Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10198

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
C/09/561320 / HA ZA 18-1039
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intellectuele eigendom. Handelsnaam. Eigen naam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/561320 / HA ZA 18-1039

Vonnis van 25 september 2019

in de zaak van

[eiseres ] ,

te [plaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. N.C. van Steijn te Leiden,

tegen

[gedaagde ] ,

te [plaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. M. Driessen te Rotterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 oktober 2018, met producties 1 tot en met 16;

  • -

    de conclusie van antwoord van 19 december 2018, met producties 1 tot en met 9;

  • -

    het tussenvonnis van 23 januari 2019, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de brief namens gedaagde van 15 februari 2019, met als bijlage een proceskostenopgave;

  • -

    de akte van eiseres van 18 februari 2019, met producties 17 tot en met 24;

  • -

    de brief namens eiseres van 21 februari 2019, waarbij productie 17 is ingetrokken;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie, gehouden op 5 maart 2019;

  • -

    de brief namens eiseres van 10 april 2019, met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Gedaagde en één van de vennoten van eiseres hebben dezelfde voorletters, voornaam1 en achternaam. Deze namen zullen hierna ook worden aangeduid als de voornaam en(/of) achternaam.

2.2.

Eiseres is in haar huidige rechtsvorm opgericht op 1 januari 1998 en exploiteert onder de naam “ [voornaam] [achternaam] Hoveniersbedrijf” (hierna: de handelsnaam van eiseres) een hoveniersbedrijf in [plaats 1] . De onderneming werd van 1 januari 1993 tot
1 januari 1998 als eenmanszaak gedreven door de onder 2.1 bedoelde vennoot van eiseres, onder de naam “ [initialen] [achternaam] ”. Eiseres maakt gebruik van de website www. [voornaam][achternaam] .nl .

2.3.

Gedaagde is begin 2015 in de vorm van een eenmanszaak een hoveniersbedrijf te [plaats 2] begonnen onder de naam “ [voorletter] [achternaam] Hoveniers ” (hierna: de oude handelsnaam (van gedaagde)). Hij heeft de domeinnaam [voorletter][achternaam]hoveniers] .nl (hierna: de oude domeinnaam (van gedaagde)) geregistreerd en het e-mailadres info@ [voorletter][achternaam] .nl aangemaakt.

2.4.

Bij brief van 9 augustus 2017 heeft een medewerker van de rechtsbijstandsverzekeraar van eiseres gedaagde - kort gezegd - gesommeerd te bevestigen dat iedere inbreuk op de handelsnaam van eiseres wordt gestaakt, dat in de toekomst geen handelsnaam zal worden geregistreerd waarvan de handelsnaam van eiseres deel uitmaakt en dat de oude domeinnaam van gedaagde wordt overgedragen aan eiseres, één en ander op straffe van een boete.

2.5.

Bij brief van 15 augustus 2017 heeft de advocaat van gedaagde enerzijds bestreden dat sprake is van handelsnaaminbreuk. Anderzijds is in die brief toegezegd om ter voorkoming van een gerechtelijke procedure binnen twee maanden de handelsnaam te wijzigen.

2.6.

Omstreeks oktober 2017 heeft gedaagde zijn handelsnaam gewijzigd in “ [afkorting] Hoveniers ” (hierna ook: de nieuwe handelsnaam van gedaagde). Gedaagde heeft tevens een website onder de domeinnaam [afkortingHoveniers.nl] (hierna: de nieuwe domeinnaam van gedaagde) in gebruik genomen. Bezoekers van de website onder de oude domeinnaam van gedaagde werden tot begin 2018 naar deze nieuwe website doorgeleid. De oude domeinnaam van gedaagde staat thans niet meer op zijn naam.

2.7.

De advocaat van eiseres heeft bij brieven van 12 oktober 2017 en 19 juli 2018 wederom gedaagde gesommeerd om - kort gezegd - iedere inbreuk op de handelsnaam van eiseres te staken.

3 Het geschil

3.1.

