Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10066

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
09-837301-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft vandaag drie Haagse politieagenten vrijgesproken van meineed en valsheid in geschrift. Daarnaast is eén van hen vrijgesproken van de mishandeling van een arrestant. Een ander, die bij de arrestatie een politiehond in het been van de arrestant liet bijten, heeft zich volgens de rechtbank niet schuldig gemaakt aan het gebruik van buitensporig geweld. Hij is dan ook ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/837301-18

Datum uitspraak: 27 september 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te Zwijndrecht,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 12 maart 2019 (regie) en 13 september 2019 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. I. Doves, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. F. Mattheijer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 13 september 2019 - ten laste gelegd dat:

1.

hij op 21 januari 2018 te Den Haag aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een en/of meerdere bijtwond(en)) heeft toegebracht, door opzettelijk een (politie)hond de opdracht te geven om voornoemde [slachtoffer] te bijten (waarna die [slachtoffer] door de hond werd gebeten);

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op 21 januari 2018 te Den Haag ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een (politie) hond de opdracht heeft gegeven om voornoemde [slachtoffer] te bijten (waarna die [slachtoffer] door de hond werd gebeten), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 21 januari 2018 te Den Haag, in het geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder belofte en/of ede vordert en/of daaraan rechtsgevolgen verbindt, schriftelijk, opzettelijk een valse verklaring en/of een verklaring ten dele in strijd met de waarheid heeft afgelegd, immers heeft hij, verdachte, in een door hem, verdachte, schriftelijk op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 21 januari 2018 opzettelijk (geheel of ten dele) in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - gerelateerd:

- Ook zag ik dat de verdachte zijn handen niet liet zien en deze in zijn jas hield. Ook toen de verdachte met verbalisant [verbalisant] op de grond was beland zag ik dat de verdachte zijn handen niet liet zien,

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op 21 januari 2018 te Den Haag een proces-verbaal van bevindingen - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte toen en daar valselijk in dat geschrift het volgende gerelateerd:

- Ook zag ik dat de verdachte zijn handen niet liet zien en deze in zijn jas hield. Ook toen de verdachte met verbalisant [verbalisant] op de grond was beland zag ik dat de verdachte zijn handen niet liet zien,

zulks met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De volgende feiten en omstandigheden kunnen naar het oordeel van de rechtbank als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 21 januari 2018 kwam om 19:40 uur bij de meldkamer van de politie eenheid Den Haag een binnen van een vrouw die zich verscholen hield in de keuken van de [cafe] in Den Haag. De meldster vertelde dat zich een gewapende man in het café bevond die mensen sloeg en bedreigde. De centralist van de meldkamer vroeg haar meerdere keren of de man personen onder schot hield, of de meldster het wapen kon zien en of zij kon vertellen of het wapen een vuurwapen betrof. In eerste instantie beantwoordde de meldster deze vragen bevestigend, waarop verschillende politie eenheden ter plaatse gingen. Later, op het moment dat de centralist de meldster uitlegde dat de politie niet zomaar het café in kon gaan als zich daarin iemand met een vuurwapen bevond, zei de meldster dat zij eigenlijk niet zeker wist of de man een vuurwapen had. De centralist meldde de eenheden vervolgens dat niet duidelijk was om wat voor wapen het ging, maar dat vooralsnog moest worden uitgegaan van een vuurwapen. De centralist zei de eenheden afstand te houden en nog niet tot actie over te gaan ter voorkoming van een mogelijke gijzelingssituatie. Enkele minuten voordat de politie het café binnen zou vallen, kwamen drie personen het café uit en ontstond voor het café een vechtpartij, waarop deze drie personen zijn gecontroleerd en in ieder geval één man is aangehouden. Hierna maakten verschillende politie eenheden zich op om het café te controleren en de aanwezige personen één voor één naar buiten te leiden.

Om 20:00 uur die avond stapte [verbalisant] als eerste politieambtenaar het café binnen en werd hij bij de ingang van het café aangesproken door een vrouw, naar later bleek de meldster. De meldster wees vervolgens naar [slachtoffer] , één van de cafébezoekers, en vertelde [verbalisant] dat dit de man was met het vuurwapen. [verbalisant] maande [slachtoffer] zijn handen te laten zien en te knielen. Toen [slachtoffer] hier volgens [verbalisant] niet aan voldeed, heeft [verbalisant] - die een kogelwerend schild bij zich had - de schildprocedure tegen [slachtoffer] ingezet. Uiteindelijk is [slachtoffer] na inzet van de diensthond van de verdachte, die diensthondengeleider is, aangehouden.

