Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:10059

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
26-09-2019
Zaaknummer
09/857150-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van poging diefstal en poging doodslag dan wel bedreiging.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de herkenning van een verbalisant, gedaan als objectieve verbalisant maar ook als slachtoffer van een poging doodslag dan wel bedreiging, voldoende is om tot een bewezenverklaring te komen.

In casu is onvoldoende concreet waar de herkenning op is gebaseerd en bevindt geen anders bewijs voor betrokkenheid van de verdachte in het dossier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/857150-19 en 22/005226-16 (tul)

Datum uitspraak: 25 september 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats]),

[adres],

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 11 september 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. B.A.C. Looijestijn en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. J.G.M. Dassen naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 02 juni 2019 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer] van het leven te beroven opzettelijk met een priem en/of schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal heeft gestoken in de richting van het lichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 juni 2019 te Zoetermeer [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (meermalen) met een priem en/of schroevendraaier in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] te steken en/of (daarbij) de woorden te roepen: "Ik maak je af", althans woorden van gelijk dreidende aard en/of strekking;

2.

hij op of omstreeks 02 juni 2019 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld, een bril en/of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde], weg te nemen vanuit den VW Transporter [kenteken]) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming,

- ( een) ruit van die VW Transporter in te slaan/ te vernielen en/of

- ( vervolgens) zich de toegang tot die VW Transporter te verschaffen en/of

- ( vervolgens) die VW Transporter te doorzoeken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 Vrijspraak

3.1

Inleiding

Op 2 juni 2019 omstreeks 02.00 uur wordt er ingebroken in een bestelbus in Zoetermeer. [slachtoffer]), brigadier van de politie, die op dat moment buiten dienst thuis is, hoort het geluid van springend glas en rent naar de bestelbus. Daar treft hij een man aan, die wegrent zodra hij [slachtoffer] ziet. [slachtoffer] probeert de man vast te pakken en ziet dat de man in zijn rechterhand een schroevendraaier of priem heeft. De man maakt hiermee stekende bewegingen en roept: “Ik maak je af”. [slachtoffer] neemt iets afstand en herkent hem dan als de verdachte. De man weet vervolgens te ontkomen. [slachtoffer] ziet kort nadien een kras op zijn borst en vermoedt dat hij is gestoken met de schroevendraaier of priem.

Op 7 juni 2019 is de verdachte aangehouden. De verdachte heeft ontkend dat hij degene was die in de nacht van 2 juni 2019 in Zoetermeer heeft ingebroken in een bestelbus en [slachtoffer] heeft bedreigd en gestoken. Volgens de verdachte was hij die nacht bij zijn vrouw thuis en is hij daar de volgende dag om 07.00 uur door zijn broer opgehaald om te gaan werken.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde poging doodslag en de onder 2 ten laste gelegde poging inbraak in de bestelbus. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat hij geen reden heeft om te twijfelen aan de herkenning van de verdachte door [slachtoffer] De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. De raadsman voert hiertoe aan dat het enige bewijsmiddel in deze zaak de herkenning door [slachtoffer] is. Volgens de raadsman moet behoedzaam met deze herkenning worden omgegaan, omdat [slachtoffer] het slachtoffer is in deze zaak. Het dossier bevat volgens de raadsman een aantal aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de herkenning. Zo heeft [slachtoffer] gerelateerd dat hij bij de bestelbus een man zag met een slank postuur en een pet op zijn hoofd en dat hij de verdachte pas herkende nadat hij afstand had genomen om zich te beschermen tegen de stekende bewegingen. Er is dus geen sprake van een directe herkenning. Verder volgt uit het dossier dat er een melding is gedaan die van [slachtoffer] afkomstig moet zijn en waarin een signalement van de stekende man wordt gegeven dat niet overeenkomt met het uiterlijk van de verdachte. Ten slotte is volgens de raadsman onvoldoende duidelijk waar de herkenning van de verdachte door [slachtoffer] op is gebaseerd.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

In deze strafzaak moet de vraag worden beantwoord of verdachte degene is geweest die in de bus heeft ingebroken en vervolgens richting [slachtoffer] heeft gestoken.

