Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9997

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
05-10-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3237
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Feiten en omstandigheden kwalificeren als een ernstig en onverzoenlijk conflict, gelet op de talrijke verklaringen van derden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 18/3237

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2017 heeft verweerder het verzoek van eiser om bij de vaststelling van zijn aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van zijn vader, afgewezen.

Verweerder heeft bij besluit van 5 april 2018 (het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2018. Eiser is verschenen, vergezeld van pastoor [pastoor] Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. B.C. Rots.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft met dagtekening 4 juli 2017 (het verzoek), ontvangen door verweerder op 10 juli 2017, een verzoek ingediend om met ingang van 1 september 2013 geen rekening te houden met het inkomen van zijn vader bij de vaststelling van zijn aanvullende beurs (loskoppeling).

2. Bij besluit van 1 augustus 2017 heeft verweerder het verzoek afgewezen.

3. De bezwaren van eiser zijn bij beslissing op bezwaar ongegrond verklaard.

Geschil

4. Tussen partijen is niet in geschil dat de vader van eiser weigert de veronderstelde ouderlijke bijdrage te betalen. In geschil is of sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen eiser en zijn vader.

5. Eiser stelt dat loskoppeling in zijn situatie op zijn plaats is, omdat sprake is van een ernstig en structureel conflict met zijn vader. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft eiser diverse verklaringen overgelegd.

6. Verweerder erkent dat sprake is van een verstoorde relatie tussen eiser en zijn vader. Dit is volgens verweerder echter niet voldoende om een conflict in de zin van artikel 6, eerste lid, onder a, van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000) aan te nemen. Hiervoor moet worden aangetoond dat de verstoring van de relatie zodanig structureel en fundamenteel is dat loskoppeling de enige weg is. Dat is volgens verweerder hier niet het geval.

Beoordeling van het geschil

7. De rechtbank overweegt allereerst dat, gelet op het bepaalde in artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bsf 2000, de loskoppeling niet eerder dan twee jaar voor het moment van aanvragen daarvan kan ingaan. Nu het door eiser ingediende verzoek op

10 juli 2017 door verweerder is ontvangen en niet gebleken is dat eiser reeds eerder een verzoek tot loskoppeling bij verweerder heeft ingediend, kan het verzoek van eiser niet leiden tot loskoppeling met ingang van 1 september 2013.

8. Bij een conflict in de zin van artikel 6, eerste lid onder a, van het Bsf 2000 valt volgens de Nota van Toelichting bij het Bsf 2000 (Stb. 2000, 329) te denken aan een zodanig fundamenteel en structureel verstoorde relatie dat loskoppeling de enige weg is, zoals in gevallen waarin ernstig fysiek en/of geestelijk geweld een rol heeft gespeeld. Ook kan het gaan om diepgaande, met ernstige conflicten gepaard gaande, verschillen van inzicht over met name levensovertuiging, cultuur en geloof. De ernst van het conflict wordt volgens artikel 7, derde lid, van het Bsf 2000 aangetoond door een verklaring van een ter zake deskundige. Volgens de Nota van Toelichting bij het Bsf 2000 kan daarbij gedacht worden aan verklaringen van terzake deskundige instanties zoals de RIAGG, een vertrouwensarts, psychiater of psycholoog of een voogdijvereniging.

9. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser onder meer verklaringen overgelegd van jongerencoach [jongerencoach ] , ambulant begeleider [ambulant begeleider 1] , maatschappelijk werker [maatschappelijk werker] , huisarts [huisarts 1] , HAVO coördinator [HAVO coördinator] , pastoor [pastoor] en ambulant begeleider [ambulant begeleider 2] . Naar het oordeel van de rechtbank bevatten deze verklaringen een met objectieve distantie opgestelde beschrijving van de negatieve ervaringen die eiser in de loop der jaren heeft opgedaan met zijn vader. De door eiser in beroep overgelegde stukken van counselor [counselor] , huisarts [huisarts 2] en huisarts [huisarts 1] schetsen het huidige ziektebeeld van eiser. Gesteld noch gebleken is dat voornoemde personen ondeskundig zijn of dat hun bevindingen onbetrouwbaar zijn. De rechtbank merkt de van hen afkomstige stukken dan ook aan als verklaringen van een ter zake deskundige, zoals bedoeld in artikel 7, derde lid, van het Bsf 2000. De verklaring van de moeder van eiser en zijn eigen verklaringen kunnen op zichzelf niet als verklaringen van een deskundige worden aangemerkt, maar zij bieden wel aanknopingspunten voor het bepalen van de ernst van de situatie.

10. Uit de verklaringen van eiser komt naar voren dat hij is opgegroeid in een gezin met een dominante vader die hem fysiek en geestelijk heeft mishandeld en sinds zijn jeugd in zowel pedagogisch, als emotioneel en financieel opzicht heeft verwaarloosd. In het gezin is sprake geweest van huiselijk geweld en in het jaar 2006 zijn de ouders van eiser gescheiden. Eiser bleef (noodgedwongen) bij zijn vader in [plaats] wonen, omdat zijn moeder in een blijf-van-mijn-lijf-huis verbleef. In 2008 is eiser met zijn vader bij zijn stiefmoeder in [plaats] gaan wonen. De relatie met zijn vader verslechterde in 2010 fundamenteel. Eiser is toen is na een fysiek gevecht met zijn vader door hem uit huis gezet. In de zomer van 2010 is hij naar Venlo verhuisd om dichter bij zijn moeder te zijn. Nadien heeft eiser gedurende omstreeks vier jaren geen contact gehad met zijn vader en sinds omstreeks 2015 bestaat het sporadische contact met zijn vader uit het zo nu en dan in elkaars aanwezigheid zijn bij familiegelegenheden. Gelet op hoe zijn vader hem sinds zijn jeugd heeft behandeld en de omstandigheid dat zijn vader niet is veranderd, heeft eiser er geen enkel vertrouwen meer in dat de relatie met zijn vader mogelijk in de toekomst nog zal verbeteren. De situatie is, zo begrijpt de rechtbank het relaas van eiser, voor hem ook mentaal te belastend.

11. De verklaringen van eiser worden ondersteund door die van zijn moeder, de jongerencoach, de ambulante begeleiders, de maatschappelijk werker, de huisarts, de HAVO coördinator en de pastoor.

Zo heeft de moeder van eiser (gedingstuk 4.7) onder meer verklaard dat in het gezin sprake was van geestelijk en lichamelijk geweld door vader jegens haar en de kinderen, dat zij gevlucht is naar een blijf-van-mijn-lijf-huis, dat eiser door zijn vader slecht werd behandeld. Jongerencoach [jongerencoach ] (gedingstukken 4.8, 13.6 en 17.5) heeft verklaard dat de relatie tussen eiser en zijn vader (verder) verslechterde toen zijn vader een nieuwe relatie kreeg en dat de spanningen zo hoog opliepen met fysiek geweld tot gevolg en het uit huis zetten van eiser. Ook wilde vader niet meewerken aan het verbeteren van de relatie met zijn zoon.

Ambulant begeleider [ambulant begeleider 1] (gedingstuk 4.9) heeft een beeld geschetst van een vader die eiser in zowel pedagogisch als in financieel opzicht ernstig heeft verwaarloosd. [ambulant begeleider 1] beaamt de lezing van eiser dat hij een problematische jeugd heeft gehad, door zijn vader uit huis is gezet, sinds jonge leeftijd in zijn eigen levensonderhoud heeft moeten voorzien en diverse keren opgevangen is geweest door een pleeggezin. [ambulant begeleider 1] verklaard verder dat de oorzaak van de verbroken ouder-kind relatie gelegen is in het feit dat bij de vader weinig verantwoordelijkheidsgevoel valt te bespeuren naar eiser toe en dat de vader zich volledig heeft onttrokken aan zijn verzorgingsplicht.