Nadien, nadat de beelden waren bekeken die waren opgenomen met in de bar geplaatste camera’s, is het vermoeden gerezen dat het proces-verbaal van aanhouding dat was opgemaakt door de verdachte en [verbalisant] op onderdelen in strijd was met de waarheid. Datzelfde gold voor het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door de [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] , die eveneens bij de politieactie in de [cafe] betrokken waren.

Dit heeft geleid tot de vervolging van deze vier politieambtenaren. De verdachte wordt tevens vervolgd voor de onrechtmatige inzet van de politiehond, waarbij [slachtoffer] gewond is geraakt. [verbalisant] wordt tevens vervolgd voor de mishandeling van [slachtoffer] , door op diens verwonde been te gaan staan. De zaak tegen [politieambtenaar 2] is later geseponeerd. De andere drie zaken, waaronder dus die van de verdachte, zijn gelijktijdig door de rechtbank op zitting behandeld.

In de kern draait het er in deze zaak om of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling (feit 1 primair), althans een poging daartoe (feit 1 subsidiair), van [slachtoffer] door de inzet van zijn diensthond en aan het plegen van meineed (feit 2 primair) of valsheid in geschrift (feit 2 subsidiair) bij het opmaken van het proces-verbaal van aanhouding van [slachtoffer] .

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde feiten. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van deze feiten wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de raadsman zich niet uitgelaten over de bewezenverklaring. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe primair aangevoerd dat de tenlastegelegde in het proces-verbaal gerelateerde waarneming van de verdachte niet onjuist is. De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat bij de verdachte geen opzet bestond op het onjuist verbaliseren.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Bij de beoordeling van de tenlastelegging zal de rechtbank eerst het onder 2 tenlastegelegde behandelen en daarna het onder 1 tenlastegelegde, omdat de onder 2 tenlastegelegde beschreven gebeurtenissen zich eerder hebben afgespeeld dan de in de onder 1 tenlastegelegde (poging tot) zware mishandeling.

3.4.1

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van meineed of valsheid in geschrift moet allereerst worden vastgesteld wat de feitelijke toedracht is waarover de verdachte heeft verklaard. Als die feitelijke toedracht is vastgesteld, dient te worden getoetst of de tenlastegelegde passages uit het proces-verbaal onjuist zijn. De feitelijke toedracht kan worden vastgesteld aan de hand van de beelden van de camera’s die in het café aanwezig waren en die op zitting zijn bekeken.

De rechtbank houdt er hierbij rekening mee dat de verdachte waarschijnlijk niet alles heeft gezien wat op de camerabeelden wel te zien is. De camerabeelden zijn immers afkomstig van verschillende camera’s die zich op verschillende posities hoog in het café bevinden, waardoor het incident - achteraf en in alle rust - vanuit verschillende posities kan worden bekeken. De verdachte kon de situatie slechts vanuit zijn eigen gezichtspunt waarnemen, een positie van waaruit geen camerabeelden zijn gemaakt. De beschikbare camerabeelden laten dus niet per se zien wat de verdachte op dat moment kon waarnemen. De rechtbank dient er ook rekening mee te houden dat het donker, of in ieder geval schemerig, was in het café, waardoor de blik van [verbalisant] – die een zaklamp nodig had om beter zicht te krijgen – werd beperkt. De verdachte is daarentegen – vlak na [verbalisant] – het café zonder zaklamp binnengegaan.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de eerste tenlastegelegde zin “Ook zag ik dat de verdachte zijn handen niet liet zien en deze in zijn jas hield” een onjuiste waarneming van de verdachte betreft, omdat de verdachte pas het café binnenkwam op het moment dat [slachtoffer] al op de grond lag en de verdachte dus helemaal niet heeft kunnen zien wat zich daaraan voorafgaand in het café heeft afgespeeld. Uit de camerabeelden volgt echter dat, op het moment dat [verbalisant] tegen [slachtoffer] aanliep, zich een politieagent achter de ruit tussen de hal van het café en het café zelf bevond. Uit het dossier blijkt voorts dat de verdachte als tweede, na [verbalisant] , het café betrad. De rechtbank concludeert dan ook dat de politieagent achter de ruit de verdachte moet zijn geweest. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook goed mogelijk dat de verdachte door deze ruit al zicht heeft gehad op hetgeen zich vlak voordat [slachtoffer] op de grond terecht kwam in het café heeft afgespeeld. Dit strookt ook met de eigen - consistente - verklaringen van de verdachte dat hij [slachtoffer] al had gezien op het moment dat [verbalisant] hem omver liep. Uit de camerabeelden volgt met betrekking tot dit moment dat [slachtoffer] , mogelijk vanuit een reflex op het vallen, zijn handen omlaag brengt. Te zien is dat de handen van [slachtoffer] hierbij langs zijn openstaande jas bewegen. Gelet op het mogelijk beperkte zicht van de verdachte door de slechte verlichting en het gegeven dat hij bezig was zich door de hal van het café te bewegen, kan de verdachte hebben waargenomen dat [slachtoffer] zijn handen op dat moment niet liet zien en deze in zijn jas hield. Daarom kan niet met een voldoende mate van zekerheid worden gesteld dat de zin “Ook zag ik dat de verdachte zijn handen niet liet zien en deze in zijn jas hield” strijdig is met de feitelijke toedracht. Deze zin kan daarom niet als onjuist worden bestempeld.

