114.

9 Proces-verbaal van getuigenverhoor, p. 114.

10 Proces-verbaal van getuigenverhoor, p. 122-123.

11 Verklaring verdachte ter terechtzitting op 23 januari 2019.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 66-67.

13 Rapport Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van het NFI, d.d. 02-10-2018, p. 1.

14 Rapport Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van het NFI, d.d. 02-10-2018, p. 2.

15 Rapport Medisch onderzoek van het NFI, d.d. 26-11-2018, p.4.

16 Rapport Medisch onderzoek van het NFI, d.d. 26-11-2018, p.11.

17 Rapport Medisch onderzoek van het NFI, d.d. 26-11-2018, p.16.

18 Rapport Medisch onderzoek van het NFI, d.d. 26-11-2018, p. 17.

19 Rapport Medisch onderzoek van het NFI, d.d. 26-11-2018, p. 17.