Maatschappelijk werker [maatschappelijk werker] (gedingstuk 4.33) maakt in haar urgentieverklaring aan de wooncorporatie melding van een sinds eind 2009 geëscaleerde thuissituatie en licht toe dat het voor eiser, gezien de bij hem gediagnosticeerde stoornis PPD-NOS, noodzakelijk is dat zijn omgeving zo rustig en gestructureerd mogelijk is.

Volgens huisarts [huisarts 1] (gedingstuk 13.7) is sinds vele jaren sprake van ernstige conflicten tussen eiser en zijn vader en is meerdere malen melding gemaakt van een zeer moeilijke tot afwezige relatie tussen eiser en zijn vader.

Uit de verklaring van de HAVO coördinator (gedingstuk 13.14) blijkt dat de thuissituatie van eiser reeds in het jaar 2008 problematisch was maar in hoog tempo verslechterde met als gevolg dat eiser in januari 2010 uit huis is gezet. De school heeft getracht de situatie op te lossen, maar volgens de coördinator was de vader van eiser niet te benaderen. Volgens de coördinator heeft eiser een getormenteerde jeugd gehad waarin langdurig sprake is geweest van fysiek en geestelijk geweld.

Ambulant begeleider [ambulant begeleider 2] (gedingstuk 13.29) heeft de positie van eiser in het gezin beschreven en een karakterschets van de vader gegeven, waaruit een beeld naar voren komt van een dominante, uiterst rigide, intolerante en agressieve man.

12. Naar het oordeel van de rechtbank wordt het relaas van eiser bevestigd door de overgelegde verklaringen, in onderlinge samenhang bezien. Het beeld dat daarin naar voren komt is er een van een volledig ontwrichte thuissituatie die een ernstig en structureel conflict tussen eiser en zijn vader tot gevolg heeft gehad. Het gaat daarbij in beduidende mate om meer dan een conflict van “slechts” financiële aard. Dit conflict gaat ook verder dan het enkel ontbreken van een relatie. Het conflict heeft zich vanaf de vroege jeugd van eiser steeds verder negatief ontwikkeld. Die ontwikkeling heeft ertoe geleid dat inmiddels de vader-zoon relatie voor eiser te belastend is en schadelijk voor zijn (psychisch) welzijn.

13. Hieraan kan niet afdoen de omstandigheid dat eiser zijn vader sporadisch ontmoet in het kader van familieverhoudingen. Zoals eiser immers ter zitting geloofwaardig heeft verklaard, vindt het enige contact tussen hem en zijn vader plaats tijdens familiegelegenheden. Door de rol van zijn vader zijn ook de overige familieverhoudingen ernstig belast en zeer broos. Uitsluitend omwille van het behoud van een wankel evenwicht daarin, zo heeft eiser ervaren, is het daarom van groot belang om het conflict met zijn vader niet nog verder en openlijk op de spits te drijven.

De rechtbank betrekt bij dit oordeel tevens de verklaring van huisarts [huisarts 1] van

14 december 2017 (gedingstuk 13.7), inhoudende dat hij op korte termijn geen beterschap verwacht in de relatie tussen eiser en zijn vader en zelfs redelijk negatief is over de relatie op lange termijn. In beroep heeft eiser nog stukken overgelegd van huisarts [huisarts 1] van

19 juni 2018, huisarts [huisarts 2] van 2 juli 2018, counselor [counselor] van 10 juli 2018

en een afspraakbevestiging op 8 augustus 2018 bij dr. [X] van de afdeling angst en depressie van het Universitair psychiatrisch centrum te [plaats] . Uit deze stukken is af te leiden dat de huidige psychische klachten van eiser verband houden met de verstoorde relatie tussen hem en zijn vader. Deze omstandigheid, bezien in het licht van de bij eiser gediagnosticeerde stoornis PPD-NOS en tegen de achtergrond van wat maatschappelijk werker [maatschappelijk werker] (gedingstuk 4.33) en huisarts [huisarts 3] (gedingstuk 13.25) hebben verklaard over het vereiste van een rustige en stabiele situatie, maakt voorts dat de rechtbank aannemelijk acht dat de sporadische contacten tussen eiser en zijn vader niet bijdragen aan het verbeteren van de verstoorde relatie.

