Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10093

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
30-09-2019
Zaaknummer
NL19.17971 en NL19.17973
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepen gegrond. Verweerder heeft ten onrechte niet kenbaar getoetst aan artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL19.17971 en NL19.17973


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam 1] en [naam 2] , eiseressen,

(gemachtigde: mr. H. Yousef),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. de Vita).


Procesverloop

Hier wordt uitgelegd wat er in deze procedure is gebeurd vanaf het moment van de asielaanvraag tot en met de behandeling tijdens de zitting.

Eiseressen hebben op 9 september 2018 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft op 24 juni 2019 aan eiseressen laten weten dat zij voornemens is de asielaanvragen af te wijzen. Verweerder heeft eiseressen in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Eiseressen hebben daarvan op 22 juli 2019 gebruikt gemaakt.

Verweerder heeft bij besluiten van 31 juli 2019 (de bestreden besluiten) de asielaanvragen afgewezen. Eiseressen hebben vervolgens op 1 augustus 2019 beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep hebben zij schriftelijk toegelicht op 8 augustus 2019. Eiseressen hebben de rechtbank ook verzocht om een voorlopige voorziening1, omdat zij graag de behandeling van dit beroep in Nederland willen afwachten.

De zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2019. Tijdens deze zitting heeft de rechtbank de beroepen (de zaaknummers NL19.17971 en NL19.17973) en de verzoeken om een voorlopige voorziening (de zaaknummers NL19.17972 en NL19.1794) van eiseressen behandeld.

Eiseressen zijn allebei verschenen op de zitting van 15 augustus 2019. Mr. H. Yousef, de advocaat van eiseressen, heeft namens hen het woord gevoerd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. de Vita.

Wat de rechtbank van de zaak vindt

1. In dit gedeelte van de uitspraak zal de rechtbank eerst een korte inleiding geven. Daarna zal de rechtbank het standpunt van verweerder bespreken en vaststellen welke vragen de rechtbank moet beantwoorden. Vervolgens zal de rechtbank die vragen beantwoorden en daarbij bespreken wat eiseressen in beroep hebben aangevoerd. In de conclusie licht de rechtbank toe wat er verder moet gaan gebeuren met deze zaak.

Inleiding

2. Eiseressen stellen staatloze Palestijnen te zijn en te zijn geboren [geboortedatum 1] ( [naam 1] ) en op [geboortedatum 2] ( [naam 2] ). Eiseressen zijn moeder en dochter. [naam 1] zal daarom worden aangeduid als “moeder” en [naam 2] als “dochter”.

3. Moeder is toen zij vier jaar oud was gevlucht vanuit Palestina naar Syrië. In Syrië is zij in het vluchtelingenkamp “Al Yarmouk” terecht gekomen. De echtgenoot van moeder kreeg een baan in Qatar als docent. In de jaren dat hij daar als docent heeft gewerkt (van 1960 tot 1997), heeft moeder ongeveer negen maanden per jaar in Qatar gewoond en de andere drie maanden in Syrië, in het vluchtelingenkamp. Toen haar echtgenoot is overleden is zij weer teruggekeerd naar Syrië. Uiteindelijk is zij in 2012 naar haar dochter in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) gegaan vanwege de gevaarlijke situatie in Syrië.

4. Dochter heeft tot 1979 bij haar moeder gewoond en heeft vervolgens in de periode van 1979 tot 1985 haar universitaire studie in Syrië gevolgd. Na haar studie heeft zij drie jaar in Qatar gewoond en na haar huwelijk is zij in 1989 naar de VAE gegaan.

5. In 2019 is moeder op bezoek gegaan bij haar zoon [naam 3] in de Verenigde Staten van Amerika (VS). [naam 3] was ernstig ziek en is overleden. Moeder is zelf ook ziek geworden in de VS en kon niet zelfstandig terugreizen naar de VAE. Dochter is daarom ook afgereisd naar de VS en is toen samen met moeder naar Nederland gereisd. Zij hebben in Nederland een asielvergunning aangevraagd. Moeder en dochter hebben aan hun asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij niet meer terug kunnen naar de VAE omdat hun verblijfsvergunningen zijn verlopen. Zij kunnen evenmin terug naar Syrië omdat het daar gevaarlijk is vanwege de oorlog.

Standpunt verweerder

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor moeder en dochter het land van herkomst de VAE is. Moeder en dochter hebben ten aanzien van de VAE geen elementen aangevoerd op grond waarvan zij een verblijfsvergunning zouden moeten krijgen in Nederland. Dat moeder en dochter geen toegang hebben tot de VAE, heeft geen raakvlak met de vraag of zij kunnen worden aangemerkt als verdragsvluchteling en ook niet met de vraag of er een reëel risico is op ernstige schade2. Dat zij problemen vrezen als zij afreizen naar Syrië, is niet relevant, nu dat niet het land van herkomst is.

