Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10069

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-09-2019
Datum publicatie
26-09-2019
Zaaknummer
09-730175-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor poging verkrachting. Hij is verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank legt naast een gevangenisstraf de maatregel van TBS met voorwaarden op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/730175-18 en 09/837296-18 (tul) en 09/090397-18 (tul)

Datum uitspraak: 24 september 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] ,

thans preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn, huis van bewaring “Maatschapslaan”, te Alphen aan den Rijn.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 27 mei 2019 (pro forma), 24 juni 2019 (onderzoek geschorst) en 10 september 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.F. Heslinga en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. J.Y. Taekema naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 september 2018 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , (terwijl zij op de fiets reed) heeft getrapt/geduwd (waardoor zij net haar fiets ten val kwam) en/of haar bij de kraag en/of de haren heeft vastgepakt en/of omhoog heeft getrokken en/of aan de kraag en/of de haren heeft weggesleurd en/of (vervolgens) heeft geduwd (waardoor zij in de struiken viel) en/of daarbij (telkens) tegen die [slachtoffer] zei "jij gaat mij pijpen en ik ga jou neuken" en/of "als je gaat schreeuwen steek ik je neer, ik zweer het" en/of "niet schreeuwen want ik steek je neer", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 september 2018 te ’s-Gravenhage [slachtoffer] heeft bedreigd met verkrachting en/of enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend (terwijl zij op de fiets reed) te trappen/duwen, althans ten val te brengen en/of aan de kraag en/of de haren weg te sleuren en/of daarbij (telkens) dreigend tegen die [slachtoffer] te zeggen "jij gaat mij pijpen en ik ga jou neuken" en/of "als je gaat schreeuwen steek ik je neer, ik zweer het" en/of "niet schreeuwen want ik steek je neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – op de gronden zoals weergegeven in het schriftelijk requisitoir – gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de primair ten laste gelegde poging verkrachting heeft begaan.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van zowel de primair ten laste gelegde poging verkrachting als de subsidiair ten laste gelegde bedreiging. Daar waar de wet dit vereist, zal de rechtbank nader ingaan op hetgeen door de raadsman is aangevoerd.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging1

De vraag die moet worden beantwoord is of naast de verklaring van aangeefster in het procesdossier ondersteunende bewijsmiddelen aanwezig zijn die redengevend zijn voor het ten laste gelegde en die de verklaring van aangeefster in voldoende mate ondersteunen. Daarbij geldt dat niet alle bestanddelen van de tenlastelegging hoeven te worden ondersteund door een bewijsmiddel uit een andere bron dan de verklaring van aangeefster.

bewijsmiddelen

[slachtoffer] (hierna: aangeefster) heeft in de aangifte verklaard dat zij op 30 september 2018 omstreeks 03.50 uur vanuit [locatie 1] naar huis fietste en dat zij, nadat zij via de fietstunnel bij [locatie 2] naar [locatie 3] fietste en het fietspad naast [locatie 4] was op gefietst, van haar fiets werd getrapt of geduwd. Zij viel daardoor op de grond. Aangeefster wist eerst niet wat er gebeurde, maar zag dat een man met een fiets naar haar toekwam. Deze man zei op agressieve toon tegen haar dat ze moest opstaan, pakte haar daarna beet bij de kraag aan de voorkant van haar jas en trok haar omhoog. De man gaf haar een duw en sleurde haar mee het gras in. Op [locatie 4] pakte de man haar beet bij haar capuchon en haren en gaf haar daarna een duw, waardoor zij voorover op haar knieën en handen in de doornstruiken viel. De man zei meerdere keren tegen haar: “Je gaat mij pijpen, ik ga jou neuken en als je gaat schreeuwen steek ik je neer. Ik zweer het”.

Daarna liepen zij [locatie 5] in, waarbij de man haar nog steeds ter hoogte van haar capuchon vasthield. Aangeefster zag iemand hun richting op komen fietsen en de man zei tegen haar: “niet schreeuwen want anders steek ik je neer”. Aangeefster was in paniek en bang dat zij doodging en riep meerdere keren tegen de man “Nee niet doen, alsjeblieft niet”.

