Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10072

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-09-2019
Datum publicatie
26-09-2019
Zaaknummer
09-263748-18, 09-183827-18 (ttz. gev.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor een vernieling en 2 bedreigingen met de dood. Hij was verminderd toerekeningsvatbaar toen hij de feiten pleegde. Naast een gevangenisstraf legt de rechtbank de maatregel TBS met voorwaarden op. Dadelijk uitvoerbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/263748-18, 09/183827-18 (ttz. gev.), 09/818907-15 (tul) en

09/217894-17 (tul)

Datum uitspraak: 23 september 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlasteleggingen en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

thans preventief gedetineerd in het Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek in de zaken met parketnummer 09-263748-18, 09/818907-15 (tul) en 09/217894-17 (tul) is gehouden ter terechtzittingen van 8 april 2019 (pro forma) en 17 juni 2019 (onderzoek geschorst) en het onderzoek in de zaak met parketnummer 09/183827-18 is gehouden op de terechtzitting van 17 juni 2019 (onderzoek geschorst). Vervolgens zijn alle zaken inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 september 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. van Geloven en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. O.C. Bondam naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 09/263748-18 (hierna: dagvaarding I)

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 23 december 2018 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk kerstverlichting en/of een regenpijp en/of twee, althans een kerstbo(o)m(en) en/of een ruit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), te weten aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] toebehoorde(n), heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2.

hij op of omstreeks 23 december 2018 te Zoetermeer [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (middels een gesproken Whats app-bericht) die [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen "‘Hey luister kankerhoer, hey luister kankerhoerenkindje. Kankerkind. Jouw kankerhoerenzoontje die als een kankerhoeren Marokkaantje tegen mij gaat praten. Ja. Hij is geen Marokkaan en jij bent ook geen Marokkaan en ik ben niet bang voor geen enkele kanker kamelen, zeg maar. Ik heb hier harde kern, ik heb harde, ik heb harde kern Den Haag hier ja. Ik ga jullie ophangen kankerhoerenkindjea. Jullie gaan niet meer veilig zijn in deze kankerbuurt. Jullie kunnen politie bellen wat je wil maar elke kankerpolitieagent zal mij het gelijk geven want jullie, kom alsjeblieft met je kankerhoeren, kankerhoerenkinderen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 09/183827-18 (hierna: dagvaarding II)

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 september 2018 te Zoetermeer [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] , beiden werkzaam bij de politie eenheid Den Haag, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] voornoemd dreigend de woorden toe te voegen dat hij, als hij morgen weer vrij komt, alle kelen door zal snijden en/of dat hij alle agenten ging vermoorden als hij naar buiten zou komen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 14 september 2018 te Zoetermeer opzettelijk en wederrechtelijk (een) ra(a)m(en) en/of een (glazen) dak, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3.

hij op of omstreeks 22 juli 2018 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 5] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met kracht, met de hand, tegen de zijkant van het hoofd (ter hoogte van het oor) van die [benadeelde 5] voornoemd heeft geslagen en/of meermalen, met kracht, met zijn - verdachtes - vuist(en) in/tegen het gezicht, althans het hoofd van die [benadeelde 5] voornoemd heeft gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 juli 2018 te Zoetermeer [benadeelde 5] heeft mishandeld door [benadeelde 5] voornoemd met kracht, met de hand, tegen het hoofd (ter hoogte van het oor) te slaan en/of meermalen, met kracht, met zijn - verdachtes - vuisten in/tegen het gezicht, althans het hoofd van die [benadeelde 5] voornoemd te stompen.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht wettig en overtuigend bewezen te verklaren dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de bij dagvaarding I ten laste gelegde vernieling in vereniging (feit 1) en bedreiging (feit 2) als ook aan de bij dagvaarding II ten laste gelegde bedreiging van agenten (feit 1) en vernieling van ramen (feit 2). De officier van justitie heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de bij dagvaarding II onder feit 2 ten laste gelegde vernieling van een glazen dak en van de onder feit 3 ten laste gelegde poging zware mishandeling (primair) en mishandeling (subsidiair).