7. Verweerder heeft de asielaanvragen daarom afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Daarin is bepaald dat verweerder de asielaanvragen kan afwijzen als “kennelijk ongegrond” wanneer de vreemdeling3 alleen aangelegenheden aan de orde heeft gesteld die niet ter zake doen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 28 van de Vw. Een verblijfsvergunning op grond van artikel 28 van de Vw betreft een asielvergunning. Die kan je alleen krijgen als je kan worden aangemerkt als vluchteling of als je – kortgezegd – ernstig risico loopt op een onmenselijke behandeling. Als je geen aspecten aanvoert die daarop zien, kan je dus geen asielvergunning krijgen.

Vragen die de rechtbank moet beantwoorden

8. Partijen4 verschillen ten eerste van mening of voldaan moet worden aan het vereiste van artikel 3.106a, eerste lid aanhef en onder e, van het Vb. Ook verschillen partijen van mening of verweerder terecht niet heeft getoetst aan artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag5. Tot slot verschillen partijen van mening over de vraag of de VAE kan worden aangemerkt als het land van herkomst van moeder en dochter.

Vereiste van artikel 3.106a

9. Moeder en dochter hebben in beroep aangevoerd dat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 3.106a, eerste lid aanhef en onder e, van het Vb6. Dit vereiste is van toepassing wanneer een asielaanvraag is afgewezen op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, b, of c, van de Vw.

10. In deze zaak heeft verweerder de asielaanvragen van moeder en dochter afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit vormt dan ook het toetsingskader voor de rechtbank. Of is voldaan aan het vereiste van artikel 3.106a, eerste lid aanhef en onder e, van het Vb is dus niet van belang voor de beoordeling.

Artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag

11. Moeder en dochter hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of zij in de VAE bijstand van de UNRWA7 hebben verkregen en of er daadwerkelijk bescherming en bijstand was. Zij hebben daartoe verwezen naar de uitspraak van de Afdeling8 van 19 februari 20199, waarin wordt verwezen naar het arrest Alheto van het Hof van Justitie10.

12. Het Vluchtelingenverdrag regelt in artikel 1D een uitsluitingsgrond11 en een insluitingsgrond12. Het Vluchtelingenverdrag is niet van toepassing als een vreemdeling bescherming geniet van een ander orgaan of een andere instelling van de Verenigde Naties dan van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen. In het geval die bescherming is opgehouden, vallen die personen weer wel onder het Vluchtelingenverdrag.

13. Verweerder heeft in paragaaf C2/3.1 en C2/3.2 van de Vc13 haar beleid opgenomen ten aanzien van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Dit beleid is verder uitgewerkt in de Werkinstructie 2019/1214. Dit komt erop neer dat in elke zaak zal moeten worden beoordeeld of artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. Valt de vreemdeling daar niet onder, dan volgt de “normale” asieltoets. Valt de vreemdeling daar wel onder, dan volgt de “1D-toets”. Deze toetsing komt, zoals blijkt uit voornoemde werkinstructie, op het volgende neer:

*Als de vreemdeling een nationaliteit heeft, dan moet worden bezien of hij de bescherming van zijn eigen autoriteiten kan inroepen. Dit is de gewone asieltoets.

**Dit houdt in dat de asielaanvraag in ieder geval wordt afgewezen op de ‘a’-grond. De toets aan de ‘b’-grond vindt wel plaats.

14. In dit geval heeft dochter een UNRWA-registratiekaart overgelegd. Deze registratiekaart is door verweerder op echtheid onderzocht en echt bevonden. Moeder heeft een kopie van een familieregistratiekaart van UNRWA overgelegd. Moeder heeft verklaard dat zij in de periode van 1997 tot 2012 onafgebroken in Syrië in het vluchtelingenkamp “Al Yarmouk” heeft gewoond. Dit is door verweerder niet betwist. Ook blijkt uit de bestreden besluiten dat niet in geschil is dat zowel moeder als dochter worden gevolgd in hun verklaringen over de identiteit, Palestijnse afkomst en daarmee samenhangende staatloosheid.

15. Staatloze Palestijnen vallen onder het mandaat van de UNRWA, zoals volgt uit paragraaf C2/3.1 van de Vc. Aldus had toetsing aan artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag moeten plaatsvinden15. Dit heeft verweerder niet gedaan. Verweerder had moeten onderzoeken of moeder en dochter bescherming van UNRWA hebben en indien die bescherming is opgehouden, hoe dat is gekomen. In het geval verweerder van oordeel is dat artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is, moet verweerder dat onderbouwen. De bestreden besluiten bevatten daarom een motiverings- en onderzoeksgebrek. De bestreden besluiten komen dan ook in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb16.