Nadat de persoon op de fiets hen had gepasseerd, schreeuwde aangeefster om hulp en zei tegen de persoon op de fiets dat hij de politie moest bellen. De persoon op de fiets stopte en pakte zijn telefoon. Daarna liet de man haar los en liep weg. Aangeefster omschrijft deze man als volgt: ongeveer 1,64-1,70 cm lang, dun, slank, iel, getint, vermoedelijk van Antilliaanse afkomst en hij droeg een zwarte jas met capuchon. Hij had deze capuchon op. Aangeefster heeft zijn gezicht niet goed kunnen zien, maar zag wel dat hij donkere ogen had en geen bril droeg2.

De moeder van aangeefster, [naam 1] , heeft onder meer verklaard dat toen aangeefster op 30 september 2018 omstreeks 04.45 uur thuiskwam, zij in paniek was en moest huilen en gillen. Zij zag dat aangeefster een wond op haar knie, doornen in haar handen en onderaan haar been blauwe plekken en schaafwonden had3.

[verbalisant] heeft bij [locatie 4] gesproken met [getuige] (hierna: [getuige] ), die daar die avond lag te slapen. [getuige] verklaarde dat hij iemand om hulp had horen roepen en dat toen hij over de rand van het viaduct keek een meisje zag die werd meegesleept door een man. Daarna zag hij dat een man op een fiets het meisje hielp, waarna de eerstgenoemde man, gekleed in het zwart, is weggelopen4.

De politie heeft de camerabeelden van de fietstunnel bij [locatie 2] uitgekeken en hiervan screenshots gemaakt. In het proces-verbaal van bevindingen wordt “verdachte” omschreven als: een man op een damesfiets met donkere kleding, vermoedelijk een donkerblauwe spijkerbroek en zwarte trui met capuchon die hij over zijn hoofd droeg.

De politie relateert dat op de camerabeelden te zien is dat aangeefster op 30 september 2018 omstreeks 03.59 uur de fietstunnel van [locatie 2] vanaf het [locatie 6] inrijdt in de richting van [locatie 3] . Iets later rijdt “verdachte” dezelfde fietstunnel in, komend vanaf [locatie 3] in de richting van het [locatie 6] . Nadat “verdachte” aangeefster heeft gepasseerd, keert hij halverwege de tunnel en rijdt weer terug richting [locatie 3] . Aangeefster rijdt de tunnel uit en slaat rechtsaf [locatie 3] op en fietst over het fietspad in de richting van [locatie 7] . Even later verlaat “verdachte” de fietstunnel, slaat ook rechtsaf [locatie 3] op en rijdt iets achter aangeefster op het fietspad in de richting van [locatie 7] . “Verdachte” blijft op ongeveer 10 meter achter aangeefster rijden5.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank geconstateerd dat verdachte past in het – zij het wat algemeen omschreven – signalement van de man dat aangeefster heeft gegeven en van de man op de door de politie omschreven camerabeelden6.

Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft de jas van aangeefster onderzocht. Op de kraag aan de voorzijde van de jas en op de buitenzijde van de capuchon van de jas is een DNA-mengprofiel aangetroffen, waarin het DNA van aangeefster en van verdachte aanwezig kan zijn. Met betrekking tot het DNA-mengprofiel dat op de capuchon is aangetroffen, is de matchkans dat dit van verdachte afkomstig is meer dan één miljard keer waarschijnlijker dan dat dit van een willekeurig onbekend persoon is7.

oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangeefster consistent en betrouwbaar zijn en voldoende steun vinden in de overige bewijsmiddelen. Zo is op de camerabeelden te zien dat een man achter haar aan fietst in de fietstunnel bij [locatie 2] en op [locatie 3] op korte afstand achter haar aan blijft fietsen. Het signalement dat aangeefster van haar belager heeft gegeven komt overeen met de persoon die op de camerabeelden is te zien. Voorts heeft [getuige] gehoord dat iemand bij [locatie 4] om hulp riep en zag hij dat een meisje werd meegesleept door een man in het zwart gekleed en dat zij daarna werd geholpen door een man op een fiets, waarna de eerste man wegliep. Ook de verwondingen die de moeder van aangeefster kort na thuiskomst bij aangeefster heeft gezien op haar handen, knie en been, sluiten naadloos aan bij de verklaring van aangeefster dat zij voorover op haar knieën en handen in de doornstruik is gevallen.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen vast dat de man achter aangeefster is aangegaan, tegen haar fiets heeft getrapt om haar ten val te brengen, dat hij haar heeft vastgepakt en meegesleurd het gras in, haar heeft geduwd waardoor ze voorover in de struiken viel en haar daarna steeds is blijven vasthouden aan haar capuchon, waarbij de man meermalen tegen haar zei dat hij haar ging neuken en dat zij hem moest pijpen en dat hij haar zou neersteken als ze zou schreeuwen. De rechtbank is van oordeel dat deze handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders kunnen worden aangemerkt als een begin van uitvoering van het misdrijf van verkrachting.