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – op de gronden zoals weergegeven in de pleitnotitie – vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten. Daar waar de wet dit vereist, zal de rechtbank nader ingaan op hetgeen door de raadsman is aangevoerd.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging

Dagvaarding I 1

feit 1

bewijsmiddelen

[benadeelde 1] (hierna: aangever) heeft in de aangifte verklaard dat hij op 23 december 2018 omstreeks 05.25 uur wakker werd van een enorme klap bij de voordeur van zijn woning aan [adres 1] te Zoetermeer. Hij zag op zijn mobiele telefoon berichten van verdachte, met de tekst: ‘kom naar buiten dan’ en ‘kom dan 1op1’. Daarna hoorde hij iemand bij zijn voordeur lopen en ook geschreeuw. Toen het een paar minuten rustig was voor zijn deur ging hij naar buiten en zag dat zijn twee nieuw gekochte kerstbomen, die aan beide kanten van zijn deur stonden, beneden op de grond lagen onder bij de flat, dat zijn kerstverlichting was losgetrokken en dat ook de regenpijp kapot was getrokken.

Hiervan zijn foto’s gemaakt2.

[naam 1] (hierna: [naam 1] ) heeft verklaard dat hij de avond van 22 december 2018 bij verdachte thuis was en dat hij aardig wat alcohol had gedronken en speed had gebruikt. Verdachte vertelde dat een “gozer” zijn moeder had bedreigd en dat hij er heen [de rechtbank begrijpt: naar de woning van aangever] wilde gaan om de bewoners te laten schrikken. Zij zijn toen samen naar de woning van aangever gegaan. Verdachte heeft tegen de ramen geslagen en hij, [naam 1] , heeft aan de kerstverlichting getrokken. Verdachte heeft planten omgeschopt en potten kapot gegooid3.

Verdachte heeft ter zitting van 10 september 2019 verklaard dat hij in de ochtend van 23 december 2018 samen met [naam 1] naar de woning van aangever is gegaan en dat hij op de voordeur heeft geklopt4.

Een verbalisant heeft camerabeelden van het incident, opgenomen met de camera die aangever aan zijn voordeur heeft bevestigd, bekeken. Hij relateert dat hierop is te zien dat op 23 december 2018 om 05:29:43 uur een persoon met een capuchon op de galerij in beeld verschijnt en dat het hoofd van deze persoon bewegingen onder de camera maakt. Tegelijkertijd hoort de verbalisant een geluid dat hij associeert met brekende potten. Daarna ziet hij een tweede persoon op de galerij in beeld komen en voor de camera allerlei stof in beeld dwarrelen. De verbalisant hoort continue een geluid dat hij associeert als dat er tegen aan geslagen of geschopt wordt. De verbalisant ziet dat een persoon slaande bewegingen maakt in de richting van een positie onder de camera. De verbalisant hoort het geluid van brekend plastic.

Gerelateerd wordt dat op 05:30:20 uur is te zien dat een regenpijp naar beneden wordt gegooid en dat kort daarna iets, dat lijkt op een plant, naar beneden wordt gegooid5.

oordeel van de rechtbank

betrouwbaarheid van de verklaring van [naam 1]

De rechtbank heeft, anders dan de raadsman, geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam 1] . De verklaring is immers ondersteunend aan dat wat op de camerabeelden is waargenomen en gehoord en past ook bij de geconstateerde vernielingen van de regenpijp, kerstverlichting en kerstbomen.

Daar komt bij dat [naam 1] niet alleen belastend heeft verklaard over de gedragingen van verdachte, maar dat hij ook zichzelf heeft belast, hetgeen de betrouwbaarheid van zijn verklaring ten goede komt.

conclusie

Op grond van voorgaande redengevende feiten en omstandigheden, stelt de rechtbank vast dat verdachte op 23 december 2018 samen met [naam 1] naar de woning van aangever is gegaan om deze te laten schrikken en dat daar die nacht vernielingen zijn aangericht. Op grond van de verklaring van [naam 1] stelt de rechtbank vast dat hij en verdachte beiden vernielingen hebben gepleegd. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat er tussen [naam 1] en verdachte sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking, die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering van de vernielingen.