De rechtbank stelt vast dat het dossier geen andere bewijsmiddelen voor de betrokkenheid van de verdachte bevat dan de herkenning van [slachtoffer]. De bestelbus is volgens het dossier weliswaar onderzocht op de aanwezigheid van sporen, maar dit heeft niets opgeleverd dat in de richting wijst van de verdachte. Onderzoek aan telefoons en van telecommunicatiegevens van de verdachte heeft ook geen bewijs opgeleverd voor het aan hem tenlastegelegde. De politie heeft bovendien geen nader onderzoek gedaan naar de verklaring van de verdachte dat hij die nacht bij zijn vrouw thuis verbleef, hoewel dit naar het oordeel van de rechtbank wel voorstelbaar was.

De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of de herkenning van [slachtoffer] voldoende is om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank is van oordeel dat met deze herkenning behoedzaam moet worden omgegaan. [slachtoffer] heeft de herkenning immers niet alleen gedaan als objectieve verbalisant maar ook als slachtoffer van een poging doodslag dan wel bedreiging. Deze behoedzaamheid brengt met zich dat de rechtbank de wijze van herkenning door [slachtoffer] en de beschrijvingen hiervan in het dossier kritisch tegen het licht zal houden.

De rechtbank stelt in dit kader voorop dat zij geen twijfel heeft dat [slachtoffer] zijn waarneming naar eer en geweten heeft gedaan. Echter kan in een dergelijk heftige situatie sprake zijn van verschillende fysieke en psychische effecten die de waarneming onbewust beïnvloeden.

De rechtbank stelt vast dat niet, ook niet in het aanvullend proces-verbaal, concreet is onderbouwd waar de herkenning van [slachtoffer] op is gebaseerd. [slachtoffer] heeft gerelateerd dat de foto van de verdachte voorafgaand aan het incident meerdere dagen op de briefing van de politie heeft gestaan, maar deze foto zit niet in het dossier, zodat de rechtbank niet kan vaststellen of de verdachte de persoon is die op de briefing is getoond. [slachtoffer] heeft verder gerelateerd dat de verdachte een bekende veelpleger is en daarom geen onbekende van hem, maar hij heeft geen concrete incidenten genoemd waarbij hij met de verdachte te maken heeft gehad. Uit het dossier volgt verder dat [slachtoffer] de man die hij bij de bestelbus aantreft, beschrijft als iemand met een slank postuur, terwijl de rechtbank ter terechtzitting heeft waargenomen dat de verdachte een brede man is met een fors postuur. Ten slotte volgt uit het dossier dat er van het incident een melding is gedaan waarbij het signalement van de verdachte zou zijn: een manspersoon, pet op, rode baard, dun jack. De rechtbank heeft ter terechtzitting waargenomen dat de verdachte wat betreft de rode baard niet aan dit signalement voldoet. Niet duidelijk is geworden hoe het nu gekomen is dat die melding kennelijk toch die nacht is uitgewisseld onder de dienstdoende politieambtenaren.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat op basis van het dossier kanttekeningen zijn te plaatsen bij de herkenning van de verdachte door [slachtoffer], zodat aan die herkenning niet de waarde kan worden gehecht die de officier van justitie daaraan gehecht wenst te zien. Gezien wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is waaruit volgt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een inbraak in een bestelbus en een poging doodslag dan wel een bedreiging. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van de ten laste gelegde feiten.

4 De vordering tenuitvoerlegging

4.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging van

het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf opgelegd bij arrest van het Gerechtshof in Den Haag van 31 maart 2017, te weten gevangenisstraf voor de duur van 84 dagen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af. De verdachte zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Dit betekent dat hij de aan de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf verbonden algemene voorwaarde niet heeft overtreden.

5 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf opgelegd bij arrest van het gerechtshof in Den Haag van 31 maart 2017 af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Schaaf, voorzitter,

mr. E.C. Kole, rechter,

mr. N.S.M. Lubbe, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. F.E. van der Does, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 september 2019.