Met betrekking tot de tweede tenlastegelegde zin “Ook toen de verdachte met verbalisant [verbalisant] op de grond was beland zag ik dat de verdachte zijn handen niet liet zien” volgt uit de camerabeelden dat de verdachte vanuit de hal het cafégedeelte binnenkomt als [slachtoffer] op de grond ligt en bezig is op zijn linkerzij te draaien. Te zien is dat [slachtoffer] daarbij zijn beide handen ter hoogte van zijn borst houdt. De verdachte kijkt op dat moment op de rug van [verbalisant] en [slachtoffer] ligt met opgetrokken benen - met zijn voeten - in de richting van de verdachte. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of de verdachte de handen van [slachtoffer] vanuit zijn positie op dat moment kan hebben gezien. Vervolgens volgt uit de camerabeelden dat [verbalisant] aan de rechterzij en -arm van [slachtoffer] trekt en dat de verdachte op dat moment om de benen van [slachtoffer] heen naar diens linkerkant loopt. Als de verdachte eenmaal links van [slachtoffer] staat, de kant waar zijn handen zich bevinden en de verdachte deze op dit moment dus wél heeft kunnen zien, houdt [slachtoffer] zijn handen nog steeds ter hoogte van zijn borst en/of gezicht. De rechtbank overweegt hierbij dat het gegeven dat de verdachte de handen van [slachtoffer] ziet nog niet betekent dat [slachtoffer] zijn handen ook duidelijk toont, waartoe hij herhaaldelijk door [verbalisant] werd vermaand. Op de camerabeelden is immers niet te zien dat [slachtoffer] op dit moment zijn armen spreidt en handen opent, de handeling die door politieambtenaren wordt bedoeld wanneer zij manen tot het laten zien van de handen. In die positie wordt immers de kans beperkt dat nog (onverhoeds) een wapen wordt gebruikt. Om deze reden kan evenmin met een voldoende mate van zekerheid worden gesteld dat de zin “Ook toen de verdachte met verbalisant [verbalisant] op de grond was beland zag ik dat de verdachte zijn handen niet liet zien” strijdig is met de feitelijke toedracht. Deze zin kan evenmin als onjuist worden bestempeld.

Nu beide tenlastegelegde zinnen naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer in strijd zijn met de feitelijke toedracht en daardoor niet als onjuist kunnen worden bestempeld, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meineed dan wel valsheid in geschrift. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde.

3.4.2

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde1

Aangezien de verdachte heeft bekend dat hij opzettelijk zijn diensthond heeft ingezet op [slachtoffer] en [slachtoffer] door dit handelen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van meerdere bijtwonden, de verdachte nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman van de verdachte ten aanzien van dit feit geen vrijspraak heeft bepleit, kan de rechtbank ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 13 september 2019;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] d.d. 19 november 2018, blz. 34-37;

  • -

    een geschrift, te weten een brief van [arts-assistent] , d.d. 22 januari 2018.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

1.

