Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10159

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-09-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
C/09/577163 / JE RK 19-1716
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis. Beschikking in kindvriendelijke taal geschreven. Betreft jongen van 12 jaar waarvan de vader is overleden en de moeder nauwelijks betrokken is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd & Bopz

Zaaksgegevens: C/09/577163 / JE RK 19-1716

Datum uitspraak: 11 september 2019

Beschikking van de kinderrechter

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van het op 16 juli 2019 ingekomen verzoek van:

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.

Deze zaak gaat over:

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] België (hierna wordt hij genoemd bij zijn roepnaam: [minderjarige] ).

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de vrouw] ,

hierna wordt zij genoemd: de moeder,

wonende in [woonplaats] België.

Wat is er de laatste tijd gebeurd?

De vader van [minderjarige] is vorig jaar overleden. De moeder is na het overlijden van de vader alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij de belangrijke beslissingen moet nemen over [minderjarige] , bijvoorbeeld naar welke school hij gaat en naar welke dokter hij gaat als dat nodig is.

[minderjarige] heeft in zijn leven al veel meegemaakt. Hij staat daarom al meer dan twee jaar onder toezicht. Dat betekent dat hij een jeugdbeschermer heeft die op hem let en hem helpt. [minderjarige] woont ook al meer dan twee jaar niet meer thuis, omdat het daar niet veilig was. Hij woonde eerst in een instelling en nu in een gezinshuis.

De kinderrechter bepaalt of een ondertoezichtstelling (OTS) nodig is. De kinderrechter moet ook toestemming geven voor een uithuisplaatsing. De vorige keer dat de kinderrechter hierover voor [minderjarige] een beslissing heeft genomen, was op 18 september 2018. De kinderrechter heeft toen beslist dat [minderjarige] in ieder geval tot 19 september 2019 onder toezicht staat van de jeugdbeschermer. De jeugdbeschermer is de heer [vertegenwoordiger van de GI] Hij werkt bij de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.

De kinderrechter heeft toen ook beslist dat [minderjarige] in ieder geval tot 19 september 2019 blijft wonen bij de instelling. Per 1 mei 2019 is [minderjarige] verhuisd naar een gezinshuis.

Waar gaat het nu om?

Op 16 juli 2019 heeft de jeugdbeschermer in een brief aan de kinderrechter gevraagd of de ondertoezichtstelling van [minderjarige] weer verlengd kan worden en of hij in het gezinshuis mag blijven wonen. De jeugdbeschermer heeft dit gevraagd voor een jaar, langer kan niet volgens de wet. De Raad voor de Kinderbescherming heeft de kinderrechter het advies gegeven om te doen wat de jeugdbeschermer heeft gevraagd.

Op 11 september 2019 is [minderjarige] samen met zijn jeugdbeschermer bij de rechtbank geweest om aan de kinderrechter te vertellen wat hij belangrijk vindt voordat de kinderrechter een beslissing neemt. De kinderrechter heeft de moeder ook uitgenodigd om te komen, maar zij was er niet.

[minderjarige] heeft verteld dat het goed met hem gaat en dat hij het naar zijn zin heeft in het gezinshuis. De jeugdbeschermer heeft nog verteld dat er veel is veranderd in het leven van [minderjarige] en dat hij nu eerst rust nodig heeft.

Wat vindt de kinderrechter?

Omdat [minderjarige] al zo lang in Nederland woont, vindt de kinderrechter dat de zaak van [minderjarige] in Nederland moet worden behandeld en niet in België, waar zijn moeder woont.

De kinderrechter heeft gelezen en gehoord dat [minderjarige] een kwetsbare jongen is die vroeger veel vervelende dingen heeft meegemaakt. Daarnaast is [minderjarige] na het overlijden van zijn vader erg verdrietig geweest. Dat is logisch, want hij had een goede band met zijn vader en hij mist hem erg. [minderjarige] is boos op de mensen die in zijn ogen niet goed waren voor zijn vader. Hij is daarom ook boos op de moeder. De moeder en [minderjarige] hebben niet zo’n goede band met elkaar. De moeder woont ver weg en zij komt niet vaak naar [minderjarige] toe. Ook met de hulp die zij samen kregen, is het niet gelukt om hun band te versterken. De jeugdbeschermer gaat onderzoeken of ze een volgende keer aan de kinderrechter kunnen vragen om het gezag van de moeder te beëindigen. Dan kan zij niet meer de belangrijke beslissingen over [minderjarige] nemen, maar ze blijft natuurlijk wel zijn moeder. [minderjarige] ziet of spreekt andere familieleden niet vaak. Hij heeft wel vrienden in zijn omgeving.

De kinderrechter vindt het belangrijk dat er iemand is die voor [minderjarige] kan opkomen en die hem kan helpen om alles wat er gebeurd is een plekje te geven. Hier heeft [minderjarige] nog hulp bij nodig. De jeugdbeschermer kan goed in de gaten houden hoe het gaat met [minderjarige] en kan kijken wat hij nodig heeft als het niet zo goed met hem gaat. De kinderrechter vindt het een goed idee van de jeugdbeschermer om te kijken of [minderjarige] andere familieleden kan leren kennen, zoals een halfzus en een oom. De kinderrechter zal beslissen dat een jeugdbeschermer nog een jaar langer blijft, dus in ieder geval tot 19 september 2020.

De kinderrechter vindt het ook belangrijk dat [minderjarige] kan blijven wonen waar hij nu woont. Het gaat nu beter met hem in het gezinshuis en op school. Omdat de moeder niet in de buurt is en zij en [minderjarige] geen goede band met elkaar hebben, is het niet mogelijk dat [minderjarige] naar huis gaat. [minderjarige] wil dat zelf ook niet en de moeder heeft niet laten zien dat zij nu goed genoeg voor hem kan zorgen. De kinderrechter zal daarom beslissen dat [minderjarige] nog een jaar langer in een gezinshuis blijft wonen, dus in ieder geval tot 19 september 2020.

De kinderrechter neemt een beslissing op grond van de wet en vindt dat is voldaan aan wat er in artikel 1:255 en 1:265b van het Burgerlijk Wetboek staat. Hierna zal de kinderrechter de beslissing officieel opschrijven.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] van 19 september 2019 tot

19 september 2020 met behoud van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering als gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling;

verlengt de aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering verleende machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening van 19 september 2019 tot 19 september 2020, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling.

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2019 door mr. E.M.M. Engbers, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.T. Viezee als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 28 september 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.