Eiseres vordert, na vermindering van eis2 - verkort weergegeven - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. gedaagde gebiedt binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis iedere inbreuk op de handelsnaam van eiseres te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder door het gebruik van de nieuwe handelsnaam van gedaagde te staken en gestaakt te houden, alsmede door het gebruik van een handelsnaam waarin “ [afkorting] ” en/of de voornaam en/of achternaam voorkomt in combinatie met het woord “hovenier” te staken en gestaakt te houden;

  2. gedaagde gebiedt binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis zijn eigen naam in relatie met zijn onderneming alleen te gebruiken als contactadres mits duidelijk gescheiden van de aanduiding “hovenier”, tenzij dat gebruik op grond van wet- en regelgeving noodzakelijk is;

  3. gedaagde beveelt om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis al datgene te doen wat noodzakelijk is om te bewerkstelligen dat de nieuwe domeinnaam van gedaagde om niet en zonder restricties aan eiseres wordt overgedragen;

  4. bepaalt dat na het verstrijken van de onder C vermelde termijn dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking die benodigd is voor de onder C bedoelde overdracht;

  5. gedaagde veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 5.000,- per dag bij overtreding van het onder A t/m C gevorderde;

  6. gedaagde veroordeelt in de proceskosten ex artikel 1019h Rv3, althans de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

Eiseres legt aan deze vorderingen - verkort weergegeven - het volgende ten grondslag. De oude handelsnaam van gedaagde wijkt slechts in geringe mate af van de handelsnaam van eiseres. Beide bedrijven voeren dezelfde werkzaamheden uit en zijn actief in dezelfde regio en op internet, waardoor gevaar voor verwarring bij het publiek bestaat. Het voeren van deze handelsnaam of een handelsnaam met daarin de voornaam en achternaam en “hovenier” is in strijd met artikel 5 Hnw4 en onrechtmatig. Het gecombineerd gebruik door gedaagde van de voornaam en/of achternaam en/of “hoveniers” op internet, de bedrijfsauto en op borden is ook gebruik als handelsnaam en tevens onrechtmatig jegens gedaagde.

De vrees bestaat dat de huidige handelsnaam van gedaagde door het relevante publiek als een afkorting wordt gezien van de voornaam en achternaam, te meer door het eerdere onrechtmatige gebruik van de oude handelsnaam van gedaagde en de grote gelijkenis tussen de aard van beide ondernemingen, hun plaats van vestiging en potentiele klantenkring. Gedaagde maakt nog steeds gebruik van de voornaam en achternaam en “hoveniers” in combinatie met de nieuwe handelsnaam. Voor zover dit geen inbreuk op grond van artikel 5 Hnw oplevert, handelt gedaagde op grond van artikel 6:162 BW5 onrechtmatig door in de gegeven omstandigheden een nieuwe handelsnaam te kiezen die te weinig afstand neemt van zijn oude handelsnaam.

Niet uitgesloten is dat gedaagde probeert te profiteren van of meeliften met de door eiseres opgebouwde naamsbekendheid. Daar komt bij dat gedaagde de nieuwe handelsnaam nog steeds gebruikt in directe combinatie met zijn naam en dit in zijn website heeft verwerkt, waardoor bezoekers worden getrokken die zoeken op de voornaam en achternaam en “hovenier”. Verwezen wordt naar artikel 6:193c lid 1 sub f BW. Een handelaar moet voorkomen dat zijn identiteit verwarring schept of misleidend is tegenover de consument. Eiseres heeft er belang bij dat te voorkomen.

3.3.

Gedaagde voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring in, dan wel afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van eiseres in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Artikel 5 Hnw

4.1.

Op grond van artikel 5 Hnw is het verboden een handelsnaam te voeren, die, vóórdat de onderneming onder die naam werd gedreven, reeds door een ander rechtmatig gevoerd werd, of die van diens handelsnaam slechts in geringe mate afwijkt, een en ander voor zover dientengevolge, in verband met de aard der beide ondernemingen en de plaats, waar zij gevestigd zijn, bij het publiek verwarring tussen die ondernemingen te duchten is. Dit artikel ziet derhalve op verwarring tussen ondernemingen als gevolg van het gebruik van handelsnamen.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres haar handelsnaam al voerde voordat gedaagde zijn bedrijf is begonnen.

4.3.

Partijen zijn het niet eens over de vraag welke naam of namen gedaagde als handelsnaam voert. Volgens gedaagde gebruikt hij op dit moment uitsluitend de nieuwe handelsnaam. Eiseres meent dat gedaagde daarnaast ook de oude handelsnaam en de voornaam en/of achternaam als handelsnaam gebruikt6.

4.4.

Een handelsnaam is de naam waaronder een onderneming wordt gedreven7. Daarvan is sprake als die naam ter aanduiding van die onderneming in het handelsverkeer wordt gebruikt, waarbij een zekere continuïteit en bekendheid vereist zijn8. Niet ieder gebruik van een naam in combinatie met een onderneming is derhalve als handelsnaamgebruik aan te merken.

4.5.