Uit dit oordeel van de rechtbank volgt dat zij het door de raadsman aangevoerde alternatieve scenario, - dat overigens geenszins steun vindt in een van de verklaringen van verdachte - dat het om een beroving en niet om een poging verkrachting ging, niet aannemelijk acht.

betrokkenheid van verdachte

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of verdachte de persoon is geweest die heeft geprobeerd aangeefster te verkrachten.

Verdachte ontkent betrokkenheid bij het incident. Ter terechtzitting van 10 september 2019 heeft hij verklaard dat zijn aangetroffen DNA op de jas van aangeefster op een andere manier daarop terecht gekomen kan zijn. Zo zou zijn DNA op haar jas gekomen kunnen zijn, doordat hij aangeefster op een ander moment per ongeluk heeft aangeraakt in de rij bij een kassa of dat aangeefster haar jas op een stoel in de tram of bibliotheek heeft gehangen, terwijl hij deze stoel net daarvoor had schoongeveegd met zijn handen.

De rechtbank acht deze verklaring van verdachte te weinig concreet en daarmee onaannemelijk. Daarbij komt dat de plaatsen waar zijn DNA op de jas van aangeefster zijn aangetroffen precies overeenkomen met de verklaring van aangeefster waar zij door haar belager is beetgepakt en past hij in het signalement dat aangeefster heeft gegeven van haar belager.

Op grond van de voorgaande redengevende feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte de persoon is die heeft geprobeerd aangeefster te verkrachten.

conclusie

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging verkrachting, zoals hierna bewezen is verklaard.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

hij op 30 september 2018 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door die [slachtoffer] :

terwijl zij op de fiets reed heeft getrapt/geduwd waardoor zij met haar fiets ten val kwam en haar bij de kraag heeft vastgepakt en omhoog heeft getrokken en aan de kraag en de haren heeft weggesleurd en vervolgens heeft geduwd waardoor zij in de struiken viel en daarbij (telkens) tegen die [slachtoffer] zei "jij gaat mij pijpen en ik ga jou neuken" en "als je gaat schreeuwen steek ik je neer, ik zweer het" en "niet schreeuwen want ik steek je neer", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De op te leggen straf en maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en dat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna ook: TBS) met voorwaarden wordt opgelegd. De officier van justitie heeft ten slotte gevorderd de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de verdediging aangevoerd dat de gevorderde TBS met voorwaarden moet worden afgewezen. Gelet op de beperkingen van verdachte in zijn denken en gedrag zou dit neerkomen op een TBS met dwangverpleging, hetgeen niet proportioneel is.

De verdediging verzoekt een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden (behandelverplichting en reclasseringstoezicht).

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

Verdachte heeft geprobeerd aangeefster met geweld te verkrachten. Door zo te handelen heeft hij grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van aangeefster en een voor haar intimiderende en zeer beangstigend situatie doen ontstaan. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat zij nog lange tijd na het incident last heeft gehad van nachtmerries, herbelevingen en angst, waardoor zij in haar persoonlijk leven werd belemmerd. Voor haar klachten is zij behandeld door een psycholoog.

Verdachte heeft zich slechts laten leiden door zijn eigen seksuele behoeften en heeft geen enkele waarde gehecht aan de wil van aangeefster en de gevolgen die zijn gedragingen voor haar zouden hebben.

Documentatie

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 17 februari 2019, waaruit blijkt dat hij niet recentelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Verdachte liep ten tijde van het begaan van het strafbare feit wel in een proeftijd. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van verdachte mee bij de straftoemeting.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van verdachte kennisgenomen van onder meer de volgende stukken:

- een reclasseringsadvies van GGZ Fivoor Den Haag gedateerd 8 januari 2019, opgesteld door [naam 2] , reclasseringswerker;

- een voortgangsverslag toezicht van GGZ Fivoor Den Haag gedateerd 14 februari 2019, opgesteld door [naam 3] , reclasseringswerker;

- een Pro Justitia rapportage psychiatrisch onderzoek van 12 april 2019, opgesteld door dr. [naam 4] , psychiater;

- een Pro Justitia rapportage psychologisch onderzoek van 30 april 2019, opgesteld door drs. [naam 5] , GZ-psycholoog;

- een reclasseringsadvies van Tactus reclassering Flevoland gedateerd 20 mei 2019, opgesteld door [naam 6] , reclasseringswerker;

- een reclasseringsadvies TBS met voorwaarden van Tactus Reclassering Flevoland gedateerd 23 augustus 2019, opgesteld door [naam 7] , reclasseringswerker.

