Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10101

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-08-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
NL19.16831 en NL19.16833
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië. Ongegrond. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Aangifte mensenhandel: in de Dublinprocedure wordt op grond van art 3.6a, tweede lid, van het Vb niet toegekomen aan de vraag of eisers in aanmerking zouden komen voor een verblijfsvergunning als slachtoffers van mensenhandel. Daarom hoeven eisers niet in de gelegenheid te worden gesteld om aangifte te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL19.16831 en NL19.16833


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2019 in de zaken tussen

[eiser I] , eiser I, en [eiser II] , eiser II, samen eisers,

(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 18 juli 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor behandeling van de aanvragen. Deze besluiten gelden tevens als overdrachtsbesluiten.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2019. Eisers en hun gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 10 april 2019 heeft verweerder de autoriteiten van Italië verzocht eisers terug te nemen op grond van de Dublinverordening. Op 23 april 2019 heeft Italië de verzoeken aanvaard.

2. Verweerder heeft de aanvragen van eisers op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvragen.

3. Onder verwijzing naar de brief “Italië – Dublin (recente ontwikkelingen)” van Vluchtelingenwerk Nederland van 25 juli 2019 voeren eisers aan dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat sprake is structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen. In dit verband stellen eisers dat het Salvini-decreet tot gevolg heeft dat asielzoekers in Italië alleen toegang hebben tot diensten die slechts voldoende zijn om te overleven. Niet is gebleken dat eisers opvang zullen krijgen in Italië. Ten onrechte zijn eisers niet als kwetsbaar aangemerkt, terwijl zij slachtoffer zijn van mensenhandel en zij seksueel zijn uitgebuit door personen die zich nu in Italië bevinden.

3.1.

Uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen zal nakomen en dat het aan eisers is om aannemelijk te maken dat dit anders is.

3.2.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat Italië zijn verdragsverplichtingen jegens hen niet nakomt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131) overwogen dat verweerder ten aanzien van Italië terecht van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat en dat het Salvini-decreet niet tot gevolg heeft dat Dublinclaimanten geen opvang meer krijgen. De Afdeling heeft bij uitspraak van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861) onder meer geoordeeld dat dit ook geldt voor kwetsbare personen. De vraag of eisers al dan niet als kwetsbaar moeten worden aangemerkt, kan reeds daarom nergens toe leiden. De rechtbank zal de door eisers gestelde kwetsbaarheid verder buiten bespreking laten.

3.3.

De rechtbank ziet in wat eisers verder aanvoeren geen aanleiding anders te oordelen dan de Afdeling heeft gedaan. Hoewel de rechtbank erkent dat in Italië de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers bepaalde tekortkomingen kennen, schetst de overgelegde brief van Vluchtelingenwerk Nederland geen wezenlijk ander beeld van de situatie zoals die door de Afdeling is beoordeeld. Daarbij is van belang dat de brief van Vluchtelingenwerk grotendeels ziet op een periode die al door de Afdeling is beoordeeld in de uitspraak van 12 juni 2019. Na die datum zijn er volgens die brief weliswaar problemen geweest bij twee opvangcentra in de Italiaanse provincie Imperia, maar daaruit blijkt geenszins dat het recht op opvang is ingeperkt of dat de opvangvoorzieningen in Italië in het algemeen zijn verslechterd. Verder blijkt uit de brief weliswaar dat een groot opvangcentrum op Sicilië is gesloten vanwege een daling van het aantal asielzoekers daar, maar daarbij is ook vermeld dat de overgebleven asielzoekers daarna zijn opgevangen in andere opvangcentra. Eisers hebben met de brief van Vluchtelingenwerk dus onvoldoende onderbouwd dat zij bij terugkeer in Italië geen recht meer hebben op opvang. Daarbij is verder van belang dat eisers allebei in hun gehoren hebben verklaard dat zij tijdens hun vorige verblijf in Italië opvang hebben gehad tot hun asielverzoeken werden afgewezen.

Nu de Italiaanse autoriteiten de claimverzoeken hebben geaccepteerd, garanderen zij dat ze de asielverzoeken in behandeling zullen nemen en mag er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ook van worden uitgegaan dat zij eisers zullen opvangen in overeenstemming met de Opvangrichtlijn (2013/33/EU) en de Procedurerichtlijn (2013/32/EU). Verder stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eisers bij een gebrek aan opvang en andere voorkomende problemen dienen te klagen bij de Italiaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat dat voor hen onmogelijk is of dat klagen bij voorbaat zinloos is.

3.4.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt mogen stellen dat ervan kan worden uitgegaan dat Italië zijn internationale verplichtingen zal nakomen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat in Italië sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat zij daar een reëel risico zullen lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De beroepsgrond faalt.

4. Eisers voeren aan dat zij in staat moeten worden gesteld om aangifte te doen van mensenhandel. Eisers hebben al een afspraak gehad bij politie, maar die is tussentijds afgebroken omdat eisers mentaal niet in staat waren om gedetailleerd te verklaren over hun ervaringen met betrekking tot mensenhandel. Eisers wijzen daarbij op hun medische dossiers. Inmiddels hebben eisers van de officier van justitie en de coördinator van het Team Migratiecriminaliteit en Mensenhandel een nieuwe kans gekregen om aangifte te doen.

4.1.

Uit de overgelegde stukken blijkt weliswaar dat eisers een gesprek met de politie over mensenhandel hebben gehad, maar niet is gebleken dat eisers inmiddels daadwerkelijk aangifte hebben gedaan. De omstandigheden dat een afspraak met de politie is afgebroken en dat eisers een tweede kans hebben gekregen om aangifte te doen, vormen geen aanleiding om de Dublinprocedure op te schorten. In deze procedure wordt namelijk op grond van artikel 3.6a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 niet toegekomen aan de vraag of eisers in aanmerking zouden kunnen komen voor een verblijfsvergunning als slachtoffers van mensensmokkel, dan wel mensenhandel, omdat verweerder de aanvragen van eisers niet in behandeling heeft genomen. Eisers hoeven dus niet in de gelegenheid te worden gesteld aangifte te doen bij de politie. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:266). Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er daarom vanuit gaan dat eisers hun aangifte kunnen doen in Italië. De beroepsgrond faalt.

5. De beroepen zijn ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, rechter, in aanwezigheid van

mr. R. Groeneveld, griffier.

griffier rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op 6 augustus 2019.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.