16. Verweerder heeft ter zitting verzocht om artikel 6:2217 van de Awb toe te passen en dit gebrek te passeren. Verweerder heeft tijdens de zitting toegelicht dat toetsing aan artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag wel heeft plaatsgevonden, maar dat dat niet is opgenomen in de bestreden besluiten. Het was volgens verweerder namelijk volstrekt duidelijk dat er geen bescherming was van UNRWA.

17. Toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan alleen in het geval moeder en dochter door het gebrek niet zijn benadeeld. Nu toetsing van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag bepalend is voor de verdere beoordeling van de asielaanvragen, en die toetsing niet kenbaar heeft plaatsgevonden, zijn moeder en dochter dus wel in hun belangen geschaad. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

18. Omdat de bestreden besluiten een gebrek bevatten, zal verweerder nieuwe besluiten moeten nemen. Met het oog op efficiënte besluitvorming zal de rechtbank de bestreden besluiten voor het overige ook beoordelen, zodat verweerder daar rekening mee kan houden als zij de nieuwe besluiten neemt.

Land van herkomst

19. Moeder en dochter hebben zich op het standpunt gesteld dat de VAE ten onrechte is aangemerkt als het land van herkomst. Moeder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er geen land van herkomst hoeft te worden vastgesteld. Moeder heeft haar hele leven in Syrië gewoond, zodat Syrië dus duidelijk haar land van herkomst is. Moeder heeft zich subsidiair en dochter heeft zich primair op het standpunt gesteld dat bij de vaststelling van het land van herkomst ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat zij niet zullen worden toegelaten tot de VAE.

20. De rechtbank merkt ten eerste op dat het van belang is vast te stellen waar moeder en dochter hun gebruikelijke verblijfplaats hadden om te beoordelen wat het land van herkomst is. Daarvoor is bepalend waar moeder en dochter het centrum van hun activiteiten hadden.

Primair voor moeder

21. Ten aanzien van het primaire standpunt van moeder, het volgende. Voor de beoordeling of de VAE aangemerkt kan worden als gebruikelijke verblijfplaats, is niet relevant welke banden moeder heeft met Syrië. Uit vaste jurisprudentie18 van de Afdeling blijkt dat verweerder niet gehouden is om één land aan te merken als de gebruikelijke verblijfplaats met uitsluiting van andere landen. Dit betekent dat naast Syrië ook de VAE als gebruikelijke verblijfplaats van moeder kan worden aangemerkt. Verweerder hoeft in de beoordeling of de VAE aangemerkt kan worden als gebruikelijke verblijfplaats dus niet de banden die moeder heeft met Syrië mee te wegen19.

Subsidiair voor moeder en primair voor dochter

22. Moeder heeft ongeveer zes jaar en dochter heeft ongeveer 30 jaar in de VAE gewoond. Beiden hebben daar legaal gewoond, met verblijfstitel. Zij hebben daar medische verzorging gekregen. De kinderen van dochter gingen daar naar school. Zowel dochter als de echtgenoot van dochter hebben daar gewerkt. Ze hebben daar huisvesting gehad en gezamenlijk sociale activiteiten ondernomen. Bovendien was het in eerste instantie de bedoeling om na het bezoek aan Amerika weer terug te keren naar de VAE. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op grond hiervan kunnen vaststellen dat het centrum van de activiteiten van moeder en dochter in de VAE lag en dat daarom de VAE kan worden aangemerkt als hun gebruikelijke verblijfplaats.

23. Vervolgens is de vraag of verweerder bij het vaststellen van de VAE als gebruikelijke verblijfplaats van moeder en dochter terecht buiten beschouwing heeft gelaten of zij nog zullen worden toegelaten tot de VAE. In de werkinstructie 2019/12, die van toepassing was ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten, staat daarover op pagina 15 het volgende:

Voor zover de vreemdeling geen geldig verblijfsrecht meer heeft voor een land dat kan gelden als land van gebruikelijke verblijfplaats, moet de IND beoordelen in hoeverre het aannemelijk is dat de vreemdeling er opnieuw een verblijfsrecht kan krijgen. Daarbij moet met name de verblijfsgeschiedenis van de vreemdeling in het betreffende land worden betrokken, de contacten die hij er had met de autoriteiten alsmede de omstandigheden rond zijn vertrek uit het land. Als aannemelijk is dat iemand wederom verblijf kan krijgen, is het aan de vreemdeling om aan te tonen dat dit niet het geval is.