op 21 januari 2018 te Den Haag aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (meerdere bijtwonden) heeft toegebracht, door opzettelijk een politiehond de opdracht te geven om voornoemde [slachtoffer] te bijten, waarna die [slachtoffer] door de hond werd gebeten.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten en omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet heeft voldaan aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. De verdachte kan zich dan ook niet beroepen op de rechtvaardigingsgrond van artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht. Het inzetten van de diensthond kan dus worden gekwalificeerd als het strafbare feit bedoeld in artikel 302, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte gelegitimeerd gebruik heeft gemaakt van zijn geweldsbevoegdheid en dat sprake is van de in artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht vervatte strafuitsluitingsgrond. Het bewezenverklaarde kan dan ook niet worden gekwalificeerd als een strafbaar feit. Dit betekent dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft bij het onder 1 primair bewezenverklaarde feit opgetreden ter daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde als bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 2012. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte daarbij heeft gehandeld conform de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit als bedoeld in artikel 7, eerste lid, in samenhang met artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012. De rechtbank overweegt als volgt.

Zoals uit het onder 3.1 uiteengezette blijkt, was sprake van een melding van een mogelijk gewapende man, gewapend met een vuurwapen. Een vuurwapen is één van de zwaarste geweldsmiddelen. Het enkele voorhanden hebben daarvan brengt ernstige risico’s mee. In deze zaak betrad [verbalisant] als eerste het café en werd hij door de meldster gewezen op [slachtoffer] , die volgens de meldster in het bezit was van een vuurwapen. Toen [slachtoffer] volgens [verbalisant] , ondanks zijn waarschuwing dat de hond zou worden ingezet, niet voldeed aan zijn bevelen om zijn handen te laten zien en te knielen, vroeg [verbalisant] om de verdachte met zijn hond het café in te laten komen. Hierop betrad de verdachte met zijn diensthond het café en liep hij naar [slachtoffer] toe, die door [verbalisant] omver was gelopen. Onder 3.4.1 is reeds uiteengezet dat de waarneming van de verdachte dat [slachtoffer] zijn handen niet liet zien toen hij op de grond lag, niet zonder meer als onjuist te bestempelen is. Voor zover de handen van [slachtoffer] voor de verdachte wel zichtbaar waren, was dit naar het oordeel van de rechtbank niet op een zodanige manier dat van de positie van zijn handen geen dreiging meer uitging. De armen van [slachtoffer] waren immers niet gespreid en zijn handen bevonden zich nog ter hoogte van zijn borst en/of gezicht, waardoor het voor de agenten niet duidelijk was of [slachtoffer] zijn verzet staakte. Op dat moment heeft de verdachte besloten de diensthond in te zetten op het onderbeen van [slachtoffer] . De rechtbank overweegt hierbij dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte de diensthond louter heeft ingezet op instigatie van [verbalisant] .

De verdachte is sinds 2009 werkzaam als gecertificeerd diensthondengeleider en was in die functie gerechtigd de diensthond in te zetten. Een lichter geweldsmiddel stond hem op dat moment niet ten dienste. Van de aanwending van een te zwaar geweldsmiddel of de toepassing van buitensporig geweld is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op bovenomschreven aanhoudende dreiging van het mogelijk grijpen naar een vuurwapen, geen sprake. Niet is aannemelijk geworden dat de verdachte meer of krachtiger geweld heeft toegepast dan in de omstandigheden aanvaardbaar was. Voorts heeft de verdachte zijn diensthond direct van [slachtoffer] afgehaald toen [slachtoffer] zijn verzet opgaf.

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank bij het onder 1 primair bewezenverklaarde feit heeft gehandeld ter rechtmatige uitvoering van een wettelijke taak en dat de uitoefening daarvan in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd was, zoals vereist in de genoemde bepalingen van de Politiewet 2012. Dit betekent dat de verdachte handelde op grond van een wettelijk voorschrift, als vervat in de strafuitsluitingsgrond van artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht. Hierdoor ontbreekt aan het onder 1 primair bewezenverklaarde de materiële wederrechtelijkheid en kan dit om die reden niet worden gekwalificeerd als het strafbare feit bedoeld in artikel 302, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5 De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5.605,-, voor een gedeelte van € 605,- bestaande uit materiële schade en voor een gedeelte van € 5.000,- uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van vordering, vermeerderd met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, gelet op het bepleite ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde respectievelijk vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde, op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

6 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde niet strafbaar;

ontslaat de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde van alle rechtsvervolging;

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.P.M. Meskers, voorzitter,

mr. M.M.F. Holtrop, rechter,

mr. L.C. Bannink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Holsteijn, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 september 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer [pvnummer] , van de politie eenheid Den Haag, team Veiligheid, Integriteit en Klachten, met bijlagen (doorgenummerd blz. 2 t/m 50).