Hieraan doet niet af dat niet kan worden vastgesteld wie welke (uitvoerings)handelingen heeft verricht.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte en/of [naam 1] de ruit van de toegangsdeur van de flat aan de Laveibos heeft/hebben vernield, zodat hij van dit onderdeel zal worden vrijgesproken. Ten aanzien van de overige onder feit 1 ten laste gelegde vernielingen zal het medeplegen wettig en overtuigend bewezenverklaard worden.

feit 2

Aangever heeft in de aangifte verklaard dat hij op 23 december 2018 een gesproken WhatsApp bericht van verdachte heeft ontvangen met de tekst zoals is opgenomen in de tenlastelegging. Hij voelde zich hierdoor ernstig bedreigd en vreesde voor zijn leven en dat van zijn vrouw en zoon, omdat verdachte eerder ook aan zijn deur stond en vernielingen had gepleegd6.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij het gesproken WhatsApp bericht zoals weergegeven in de tenlastelegging aan aangever heeft gestuurd7.

Gelet op het voorgaande, met de vaststelling dat de door verdachte gebruikte terminologie naar het oordeel van de rechtbank evident levensbedreigend is, is de bedreiging naar het oordeel van de rechtbank van dien aard en onder zodanige omstandigheden geschied dat, naar objectieve maatstaven, de redelijke vrees kon ontstaan dat aangever – later – het leven zou kunnen verliezen.

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van aangever, zoals hierna bewezen is verklaard.

Dagvaarding II 8

feit 1

bewijsmiddelen

[benadeelde 3] (hierna: [benadeelde 3] ) heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op 14 september 2018 omstreeks 23.00 uur samen met [benadeelde 4] naar de flat aan [adres 2] te Zoetermeer werd gestuurd, omdat verdachte zich op de richel op de tweede verdieping van de flat had verschanst. Verdachte schreeuwde tegen hem en de daar aanwezige agenten onder meer: “Als ik morgen weer vrij kom snij ik jullie allemaal de keel door”. Verdachte keek daarbij in [benadeelde 3] richting en gebaarde daarbij9.

[benadeelde 3] voelde zich hierdoor bedreigd, mede vanwege eerdere ervaringen met verdachte en het geweld dat hij in het verleden tegen politie ambtenaren had gebruikt. Ook was verdachte onder invloed10.

[benadeelde 4] (hierna: [benadeelde 4] ) heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op zaterdag 15 september 2018 omstreeks 23.45 uur aan [locatie] te Zoetermeer was in zijn uitvoering als politieambtenaar bij een melding van een man die van het dak wilde springen. [benadeelde 4] was samen met meerdere collega's ter plaatse. Hij was daar samen met hoofdagent van politie [benadeelde 3] naartoe gestuurd door het Operationeel Centrum van Den Haag. Hij hoorde dat verdachte meerdere keren hard zei dat hij alle agenten ging vermoorden zodra hij buiten zou komen en meer woorden van gelijke strekking. Hierdoor voelde [benadeelde 4] zich bedreigd, omdat hij gezien het verleden van verdachte de kans groot achtte dat verdachte zijn woorden ooit waar gaat maken11.

oordeel van de rechtbank

Door de woorden van verdachte, het feit dat hij onder invloed was en in het verleden geweld tegen politieambtenaren heeft gebruikt, is de bedreiging naar het oordeel van de rechtbank van dien aard en onder zodanige omstandigheden geschied dat, naar objectieve maatstaven, bij [benadeelde 3] en [benadeelde 4] de redelijke vrees voor hun leven kon ontstaan.

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van [benadeelde 3] en [benadeelde 4] , zoals hierna bewezen is verklaard.

feit 2

De rechtbank is van oordeel dat het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten biedt om vast te stellen dat verdachte het raam van zijn woning heeft vernield.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte geen opzet heeft gehad op vernieling van het glazen dak.

Dit betekent dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde feit.

feit 3

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard dat verdachte dit feit heeft begaan. De rechtbank zal verdachte hier dan ook van vrijspreken.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

Ten aanzien van dagvaarding I

1.

hij op 23 december 2018 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en wederrechtelijk kerstverlichting en een regenpijp en twee kerstbomen, die geheel aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] toebehoorden, heeft vernield;

2.

hij op 23 december 2018 te Zoetermeer [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door middels een gesproken Whats app-bericht die [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen "Ik heb hier harde kern, ik heb harde, ik heb harde kern Den Haag hier ja. Ik ga jullie ophangen kankerhoerenkindjea. Jullie gaan niet meer veilig zijn in deze kankerbuurt. Jullie kunnen politie bellen wat je wil maar elke kankerpolitieagent zal mij het gelijk geven want jullie, kom alsjeblieft met je kankerhoeren, kankerhoerenkinderen".