24. Deze werkinstructie heeft verweerder gepubliceerd op haar website20. De werkinstructie geeft richting aan de wijze waarop het beleid moet worden uitgevoerd ten aanzien van de vaststelling van het land van herkomst. De werkinstructie kan daarom worden aangemerkt als een vaste gedragslijn. Uit de bestreden besluiten blijkt niet waarom verweerder niet volgens de werkinstructie heeft gehandeld. Verweerder heeft alleen opgemerkt dat de vraag of eiseressen wel of niet toegang hebben tot de VAE, niet van belang is voor de beoordeling van de asielaanvraag. Daar gaat het echter niet om: allereerst moet niet worden beoordeeld of er toegang is, maar of eiseressen een verblijfsrecht kunnen krijgen (toelating). Bovendien blijkt uit de gedragslijn dat de vraag of er een verblijfsrecht is van belang is voor de bepaling of een land als land van herkomst kan worden aangemerkt. De vaststelling van het land van herkomst gaat vooraf aan de inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag, zoals blijkt uit het beleid van verweerder zoals vastgelegd in paragraaf C2/2 van de Vc. In zoverre zijn de bestreden besluiten ondeugdelijk gemotiveerd en daarom in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.

25. Verweerder heeft ter zitting nog toegelicht dat deze geciteerde tekst per abuis in de werkinstructie is opgenomen en dat dit in de volgende werkinstructie zal worden verwijderd. Die volgende werkinstructie (2019/13) is vervolgens diezelfde dag (op 15 augustus 2019) gepubliceerd op de website van verweerder en daaruit is inderdaad voornoemde passage verwijderd. Deze werkinstructie is geldig vanaf 15 augustus 2019.

26. De rechtbank is van oordeel dat geen rekening kan worden gehouden met de gewijzigde werkinstructie (2019/13), omdat ten tijde van de bestreden besluiten Werkinstructie 2019/12 gold. Moeder en dochter mochten daar –van uitgaan. Op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw kan de rechtbank rekening houden met wijzigingen van beleid die na het bestreden besluit zijn bekendgemaakt. De nieuwe werkinstructie is alleen geen beleid, dus daarmee kan de rechtbank daarom geen rekening houden. Dat verweerder niet bedoeld heeft dit in haar werkinstructie op te nemen en dit op de dag van de zitting nog heeft gewijzigd, komt voor haar eigen rekening en risico.

Conclusie

27. De bestreden besluiten zijn gebrekkig. Het beroep van moeder en dochter slaagt daarom. Juridisch wordt dit omschreven als “de beroepen zijn gegrond”. De bestreden besluiten worden vernietigd.

28. Er is geen ruimte voor de rechtbank om de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Dat betekent dat de rechtbank niet meer kan doen dan het vernietigen van de bestreden besluiten. Het ligt namelijk op de weg van verweerder om de toetsing in het kader van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag te verrichten. Verweerder moet nieuwe besluiten nemen, waarbij verweerder rekening moet houden met wat de rechtbank in deze uitspraak heeft opgeschreven.

29. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,-, twee samenhangende zaken en een wegingsfactor 1)21.

Beslissing


De rechtbank:

-
verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.024,-.

griffier rechter

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Voorn, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Andel, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Een tijdelijke maatregel die de rechtbank kan nemen in afwachting van de behandeling van het beroep.

2 Zie artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

3 In dit geval dus moeder en dochter.

4 Moeder en dochter enerzijds en verweerder anderzijds.

5 Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève 28-07-1951.

6 Vreemdelingenbesluit 2000.

7 The United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East.

8 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

9 ECLI:NL:RVS:2019:557.

10 Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:584.

11 Een grond waarop vreemdelingen niet onder het Vluchtelingenverdrag vallen.

12 Een grond waarop vreemdelingen wel onder het Vluchtelingenverdrag vallen.

13 Vreemdelingencirculaire 2000.

14 Ondertussen vervangen door Werkinstructie 2019/13. De tekst van de nieuwe werkinstructie wijkt voor dit gedeelte niet af van de voorgaande werkinstructie.

15 In dit verband verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:557), de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 juli 2018 (ECLI:EU:C:2018:584), de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 3 juli 2018 (ECLI:NL:RBLIM:2018:6309).

16 Algemene wet bestuursrecht.

17 Dit artikel luidt: Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

18 Met “vaste jurisprudentie” worden uitspraken bedoeld die leidend zijn voor de beoordeling van bepaalde vragen.

19 Verwezen wordt in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:557).

20 www.ind.nl.

21 Zie het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand