Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10082

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-09-2019
Datum publicatie
30-09-2019
Zaaknummer
NL19.8511
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag van mensenrechtenactiviste uit Uganda, relaas (bedreiging door onbekenden) ongeloofwaardig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.8511


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.A. van den Berg),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F. van de Leur).


Procesverloop
Bij besluit van 15 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Abdulla. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

De termijn voor het doen van uitspraak is verlengd tot heden.

Overwegingen

1. Eiseres bezit de Ugandese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Eiseres heeft op 8 augustus 2018 een aanvraag gedaan om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Aan die aanvraag ligt het volgende relaas ten grondslag. Eiseres werkte als activiste op het gebied van LHBT en was mensenrechtenadvocate bij een NGO in Uganda. Ze stelt vanwege haar werk bloot te staan aan aanvallen en vervolging. In 2014 is ze gearresteerd en kort gedetineerd geweest. In 2016 tot 2018 was ze voor studie in Nederland. Ze beschikte over een reguliere verblijfsvergunning met als doel studie, geldig tot 18 september 2018. Op 23 juli 2018 is ze teruggekeerd omdat ze in Nederland geen werk in haar vakgebied kon vinden. In Uganda had ze wel werk. Op 27 juli 2018 werd ze bedreigd en aangevallen door twee onbekenden, waarna ze onderdook in een hotel. Haar baas heeft daarvan aangifte gedaan en heeft een douanebeambte omgekocht waarna eiseres kon uitreizen op 1 augustus 2018. Eiseres vreest te worden gearresteerd bij terugkeer, omdat de politie aan haar baas vertelde dat zij in voorarrest zou worden genomen. Zij vermoedt dat ze in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten vanwege de aard van haar werk, door wat er in het verleden is gebeurd en de aanval op 27 juli 2018.

3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. Werkzaamheden voor de NGO Rights Defenders and Promotion van 2014 tot aan haar vertrek op 17 augustus 2016;

3. Arrestatie en kortdurende detentie na een voorlichtingsbijeenkomst in juli

2014;

4. Bedreiging door onbekenden bij haar huis op 27 juli 2018 vanwege haar activisme.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de elementen 1 tot en met 3 van het asielrelaas geloofwaardig zijn. Element 4 is volgens verweerder ongeloofwaardig omdat eiseres hieromtrent vage verklaringen heeft afgelegd waarbij zij zich baseert op vermoedens en informatie van (een) derde(n). Sinds juli 2014 heeft ze bovendien geen problemen ondervonden, terwijl ze haar activiteiten wel voortzette. Ze zag kennelijk ook geen aanleiding eerder het land te ontvluchten. De aanval in 2018, vier dagen na haar terugkeer, zonder enige aanleiding, is ongeloofwaardig. Tevens heeft zij tegenstrijdig verklaard over het contact met haar baas over het incident. Ze heeft ook het land legaal kunnen verlaten, wat er niet op duidt dat ze in de negatieve belangstelling van de autoriteiten stond. Verweerder heeft daarom de asielaanvraag afgewezen als ongegrond.

5. Eiseres heeft in beroep het volgende aangevoerd.

- Eiseres stelt dat zij in de zienswijze de concrete aanleiding van het voorval expliciet heeft benoemd en verwijst ook naar wat haar werkgever hieromtrent heeft verklaard. Volgens de politie zou eiseres gelden hebben geworven in het buitenland voor het bevorderen en promoten van homoseksualiteit in Uganda. Dat is de concrete aanleiding voor het voorval en daarom wilde de politie eiseres in (voor)arrest nemen;

- Haar verklaring is aangevuld door haar werkgever die op 28 juli 2018 naar de politie is gegaan om aangifte te doen van de bedreiging aan het adres van eiseres. De werkgever is vervolgens 6 uur verhoord. Eiseres is gevlucht, waarbij haar directeur een aan hem bekende ambtenaar op het vliegveld heeft omgekocht. Van een legale uitreis is dan ook geen sprake geweest. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat er mogelijk sprake is van een lijst namen van personen voor wie een uitreisverbod geldt en dat de baas van eiseres om die reden iemand had omgekocht;

- Het rapport van Amnesty International van 2017/2017 bevestigt wat eiseres heeft gesteld omtrent haar situatie in Uganda. Verder beroept eiseres zich op de hierna onder rechtsoverweging 6 genoemde rapporten;

- artikel 19 van het Ugandese Wetboek van Strafrecht in samenhang met artikel 145

van het Wetboek van Strafrecht, maakt hulp aan LHBTI' ers strafbaar. De strafmaat is levenslange gevangenisstraf.

- De omstandigheid dat eiseres reeds in het verleden in juli 2014 problemen met de politie

heeft gehad en gearresteerd en gedetineerd is geweest, wat geloofwaardig is

bevonden, vormt een duidelijke aanwijzing voor haar gegronde vrees voor vervolging. Eiseres verwijst daartoe naar artikel 4, vierde lid, van de Definitierichtlijn en artikel 31, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

- Ter zitting heeft eiseres zich nog beroepen op een uitspraak van deze zittingsplaats van 21 augustus 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:10580. Verweerder heeft de activiteiten van eiseres in het verleden als geloofwaardig aangemerkt. Dat betekent dat er ten aanzien de gestelde vrees voor vervolging van eiseres sprake is van een omgekeerde bewijslast. Verweerder heeft hieraan ten onrechte geen aandacht besteed.

6. Eiseres heeft zich op de volgende stukken beroepen:

- een Draft Report van 9 maart 2015 getiteld ‘Situation of Human Rights Defenders in Uganda’;

- een notice of decision van de Immigration and Refugee Borad of Canada van 19 januari 2016 inzake Atodogg Stanley Atona, geboren op 14 augustus 1980;

- Submission to universal periodic review mechanism on the Republic of Uganda van 24

maart 2016;

- een e-mailbericht van 7 februari 2018 van werkgever [naam 2] ;

- een brief van 21 augustus 2018 ondertekend door [naam 2] , hoofd van de juridische afdeling en daarnaast executive director van Rights Defenders and Promotion Organization;

- Country Reports on Human Rights Practices for 2018, Uganda section 5;

- een vertaling van artikel 19 van het Wetboek van Strafrecht van Uganda;

- het Annual Report Uganda 2017/2018 van Amnesty International;

- een chatbericht van 7 februari 2019 van [naam 3] ;

- een brief van 27 maart 2019 wederom ondertekend door [naam 2] .

De rechtbank oordeelt als volgt.

7. Verweerder heeft zich met de onder 4 gegeven motivering niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het relaas voor zover dat ziet op het voorval van 27 juli 2018 ongeloofwaardig is. Eiseres baseert haar stelling dat de voor haar onbekende belagers banden hebben met de Oegandese autoriteiten slechts op vermoedens. Bovendien heeft verweerder het bevreemdend kunnen vinden dat dit voorval zo kort na terugkeer in Uganda, zonder aanleiding, plaats zou hebben gevonden, terwijl zich sinds 2014 geen problemen hadden voorgedaan. Verder heeft verweerder zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over wat haar werkgever heeft gehoord over de vervolgacties van de politie. Aanvankelijk verklaarde eiseres dat de politie aan haar werkgever heeft meegedeeld dat de zaak in onderzoek zou worden genomen, terwijl zij later verklaarde dat de politie tegen hem zou hebben gezegd dat ze eiseres in voorarrest wilden nemen. Ook heeft eiseres tegenstrijdig verklaard over het moment waarop zij contact heeft gehad met haar werkgever. Eerst heeft zij op pagina 6 van het nader gehoor verklaard dat ze direct na het incident uitgebreid met hem heeft gesproken terwijl zij nadien (pagina 24) verklaarde dat er wat tijd verstreken was. Verder is van belang dat er tot op heden geen bewijs van de gestelde aangifte bij de politie is overgelegd. Verder heeft verweerder van belang kunnen achten dat zij legaal is uitgereisd. De verklaring dat sprake was van omkoping door de werkgever is vanwege het voorgaande terecht als ongeloofwaardig aangemerkt. De stelling eerst ter zitting, dat de naam van eiseres mogelijk op een lijst voorkwam en dat uit voorzorg is betaald om te voorkomen dat eiseres niet zou worden aangehouden, is vanwege het voorgaande niet aannemelijk.

8. Eiseres heeft ter zitting een beroep gedaan op artikel 31, vijfde lid, van de Vw en heeft daartoe verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van

21 augustus 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:10580. Ze stelt dat de geloofwaardig geachte problemen met de politie in 2014 en de arrestatie en detentie een duidelijke aanwijzing zijn voor haar gegronde vrees voor vervolging, waaraan verweerder ten onrechte geen aandacht heeft besteed. De bewijslast ligt nu volgens eiseres bij verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het voornemen en in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat de vrees voor vervolging niet aannemelijk wordt geacht, omdat eiseres in de problemen in 2014 geen aanleiding heeft gezien om Uganda te verlaten en ook daarna geen problemen meer heeft gehad. Eiseres heeft Uganda eerst in 2016 op legale wijze verlaten om in Nederland te gaan studeren. Eveneens is terecht gewezen op het feit dat eiseres na haar studie in Nederland is teruggekeerd naar Uganda, hetgeen er niet op duidt dat zij enige vrees zou moeten hebben voor de autoriteiten. De in- en uitreizen duiden niet op een negatieve belangstelling voor eiseres vanwege haar activiteiten voor de NGO.

9. De onder rechtsoverweging 5 genoemde algemene stukken kunnen niet tot een ander oordeel over het relaas van eiseres leiden. Verweerder heeft dat beoordeeld en zich, zoals hiervoor is geoordeeld, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat dat relaas voor wat betreft de aanleiding voor het laatste vertrek ongeloofwaardig is. De overgelegde stukken waaruit onder meer blijkt dat mensenrechtenactivisten slachtoffer kunnen zijn van repressie, maken dat oordeel niet anders.

10. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Loonstra-Hoekstra, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.