Toerekeningsvatbaarheid

Volgens de psychiater is bij verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een verstandelijke beperking op de grens van zwakbegaafdheid en lichte zwakzinnigheid. Daarnaast is sprake van ziekelijke stoornissen van de geestvermogens in de vorm van stoornissen in het gebruik van cannabis en stimulantia en mogelijk ook alcohol, met afhankelijkheid. Verdachte wordt volgens de psychiater door zijn beperkte verstandelijke vermogens op de grens van licht zwakzinnigheid en zwakbegaafdheid, in combinatie met zijn voorgeschiedenis van verwaarlozing, gebrekkige opleiding en ongunstige sociaal-maatschappelijke omstandigheden, in het algemeen duurzaam beperkt in zijn gedragskeuzen en gedragingen.

Volgens de psycholoog lijdt verdachte aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens in de vorm van een lichte verstandelijke beperking en een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische kenmerken. Daarnaast is sprake van een gokstoornis en diverse stoornissen in middelengebruik (alcohol, wiet, cocaïne, crack en XTC). De psycholoog merkt verder op dat verdachte mede vanuit zijn verstandelijke beperking en persoonlijkheidsstoornis gevoelig is voor primaire behoeftebevrediging (waaronder een sterke seksuele gerichtheid) en dat hij een opportunistische instelling toont. Tegelijkertijd kent hij beperkingen in copingsvaardigheden ten aanzien van de impuls- en emotieregulatie, toont hij een egocentrisch perspectief en beschikt hij over lacunaire gewetensfunctie.

Hoewel verdachte het ten laste gelegde feit ontkent, komen de rapporteurs toch tot een conclusie ten aanzien van zijn toerekeningsvatbaarheid. De rapporteurs concluderen dat ten tijde van het ten laste gelegde feit sprake was van deze gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens en adviseren het ten laste gelegde feit, indien bewezen, aan verdachte in verminderde mate toe te rekenen.

Recidive

Wederom in aanmerking genomen dat verdachte het tenlastegelegde ontkent, schatten de rapporteurs de kans op herhaling van soortgelijke feiten als hoog in. Er zijn nauwelijks beschermende factoren, afgezien van het feit dat verdachte op dit moment gemotiveerd is voor behandeling en begeleiding. Volgens de psychiater kan bij adequate behandeling, begeleiding en toezicht rekening worden gehouden met een lager recidiverisico.

De psycholoog merkt op dat verdachte hoog scoort op indicatoren voor een (gewelddadige) seksuele recidive. Verdachte heeft geen stabiele relaties, heeft onvoldoende zelfregulatie en beschikt over seksistische, stereotype, traditionele denkbeelden. Deze risicofactoren hangen samen met de geconstateerde pathologie bij verdachte, te weten primair zijn verstandelijke beperking en persoonlijkheidsstoornis. Het hoge recidiverisico wordt volgens de psycholoog verder gevoed door verslavingsproblematiek en psychosociale instabiliteit van verdachte. Zijn gebrekkige zelfregulering komt verder onder druk te staan wanneer hij onder invloed is van alcohol en (hard)drugs en het gebrek aan stabiele huisvesting, dagbesteding en sociaal vangnet voorkomt dat verdachte een langdurig stabiel bestaan kan opbouwen.

Passende behandeling

Zowel de psychiater als de psycholoog adviseren een intensieve klinische behandeling, met op termijn eventueel een ambulant vervolg. Zij achten van belang dat gedurende deze behandeling gewerkt wordt aan abstinentie van middelen en verantwoorde resocialisatie naar een beschermd wonen voorziening. Bij voorkeur vindt deze opname plaats binnen een gespecialiseerde kliniek met specifieke expertise over verstandelijke beperking, persoonlijkheidsproblematiek en verslaving. Voorts is van belang dat toegewerkt wordt naar een beschermd wonen voorziening, gericht op stabiele huisvesting, dagbesteding en maatschappelijke inbedding. Ook zal binnen de behandeling en begeleiding aandacht moeten worden besteed aan de (afwijkende) seksuele belevingen en opvattingen van verdachte. Ambulante behandeling biedt op dit moment onvoldoende kans van slagen.