Ten aanzien van dagvaarding II

1.

hij omstreeks 14 september 2018 te Zoetermeer [benadeelde 3] en [benadeelde 4] , beiden werkzaam bij de politie eenheid Den Haag, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde 3] en [benadeelde 4] voornoemd dreigend de woorden toe te voegen dat hij, als hij morgen weer vrij komt, alle kelen door zal snijden en dat hij alle agenten ging vermoorden als hij naar buiten zou komen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De op te leggen straf en maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna ook: TBS) met voorwaarden wordt opgelegd, waarbij bij een eventuele omzetting naar TBS met dwangverpleging deze alsdan gemaximeerd moet zijn. De officier van justitie heeft ten slotte gevorderd de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat, bij een bewezenverklaring, de gevorderde TBS met voorwaarden, gelet op de ten laste gelegde feiten, een disproportionele maatregel is.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft samen met een ander zaken van aangever [benadeelde 1] vernield. Kort daarna heeft hij een gesproken spraakbericht naar [benadeelde 1] gestuurd met levensbedreigende woorden. Door zijn handelen heeft verdachte [benadeelde 1] en diens gezin angst aangejaagd. Daarnaast heeft verdachte twee politieambtenaren met de dood bedreigd, terwijl zij juist probeerden verdachte heelhuids van het dak van een flat naar beneden te krijgen. De rechtbank is van oordeel dat politieambtenaren bij de uitoefening van hun werkzaamheden in het bijzonder bescherming tegen dit soort bedreigingen verdienen.

Documentatie

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 25 mei 2019, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, onder meer tot (on)voorwaardelijke gevangenisstraf(fen) en een taakstraf. Deze eerdere veroordelingen zijn onherroepelijk. Daarnaast liep verdachte ten tijde van het begaan van de strafbare feiten in een proeftijd. De rechtbank weegt deze omstandigheden ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van verdachte kennisgenomen van onder meer de volgende stukken:

- een Pro Justitia rapportage psychologisch onderzoek van 25 februari 2019, opgesteld door [naam 2] , GZ-psycholoog;

- een Pro Justitia rapportage psychiatrisch onderzoek van 19 maart 2019, opgesteld door [naam 3] , psychiater;

- een Maatregelrapport ten behoeve van TBS met voorwaarden van GGZ Reclassering Fivoor gedateerd 7 juni 2019, opgesteld door [naam 4] , reclasseringswerker;

- een aanvullende Pro Justitia rapportage psychologisch onderzoek van 4 september 2019, opgesteld door [naam 5] , GZ-psycholoog;

- een aanvullende Pro Justitia rapportage psychiatrisch onderzoek van 5 september 2019, opgesteld door [naam 3] , psychiater.

Toerekeningsvatbaarheid

Volgens de beide psychologen en de psychiater is bij verdachte sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van ADHD, een psychotische stoornis (schizofreniespectrum), en stoornis in alcohol en cannabis. Daarnaast is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis (antisociale en tevens paranoïde en borderline trekken).

Verdachte heeft daarnaast weinig ziekte-inzicht en legt de problemen die hij heeft vooral buiten zichzelf, heeft een paranoïde gedachtegang en er is sprake van impulsiviteit.

Vanwege zijn persoonlijkheidsstoornis heeft verdachte onvoldoende adequate copingvaardigheden, met name ten tijde van stress en spanning. Door de impulsiviteit valt hij dan terug in ‘oud gedrag’, te weten alcoholgebruik. Daarnaast is verdachte bekend met paranoïdie. Het gebruik van alcohol heeft niet alleen zijn gedrag verder ontremd, maar heeft verdachte ook meer paranoïde doen reageren. Dit is passend bij de geconstateerde pathologie van verdachte, die zich kenmerkt door een zwakke emotie-/gedragsregulatie, impulsiviteit, weinig uitstellend vermogen en een beperkt probleemoplossend vermogen.

De rapporteurs concluderen dat ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van deze gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens en adviseren derhalve om verdachte de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen.