In dat verband neemt de rechtbank ook in aanmerking dat pastoor Derde ter zitting heeft toegelicht dat hij vanuit zijn geloofsbeleving eiser lange tijd ertoe heeft aangezet om niet te breken met zijn vader om zo een basis te creëren voor hoop op enig herstel van de vader-zoon relatie, maar dat hij daar inmiddels veel spijt van heeft omdat gebleken is dat die hoop niet reëel is en de gehele situatie voor het psychisch welzijn van eiser zeer belastend is gebleken.

14. Gelet op het voorgaande heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, bij het in acht nemen van alle omstandigheden van dit geval, niet in redelijkheid kunnen komen tot de conclusie dat het hier niet gaat om een ernstig en structureel conflict, waardoor loskoppeling de enige weg is.

15. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd en verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Proceskosten

16. Op 19 juli 2018 heeft de rechtbank een “formulier proceskosten” van eiser ontvangen waarin hij kennelijk verzoekt om een kilometervergoeding voor door hem gemaakte reiskosten van € 108,64. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft eiser stukken bij de Centrale Balie van de rechtbank afgegeven waarin hij verzoekt om vergoeding van door hem en pastoor Derde gemaakte reis- en verblijfkosten van in totaal

€ 249,79. Nu verweerder zich over die kosten heeft kunnen uitlaten en zich op het standpunt heeft gesteld zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank, zal de rechtbank deze stukken niet buiten beschouwing laten. Nu het beroep gegrond is, heeft de rechtbank aanleiding gezien verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. In de door pastoor Derde ter zitting afgelegde verklaring heeft de rechtbank aanleiding gezien om ook diens reis- en verblijfkosten te betrekken bij de vaststelling van de kosten.

17. De rechtbank wijst het verzoek van eiser om vergoeding van reis- en verblijfkosten slechts gedeeltelijk toe. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de redelijkheid met zich dat, gelet op de reisafstand tussen de woonplaats van eiser en de rechtbank en het tijdstip van de behandeling van zijn zaak ter zitting, eiser zonder voorafgaande overnachting tijdig op de rechtbank aanwezig had kunnen zijn. De hotelkosten komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. Gelet op het tijdstip van de behandeling ter zitting, bestond naar het oordeel van de rechtbank evenmin noodzaak om met de auto naar de rechtbank te reizen. Voor zover eiser heeft beoogd om een kilometervergoeding dan wel vergoeding van benzinekosten te verzoeken, overweegt de rechtbank dan ook dat de reiskosten van eiser en pastoor Derde alleen vergoed worden op basis van de kosten van een retourticket openbaar vervoer, 2e klas voor het traject vanaf de grens in Roosendaal tot aan Den Haag. De rechtbank heeft vastgesteld dat de kosten voor deze reis afgerond € 60 bedragen (2 x retour openbaar vervoer op basis van de reisplanner van de NS). De parkeerkosten komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking. Ook de op 23 juli 2018 gemaakte lunchkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu niet gebleken is dat deze kosten verband houden met de zitting op 24 juli 2018. Wel acht de rechtbank het redelijk om de overige lunch- en overige kosten van eiser en pastoor Derde te begroten op (afgerond) € 25.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van

deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 85;

- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 46 aan hem te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens, rechter, in aanwezigheid van

mr. H. J. Habetian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

22 augustus 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.