Langdurige behandeling en begeleiding is, gezien verdachte’s lage functioneringsniveau en gevoeligheid voor ontregeling, noodzakelijk.

De rapporteurs adviseren bij een bewezenverklaring een deels voorwaardelijke straf op te leggen met een lange proeftijd en met als bijzondere voorwaarden klinische behandeling en resocialisatie naar begeleid of beschermd wonen en reclasseringstoezicht.

Ter zitting van 10 september 2019 zijn de psycholoog [naam 5] en de psychiater [naam 4] als deskundigen gehoord. Zij hebben verklaard dat zij nog steeds achter hun rapport staan. Zij hebben tevens aangegeven dat zij hebben geadviseerd om een interventie in de vorm van bijzondere voorwaarden gekoppeld aan een voorwaardelijk strafdeel te laten plaatsvinden, omdat de noodzakelijke behandeling opgestart kan worden vanuit zijn huidige detentiesituatie en verdachte gemotiveerd is mee te werken aan behandeling en begeleiding (met name ook binnen een verplicht kader). De deskundigen hebben niet de voorkeur voor de strakkere setting van de maatregel van TBS met voorwaarden. Het risico dat de resocialisatie in het kader van een TBS met voorwaarden kan worden onderbroken door terugplaatsing in een kliniek als verdachte één keer blowt en daarmee zijn voorwaarden schendt, heeft meegewogen om geen TBS met voorwaarden te adviseren.

Advies van de reclassering

Ook de reclassering schat de kans op herhaling van een seksueel delict in als hoog, mede op grond van de aanwezige verstandelijke beperking/zwakbegaafdheid, een (antisociale) persoonlijkheidsstoornis, verslavingsproblematiek en het ontbreken van beschermende factoren. Tevens is sprake van seksueel afwijkend gedrag.

De reclassering adviseert in haar rapport van 23 augustus 2019 aan verdachte, bij bewezenverklaring, de maatregel van TBS met voorwaarden op te leggen en adviseert daaraan de in het rapport genoemde algemene en bijzondere voorwaarden te verbinden. Dit stringente kader is voor verdachte ook nodig, omdat hij problemen heeft op alle leefgebieden. De reclassering adviseert de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Ter zitting van 10 september heeft [naam 7] aangegeven dat hij nog steeds achter dit advies staat. Een klinisch traject kan hiermee beter worden gewaarborgd en, bij niet naleving van de voorwaarden, kan omzetting volgen naar een bevel tot dwangverpleging.

Indien aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en behandelverplichting wordt opgelegd, is de inschatting dat verdachte zich hieraan zal onttrekken op het moment dat het even tegenzit en dat geen succesvolle behandeling zal plaatsvinden, waardoor het recidiverisico onveranderd hoog blijft.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde rapportages van de psychiater en de psycholoog op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies van het psychologisch en psychiatrisch onderzoek met betrekking tot de stoornissen van verdachte, zijn toerekenbaarheid en het recidive risico worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt die conclusies van de rapporteurs over en legt deze ten grondslag aan haar beslissing dat de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De bij verdachte geconstateerde stoornissen, bezien in relatie tot het bewezenverklaarde, brengen mee dat naast een gevangenisstraf de oplegging van een strafrechtelijke maatregel noodzakelijk is.

De maatregel

Gelet op hetgeen in voornoemde rapportages over verdachte is vermeld, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zonder behandeling een gevaar vormt voor de algemene veiligheid van personen en goederen. Verdachte heeft een langdurige (klinische) behandeling, gericht op het stabiliseren van zijn persoonlijkheidsproblematiek en het aanpakken van zijn verslavingsproblematiek, met name het gebruik van harddrugs, om het gevaar voor recidive zo veel mogelijk terug te dringen.

Voorts is van belang dat toegewerkt wordt naar een beschermd wonen voorziening, gericht op stabiele huisvesting, dagbesteding en maatschappelijke inbedding. Ook zal binnen de behandeling en begeleiding aandacht moeten worden besteed aan de (afwijkende) seksuele belevingen en opvattingen van verdachte.