Recidive

De rapporteurs schatten de kans op herhaling van gewelddadig gedrag als hoog in. De persoonlijkheidsstructuur van verdachte zorgt ervoor dat hij zich snel geprovoceerd, geraakt en benadeeld voelt. Er zijn nauwelijks beschermende factoren. Daarnaast is geen sprake van stabiele huisvesting en vaste dagbesteding c.q. werk, hetgeen het geweldsrisico vergroot, omdat daardoor de geconstateerde pathologie bij betrokkene verder onder druk zal komen te staan.

De problematiek bij verdachte is hardnekkig en eerdere begeleiding en hulpverlening hebben niet geholpen om een verandering te weeg te brengen.

Passende behandeling

Zowel de psychiater als de psychologen adviseren een intensieve klinische behandeling, met op termijn eventueel een ambulant vervolg. Zij geven aan dat het gedurende deze behandeling van belang is dat gewerkt wordt aan abstinentie van alcohol en drugs, het vergroten van inzicht in zijn problematiek, het verstevigen van zijn persoonlijkheidsstructuur en het verbeteren van de impulscontrole, coping en stresshantering. Hierbij kan het gebruik van medicatie helpend zijn. Voorts is van belang psychosociale stabiliteit en maatschappelijke inbedding (huisvesting, werk, dagbesteding) te bewerkstellingen. Langdurige behandeling en begeleiding is noodzakelijk.

Vanwege het recidiverende karakter van zijn agressieve en ontregelde gedrag, de hardnekkige en tot nu toe lastig te behandelen psychopathologie en de hoge kans op herhaling van agressie en geweld, achten de rapporteurs TBS met voorwaarden het meest passend, indien de strafmaat het toelaat. Een klinisch traject kan hiermee beter worden gewaarborgd en, bij niet naleving van de voorwaarden, kan omzetting volgen naar een bevel tot verpleging.

Naar het oordeel van de rapporteurs zijn bijzondere voorwaarden te vrijblijvend (vooral met betrekking tot middelengebruik en verdere behandeling) terwijl voor verdachte juist een strak en gedegen kader nodig is.

Advies van de reclassering

Ook de reclassering schat de kans op herhaling van gewelddadig gedrag in als hoog, mede op grond van de aanwezige psychische- en verslavingsproblematiek en het ontbreken van beschermende factoren. Eerdere interventies, waaronder de diverse reclasseringscontacten en twee klinische behandelingen in een forensisch kader, hebben niet geleid tot een gedragsverandering/verkleining van het recidiverisico. Gelet hierop is een strikter kader dan een verplicht reclasseringscontact nodig om aan langdurige klinische behandeling vorm te kunnen geven.

De reclassering adviseert aan verdachte de maatregel van TBS met voorwaarden op te leggen en daaraan de in het rapport genoemde algemene en bijzondere voorwaarden te verbinden. Hoewel de reclassering twijfels heeft of verdachte voldoende intrinsiek gemotiveerdheid is voor behandeling in een dergelijk (voorwaardelijk) kader, verwachten zij dat verdachte zich hieraan wel zal committeren als dit kader bij vonnis wordt opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde rapportages van de psychiater en de psychologen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies van het psychologisch en psychiatrisch onderzoek met betrekking tot de stoornissen van verdachte, zijn toerekenbaarheid en het recidive risico worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt die conclusies van de rapporteurs over.

De maatregel

De bij verdachte geconstateerde stoornissen, bezien in relatie tot het bewezenverklaarde, brengen mee dat naast een gevangenisstraf de oplegging van een strafrechtelijke maatregel noodzakelijk is.

Gelet op hetgeen in voornoemde rapportages over verdachte is vermeld en gelet op verdachtes houding en verklaringen ter zitting, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zonder behandeling een gevaar vormt voor de algemene veiligheid van personen en goederen. Met de rapporteurs en de reclassering acht de rechtbank behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel niet haalbaar. Verdachte heeft een langdurige behandeling nodig, gericht op het stabiliseren van zijn psychotische klachten, vrijwillige medicatie-inname en het aanpakken van zijn verslavingsproblematiek om het gevaar voor recidive zo veel mogelijk terug te dringen. Behandeling van verdachte in een ander, minder dwingend kader acht de rechtbank. gelet op de inhoud van de deskundigenrapportages en het rapport van de reclassering, niet afdoende.

De rechtbank zal aan de verdachte daarom een TBS met voorwaarden opleggen. Er wordt voldaan aan de eisen die de wet aan het opleggen van deze maatregel stelt. De bij dagvaarding I onder 2 en bij dagvaarding II onder 1 bewezenverklaarde feiten betreffen immers misdrijven als genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Verder bestond er tijdens het begaan van deze feiten bij de verdachte een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Ten slotte eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel.

Ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen stelt de rechtbank voorwaarden betreffende het gedrag van verdachte. De rechtbank sluit zich daarbij aan bij het reclasseringsadvies van GGZ Reclassering Fivoor. De rechtbank zal de reclassering opdracht geven verdachte bij de naleving van de gestelde voorwaarden hulp en steun te verlenen. De verdachte heeft zich ter terechtzitting van 10 september 2019 bereid verklaard tot naleving van de hierna te noemen voorwaarden.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Teneinde te voorkomen dat tussen het einde van de detentie en de aanvang van de TBS met voorwaarden (bij onherroepelijkheid van het vonnis) een toezichtloze periode ontstaat, zal de rechtbank op grond van artikel 38, zesde lid Sr bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat, indien de TBS met voorwaarden wordt omgezet in een TBS met verpleging van overheidswege, de duur van deze verpleging de vier jaren niet te boven zal gaan.

Straf

Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, in aanmerking genomen het strafblad van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend. De rechtbank heeft daarbij voorts rekening gehouden met de omstandigheid dat zij minder bewezen heeft verklaard dan door de officier van justitie is gevorderd.

7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering

[benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van in totaal € 2.588,95, te vermeerderen met wettelijke rente, bestaande uit materiële (€ 88,95) en immateriële schade (€ 2.500,--).

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de gevorderde materiële kosten toe te wijzen tot een bedrag van in totaal € 88,95 en de schadevergoedingsmaatregel voor dit bedrag op te leggen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de officier van justitie gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat deze onvoldoende is onderbouwd.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair aangevoerd dat, gelet op de bepleite vrijspraak, de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat het gevorderde bedrag voor de immateriële schade te ingewikkeld is om in de strafprocedure te behandelen en de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij [benadeelde 1] rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De gevorderde materiële schade voor het bedrag van € 88,95 zijn niet betwist en zijn voldoende onderbouwd door de benadeelde partij, zodat de rechtbank dit bedrag zal toewijzen.

De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade voor het bedrag van € 2.500,-- afwijzen, omdat het bestaan van deze schade onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 december 2018, nu vast is komen te staan dat de materiële schade met ingang van die datum is ontstaan.

Dit brengt mee dat verdachte moet worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens [benadeelde 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bij dagvaarding I onder feit 1 bewezenverklaarde vernieling is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 88,95, vermeerderd met de wettelijk rente daarover vanaf 23 december 2018 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [benadeelde 1] .

8 De vordering tenuitvoerlegging

De rechtbank zal de vorderingen van de officier van justitie van 29 maart 2019 tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van (i) de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 3 maart 2016 (parketnummer 09/818907-15) respectievelijk (ii) de politierechter in deze rechtbank van 24 januari 2018 (parketnummer 09/217894-17), afwijzen. Dit omdat tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde straffen de noodzakelijke behandeling van verdachte onnodig zou doorkruisen.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 36f, 37a, 38, 38a, 47, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding II onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding I ten laste gelegde feiten en het bij dagvaarding II onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

dagvaarding I

ten aanzien van feit 1:

het medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

ten aanzien van feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

dagvaarding II

ten aanzien van feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de terbeschikkingstelling van verdachte onder de volgende voorwaarden:

Algemene voorwaarden:

1. Veroordeelde pleegt geen strafbare feiten;

2. Veroordeelde geeft toestemming aan de reclassering tot het opvragen en uitwisselen van informatie aan alle instellingen die zij relevant achten en die van belang zijn voor een goede behandeling c.q. begeleiding in het kader. Tevens verleent hij zijn medewerking aan het maken van een digitale foto ten behoeve van zijn dossier en verleent hij ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken, of biedt ter inzage een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht aan;