Gedaagde heeft omstreeks oktober 2017 zijn handelsnaam gewijzigd. Dat de oude handelsnaam na die wijziging nog wel enige tijd op de bedrijfsbus en borden en op bepaalde pagina’s op de website van gedaagde heeft gestaan, brengt niet mee dat gedaagde op dit moment die naam nog ter aanduiding van zijn onderneming voert. Dat geldt ook voor de doorverwijzing van bezoekers van de oude website naar de nieuwe website. Dit naamgebruik is immers naar tussen partijen niet ter discussie staat na ongeveer begin/medio 2018 niet meer voorgekomen. Ander door eiseres genoemd gebruik van de oude handelsnaam, zoals in broncodes en (verwijzingen naar) bestandsnamen van foto’s en vermelding van de naam op een website van een derde, is niet als het voeren van die naam door gedaagde ter aanduiding van zijn onderneming aan te merken. Dit geldt ook voor de vermelding van het oude, niet meer in gebruik zijnde website- en/of e-mailadres in het Handelsregister en op Facebook, te meer nu in dat register en op Facebook de nieuwe handelsnaam stond vermeld en genoemde website en het e-mailadres niet meer in gebruik waren.

4.6.

Ook ten aanzien van de voornaam en/of achternaam kan uit de stellingen van eiseres niet volgen dat gedaagde deze als handelsnaam voert. Gedaagde heeft gesteld dat hij zich met deze namen voorstelt aan klanten en dat deze op zijn visitekaartje staan, tezamen met het logo met daarin de nieuwe handelsnaam. Dit betreft geen gebruik ter aanduiding van zijn onderneming, maar gebruik als eigen naam. Het gebruik van de voornaam en/of achternaam in de aanduidingen op de website “ [afkorting] Hoveniersbedrijf (opgericht door [voornaam] [achternaam] )” en - zoals thans wordt gebruikt - “ [afkorting] Hoveniersbedrijf (opgericht door [voornaam] )” is evenmin te kwalificeren als het gebruik als handelsnaam. Of de enkele zin “ [achternaam] is er voor elke klus” op de website als gebruik als handelsnaam is aan te merken kan in het midden blijven, nu deze aanduiding inmiddels is gewijzigd in “ [afkorting] Hoveniers is er voor elke klus”.

4.7.

De conclusie van het voorgaande is dat gedaagde uitsluitend gebruik maakt van “ [afkorting] Hoveniers ” als handelsnaam. Eiseres kan zich dan ook alleen met betrekking tot die naam beroepen op artikel 5 Hnw. Voor toetsing van de in het verleden gevoerde oude handelsnaam van gedaagde aan artikel 5 Hnw bestaat geen aanleiding, nu eiseres bij een verbod om die naam te voeren geen belang heeft. Gedaagde heeft het voeren van de oude handelsnaam immers vrijwillig gestaakt niet gesteld of gebleken is dat het risico bestaat dat hij deze in de toekomst opnieuw zal voeren.

4.8.

Bij de beantwoording van de vraag of tussen ondernemingen verwarring is te duchten in de zin van artikel 5 Hnw dienen alle omstandigheden van het geval te worden meegewogen9. Van verwarringsgevaar is sprake als het publiek ten onrechte de ene onderneming voor de andere aanziet (directe verwarring) of denkt dat de ondernemingen iets met elkaar te maken hebben (indirecte verwarring).

4.9.

Bij vergelijking tussen de nieuwe handelsnaam van gedaagde en de handelsnaam van eiseres stelt de rechtbank het volgende vast. Het in beide namen voorkomende element “hoveniers” is beschrijvend voor de activiteiten van de ondernemingen en daarmee van onderschikt belang. Ook aan de algemene toevoeging “bedrijf” aan de handelsnaam van eiseres komt in dit verband weinig betekenis toe. De resterende elementen betreffen “ [afkorting] ” in de handelsnaam van gedaagde ten opzichte van de voornaam en achternaam in de handelsnaam van eiseres. Hier is sprake van drie woorden/namen ten opzichte van drie letters waartussen, anders dan de beginletters, sterke visuele en auditieve verschillen bestaan. Voor zover een deel van het publiek “ [afkorting] ” al zou zien als afkorting van de voornaam en achternaam, geldt dat die eventuele overeenstemming wordt gecompenseerd door voornoemde verschillen. Daarbij is van belang dat eiseres zelf geen gebruik maakt van die afkorting.

4.10.