Behandeling van verdachte in een ander, minder dwingend, kader acht de rechtbank, mede gezien verdachte’s lage functioneringsniveau en gevoeligheid voor ontregeling, niet afdoende om het recidive risico voor de toekomst te beperken.

De rechtbank zal aan verdachte daarom de maatregel TBS met voorwaarden opleggen. Er wordt voldaan aan de eisen die de wet aan het opleggen van deze maatregel stelt. Het bewezenverklaarde feit is een misdrijf als genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Verder bestond er tijdens het begaan van deze feiten bij de verdachte een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Ten slotte eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel. Ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen stelt de rechtbank voorwaarden betreffende het gedrag van verdachte. De rechtbank sluit zich daarbij aan bij het reclasseringsadvies van Tactus Reclassering Flevoland.

Met betrekking tot het drugsverbod zal de rechtbank bepalen dat verdachte geen harddrugs mag gebruiken omdat de rechtbank uit de adviezen begrijpt dat met name het gebruik van harddrugs tot problemen bij verdachte leidt. Ook mag verdachte zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, geen softdrugs gebruiken. Hiermee wil de rechtbank voorkomen dat de TBS met voorwaarden – zoals de psycholoog en psychiater vrezen - wordt omgezet naar TBS met dwangverpleging indien verdachte door (beperkt) softdrugs gebruik zijn voorwaarden overtreedt.

De rechtbank zal de reclassering opdracht geven verdachte bij de naleving van de gestelde voorwaarden hulp en steun te verlenen. Verdachte heeft zich ter terechtzitting van 10 september 2019 bereid verklaard tot naleving van de hierna te noemen voorwaarden.

De rechtbank overweegt voorts dat, wanneer verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt, de TBS met voorwaarden kan worden omgezet in een ongemaximeerde TBS met dwangverpleging omdat de maatregel is opgelegd ter zake van misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

dadelijke uitvoerbaarheid

De rechtbank acht ten slotte termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 38, lid 6 Sr en zal bevelen dat de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

de straf

Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur moet worden opgelegd. De rechtbank houdt daarbij rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en ziet nadrukkelijk de noodzaak in van behandeling van verdachte. Om de aanvang daarvan niet al te lang uit te stellen, maar zonder af te doen aan de voormelde ernst van het bewezenverklaarde, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden.

7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van in totaal € 2.642,65, te vermeerderen met wettelijke rente, bestaande uit materiële (€ 142,65) en immateriële schade (€ 2.500,--). Zij heeft daarbij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij volledig toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast heeft zij gevorderd de schadevergoedingsmaatregel voor dit bedrag op te leggen, vermeerderd met de wettelijke rente.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair aangevoerd dat, gelet op de bepleite vrijspraak, de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de rechtbank bij een bewezenverklaring het toe te wijzen bedrag moet afstemmen op wat is bewezen verklaard.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat [slachtoffer] rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De gevorderde materiële schade voor het bedrag van € 142,65 is niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij, zodat de rechtbank dit bedrag zal toewijzen. Met betrekking tot het gevorderde bedrag voor de jas (€ 24,--) zal de rechtbank de wettelijke rente hierover toewijzen met ingang van 30 september 2018 en met betrekking tot het gevorderde bedrag voor kosten psycholoog (€ 118,65) zal de wettelijke rente met ingang van 14 januari 2019 worden toegewezen.

De rechtbank acht de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag € 2.500,-- als vergoeding ter zake van immateriële schade, tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar. De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag toewijzen met ingang van 30 september 2018, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade op die datum is ontstaan.

Dit brengt mee dat verdachte moet worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens [slachtoffer] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat ten behoeve van het [slachtoffer] :

(i) een bedrag van € 24,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 september 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, bestaande uit een vergoeding voor materiële schade;

(ii) een bedrag van €118,65, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, bestaande uit een vergoeding voor materiële schade;

(iii) een bedrag van € 2.500,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 september 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade;

8 De vordering tenuitvoerlegging

De rechtbank zal de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering van 1 mei 2019 tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 10 januari 2019 (parketnummer 09/837296-18), omdat het bewezenverklaarde feit is begaan vóór de ingangsdatum van de bij de door de politierechter opgelegde proeftijd.

De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie van 1 mei 2019 tot ten uitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 9 mei 2018 (parketnummer 09/090397-18), afwijzen. Dit omdat tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde straf, gelet op de opgelegde straf en de maatregel, geen redelijk doel (meer) dient.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 36f, 37a, 38, 38a, 45, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

poging tot verkrachting;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de terbeschikkingstelling van verdachte onder de volgende voorwaarden:

  1. Veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.

  2. Veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt in:

- veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;

- veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen;

- veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;

- veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;

- veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken;

- veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;

- betrokkene vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;

- veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht.

3. Veroordeelde werkt mee aan controle van digitale gegevensdragers tijdens een huisbezoek.

4. Veroordeelde werkt mee aan een time-out in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC), Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK), Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) of andere instelling, als de reclassering dat nodig vindt. Deze time-out duurt maximaal 7 weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal 7 weken, tot maximaal 14 weken per jaar. veroordeelde houdt zich aldaar aan de aanwijzingen van de behandelaar en/of de reclassering. Het innemen van medicatie kan onderdeel zijn van de behandeling.

5. Veroordeelde gaat niet naar het buitenland of naar de andere gebieden binnen het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van het Openbaar Ministerie.

6. Veroordeelde laat zich opnemen in een FPK, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

7. Veroordeelde dient zich in het kader van een eventueel resocialisatietraject, na een klinische opname, te laten behandelen bij een nader te bepalen ambulante forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van het klinische behandelteam en de reclassering, waarbij hij zich houdt aan de aanwijzingen die namens de reclassering en/of behandelaar zullen worden gegeven.

8. Veroordeelde dient zich in het kader van een eventueel resocialisatietraject, na een klinische opname, te vestigen in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, zulks ter beoordeling van het klinische behandelteam en de reclassering, waarbij hij zich dient te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van dat woontraject door of namens de instelling en/of behandelaar zullen worden gegeven. Veroordeelde mag niet zonder nadrukkelijke toestemming van de reclassering veranderen van woonplek.

9. Veroordeelde gebruikt geen harddrugs. Veroordeelde gebruikt geen softdrugs, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Veroordeelde werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.

10. Veroordeelde gebruikt geen alcohol en werkt mee aan controle op dit alcoholverbod. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest).

11. Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd.

12. Veroordeelde geeft openheid over seksualiteit en het aangaan van relaties. Mocht er sprake zijn van een (eventuele) partnerrelatie, geeft veroordeelde toestemming aan de reclassering om een kennismakingsgesprek te arrangeren en zijn partner op de hoogte te brengen van zijn huidige tbs-status en de daaraan gekoppelde voorwaarden.

13. Veroordeelde werkt mee aan passende dagbesteding.

14. Indien de reclassering dit nodig acht, geeft veroordeelde openheid in zijn financiën;

geeft hierbij opdracht aan Tactus Reclassering Flevoland, de ter beschikking gestelde bij de naleving van de aanwijzing hulp en steun te verlenen krachtens het bepaalde bij artikel 38, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;

beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;

wijst de vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer] :

( i) een bedrag van € 24,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 september 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, bestaande uit een vergoeding voor materiële schade;

(ii) een bedrag van €118,65, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, bestaande uit een vergoeding voor materiële schade;

(iii) een bedrag van € 2.500,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 september 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door [slachtoffer] , tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat

( i) een bedrag van € 24,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 september 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, bestaande uit een vergoeding voor materiële schade;

(ii) een bedrag van €118,65, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, bestaande uit een vergoeding voor materiële schade;

(iii) een bedrag van € 2.500,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 september 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 35 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 10 januari 2019 (parketnummer 09/837296-18);

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 9 mei 2018 (parketnummer 09/090397-18).

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.F.H. van Eijk, voorzitter,

mr. C.W.M. Giesen, rechter,

mr. L. Kelkensberg, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. van der Wal-de Zoeten, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 september 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018264125, van de politie eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, afdeling Thematische Opsporing, team Zeden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 166).

2 Het proces-verbaal van aangifte, blz. 33-36.

3 Het proces-verbaal van verhoor van getuige Rickelman, blz. 55 en 56.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, blz. 59 laatste alinea en blz. 60.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, met de daarbij behorende foto’s, blz. 81-100.

6 Waarneming van de rechtbank ter zitting d.d. 10 september 2019.

7 Het NFI-rapport van 21 december 2018, opgesteld door deskundige dr. B. Kokshoorn, blz. 69-72.