3. veroordeelde geeft toestemming aan de reclassering en aan zijn begeleiders, dat in geval van ongeoorloofde afwezigheid of calamiteiten en het niet nakomen van bovengenoemde voorwaarden, deze informatie aan alle betrokken partijen gemeld wordt;

4. Tijdens de gehele TBS-maatregel is het voor veroordeelde niet toegestaan om zich buiten het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden te begeven;

Bijzondere voorwaarden:

5. Veroordeelde houdt zich aan de voorschriften en aanwijzingen die zijn en worden gegeven door de aangewezen reclasseringsorganisatie en moet zich zo frequent melden als de reclassering dat nodig acht. Daarnaast werkt betrokkene mee aan huisbezoeken door de reclassering;

6. Veroordeelde verblijft in de FPK de Kijvelanden of een soortgelijke instelling, zal zich houden aan de daar geldende huis- en leefregels c.q. voorwaarden die daar aan hem gesteld worden en stelt zich hierin begeleidbaar op en conformeert zich aan de geboden behandeling, ook als dit inhoudt inname van voorgeschreven medicatie;

7. Veroordeelde werkt, indien geïndiceerd, mee aan een plaatsing in een vervolgsetting, zoals een beschermd/begeleid wonen en zal zich aldaar houden aan de geldende huis- en leefregels c.q. voorwaarden die aan hem gesteld worden;

8. Veroordeelde conformeert zich aan een ambulante (vervolg)behandeling bij een forensische polikliniek of een soortgelijke instelling, na het afronden van klinische opname, ook als dit inhoudt inname van voorgeschreven medicatie;

9. Veroordeelde zal niet van verblijfplaats veranderen zonder vooraf overleg met zijn behandelaren en de reclassering;

10. Veroordeelde zal niet zonder toestemming van zijn begeleiders en/of de reclassering zijn

werkuren bij het dagbestedingtraject veranderen;

11. Veroordeelde zal geen omgang hebben met personen die zijn resocialisatie in gevaar (kunnen) brengen en stelt zich open op, inzake het aangaan van nieuwe relaties of bestaande relaties en heeft geen bezwaar dat deze op ‘gepaste en discrete’ wijze door de reclassering worden gescreend;

12. Veroordeelde zal zich onthouden van alcohol- en druggebruik en zich niet onttrekken aan controles hierop;

13. Veroordeelde geeft inzicht in zijn financiën als daarom verzocht wordt en accepteert hiervoor begeleiding van de MJD van Palier of een soortgelijke instelling;

14. Veroordeelde zorgt ervoor dat hij altijd bereikbaar is voor zijn begeleiders en behandelaren;

15. Veroordeelde werkt, in het geval van een door de reclassering en behandelaren geïndiceerde crisissituatie, mee aan een time out plaatsing bij een nog nader te indiceren klinische behandelsetting in het kader van Forensisch Psychiatrisch Toezicht (FPT) voor een periode van maximaal veertien weken. Daarnaast worden er binnen het FPT afspraken gemaakt (na een klinisch traject) inzake onder andere tijdelijke crisisopvang;

geeft hierbij opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor, de ter beschikking gestelde bij de naleving van de aanwijzing hulp en steun te verlenen krachtens het bepaalde bij artikel 38, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;

beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 1] een bedrag van € 88,95, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 december 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit een vergoeding voor materiële schade;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door [benadeelde 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 88,95, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 1] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 december 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit een vergoeding voor materiële schade;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 dag;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank van 13 maart 2016 (parketnummer 09/818907-16);

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 24 januari 2018 (parketnummer 09/217894-17).

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.W.M. Giesen, voorzitter,

mr. N.F.H. van Eijk, rechter,

mr. L. Kelkensberg, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. van der Wal-de Zoeten, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 september 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018343281, van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer – Leidschendam/Voorburg, basisteam Zoetermeer, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 54).

2 Het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 1] , blz. 36 en de bij het proces-verbaal behorende foto’s, blz. 41-44.

3 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 1] , blz. 29.

4 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 10 september 2019.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, blz. 54.

6 het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 1] , blz. 37 1e alinea.

7 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 10 september 2019.

8 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018250249, van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer – Leidschendam/Voorburg, basisteam Zoetermeer, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 125).

9 Het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 3] , blz. 47.

10 Het proces-verbaal van verhoor van [benadeelde 3] , blz. 49.

11 Het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 4] , blz. 73.