Eiseres heeft aangevoerd dat het eerdere (in haar visie onrechtmatige) gebruik door gedaagde van zijn oude handelsnaam in die zin nawerkt dat “ [afkorting] ” door het publiek wordt geassocieerd met deze naam, ook omdat gedaagde beide namen nog enige tijd naast elkaar heeft gebruikt. Daarbij wijst zij erop dat gedaagde nog steeds gebruik maakt van de voornaam en achternaam in combinatie met “ [afkorting] ”. Van nawerking als door eiseres bedoeld kan slechts onder bijzondere omstandigheden sprake zijn10. In deze zaak kan in het midden blijven of de oude handelsnaam van gedaagde al dan niet rechtmatig werd gevoerd. Uit de stellingen van eiseres is immers niet af te leiden dat de oude handelsnaam - los van de eigen naam van gedaagde - een zodanige bekendheid heeft of blijvende indruk heeft achtergelaten bij het publiek, dat zich de uitzonderlijke omstandigheid voordoet dat deze op dit moment nog de perceptie van de nieuwe handelsnaam van gedaagde beïnvloedt. Al om die reden kan het eerdere gebruik van deze naam (in de zin van de door eiseres bedoelde nawerking) niet bijdragen aan de beoordeling van het gevaar voor verwarring tussen de ondernemingen van eiseres en gedaagde als gevolg van de door hen op dit moment gevoerde handelsnamen.

4.11.

De wijze waarop gedaagde (op dit moment) gebruik maakt van de voornaam en achternaam, te weten mondeling, op visitekaartjes en in teksten op zijn website als beschrijving van het bedrijf, kan evenmin bijdragen aan voor artikel 5 Hnw relevant verwarringsgevaar. Bij dit gebruik is immers steeds duidelijk dat het hierbij om de eigen naam van gedaagde gaat, terwijl zowel op de visitekaartjes als op de website telkens ook de nieuwe handelsnaam zichtbaar is.

4.12.

Hoewel de aard van de ondernemingen van eiseres en gedaagde vergelijkbaar is en zij actief zijn in overlappende regio’s, brengen de verschillen tussen beide handelsnamen mee dat geen gevaar voor verwarring bestaat in de zin van artikel 5 Hnw. Voor zover zich, zoals eiseres stelt en gedaagde betwist, concreet verwarring tussen de ondernemingen voordoet, lijkt dit veeleer het gevolg te zijn van de met de handelsnaam van eiseres overeenkomende eigen naam van gedaagde. Dit betreft evenwel geen verwarring als gevolg van de handelsnaam van gedaagde. Het gebruik van zijn naam ter aanduiding van hemzelf, terwijl hij zijn onderneming voert onder een van die van eiseres voldoende afwijkende handelsnaam, is gedaagde toegestaan, zodat eventuele verwarring als gevolg daarvan niet voor zijn rekening dient te komen. Dit geldt ook voor het gebruik door gedaagde van de voornaam en/of achternaam in combinatie met “hovenier” (waartegen eiseres ook bezwaar maakt), al omdat dit nu eenmaal een aanduiding is van de eigen naam en het beroep van gedaagde.

Artikel 6:162 BW

4.13.

Eiseres stelt dat gedaagde in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid handelt door in de gegeven omstandigheden een nieuwe handelsnaam te kiezen die te weinig afstand neemt van de oude handelsnaam. Van gedaagde, die bekend was met het bezwaar van eiseres tegen de nieuwe handelsnaam, mocht gelet op het gegeven dat partijen dezelfde naam en initialen hebben en binnen dezelfde branche en regio actief zijn, worden verwacht dat hij een naam koos die verwarring zoveel mogelijk zou tegengaan, zo meent eiseres.

4.14.

Naar het oordeel van de rechtbank is de door gedaagde gekozen nieuwe handelsnaam in de gegeven omstandigheden voldoende afwijkend van de oude handelsnaam, alsook van de handelsnaam van eiseres. Zelfs als een deel van het publiek de letters “ [afkorting] ” zou opvatten als een afkorting van de voornaam en achternaam, is nog steeds sprake van een voldoende onderscheid. Ook hier geldt dat van belang is dat eiseres zelf die afkorting niet gebruikt. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat - zoals door gedaagde onweersproken is gesteld - de achternaam, ook in de hoveniersbranche, een veelvoorkomende naam is. Ook de voornaam is geen ongebruikelijke naam. Hiervoor is al overwogen dat eventuele verwarring tussen de beide ondernemingen veeleer lijkt voort te komen uit de omstandigheid dat gedaagde en één van de vennoten van eiseres dezelfde voornaam en achternaam hebben. Deze omstandigheid is echter niet zodanig uitzonderlijk dat daarmee de keuze voor de nieuwe handelsnaam als onrechtmatig is aan te merken. Verwarring als gevolg van daarvan zou zich ook voor kunnen doen indien gedaagde - zoals eiseres heeft gesuggereerd - een fantasienaam als handelsnaam had gekozen. Deze dient dan ook niet voor rekening van gedaagde te komen.

4.15.

Ook de stelling dat gedaagde tracht mee te liften met en profiteren van de door eiseres opgebouwde naamsbekendheid kan niet slagen. De wijze waarop gedaagde zijn eigen naam op de website van zijn bedrijf gebruikt is hem toegestaan. Dat op enkele pagina’s op die website en in de broncode daarvan ook nog de oude handelsnaam van gedaagde is dan wel was terug te vinden, is in het licht van de overige inspanningen van gedaagde om de naamswijziging door te voeren, niet als onrechtmatig profiteren aan te merken. Dat dit - zoals eiseres stelt - tot gevolg heeft dat bij het zoeken via Google met de voornaam en achternaam en “hovenier” ook de website van gedaagde in de resultaten verschijnt, maakt dat niet anders, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over het toegestane gebruik door gedaagde van zijn eigen naam en beroep. Daarbij komt dat in de door eiseres in dit verband getoonde zoekresultaten, de bovenste vijf dan wel drie vermeldingen naar de onderneming van eiseres verwijzen. De verwarring tussen de ondernemingen waarop eiseres zich beroept, lijkt zich bovendien uitsluitend voor te doen in die zin dat klanten die naar gedaagde op zoek zijn bij eiseres uitkomen, zodat ook om die reden geen aanleiding bestaat voor de conclusie dat sprake is van door gedaagde onrechtmatig aanhaken bij de onderneming van eiseres.

4.16.

Nog daargelaten of eiseres zich als ondernemer kan beroepen op artikel 6:193c lid 1 sub f BW, kan dit beroep al niet slagen omdat uit het hiervoor overwogene volgt dat het gebruik door gedaagde van zijn handelsnaam, al dan niet in combinatie met zijn eigen naam, niet als misleidend is aan te merken.

Slotsom

4.17.

De conclusie van het voorgaande is dat gedaagde met de handelsnaam die hij op dit moment voert en ander naamgebruik geen inbreuk maakt op de handelsnaam van eiseres of anderszins onrechtmatig jegens haar handelt. Nu ook niet is gesteld of gebleken dat het risico bestaat dat gedaagde dit in de toekomst wel zal doen, bestaat geen aanleiding voor toewijzing van de vorderingen van gedaagde.

Proceskosten

4.18.

Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Gedaagde vordert veroordeling in de proceskosten op grond van artikel 1019h Rv en heeft daartoe een specificatie tot een bedrag van € 8.003,91 overgelegd. Met partijen acht de rechtbank in deze zaak het indicatietarief voor een eenvoudige bodemzaak11 van toepassing, zodat een bedrag van € 8.000,-, vermeerderd met het griffierecht ad € 291,- derhalve in totaal € 8.291,- als redelijke en evenredige proceskosten zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het wijzen van dit vonnis zal eveneens worden toegewezen.

4.19.

Voor een aparte veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert12. De rechtbank zal, zoals gevorderd, de nakosten begroten conform het daarop toepasselijke liquidatietarief.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van eiseres af;

5.2.

veroordeelt eiseres in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van gedaagde begroot op € 8.291,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling, en op € 157,- aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 82,- in geval van betekening;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.J. Visser en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2019.

1 Voor de vennoot van eiseres betreft dit zijn roepnaam

2 Eiseres heeft tijdens de comparitie van partijen de vordering tot overdracht van de oude domeinnaam van gedaagde niet langer gehandhaafd

3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

4 Handelsnaamwet

5 Burgerlijk Wetboek

6 De rechtbank begrijpt de stellingen van eiseres, mede gezien het gevorderde onder A, aldus dat zij geen bezwaar heeft tegen het gebruik van het woord “hovenier(s)”, indien dit niet in combinatie wordt gebruikt met de voornaam en/of achternaam of “ [afkorting] ”

7 Artikel 1 Hnw

8 Vgl. HR 6 september 1962, NJ 1962, 360

9 HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3477

10 Vgl. HR 8 mei 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5592 en (ten aanzien van merken) HR 30 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0607 en de daarbij behorende conclusie van A-G Huydecoper

11 Indicatietarieven in IE-zaken, versie april 2017, categorie II.a onder b

12 vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237